De Arabist Jansen en de redelijke wereld
ACHTERGROND - In 2011 werden bijna 6000 hoogleraren (gezien het grote aantal moeten dat ook emeriti zijn geweest) benaderd om mee te doen aan een enquête over religie en wetenschap. Het ging daarbij om de levensbeschouwing van de hoogleraren in het algemeen, en om de attitude van de hoogleraren jegens hoogleraren met een andere levensbeschouwing in het bijzonder.
De bevindingen zijn interessant en laten zien dat de levensbeschouwing van HLs nogal afwijkt van die van de gemiddelde Nederlander: Rapport hoogleraren 2011. Het onderzoek werd in 2013 nog eens overgedaan gedaan: Rapport hoogleraren 2013.
Terwijl ik de enquête invulde, betrapte ik me op een vooroordeel. Eigenlijk leek het me evident dat wetenschappers een positivistische houding zouden moeten hebben en dat een geloof in iets wat je niet zou kunnen meten een indicatie is voor verminderde geschiktheid als wetenschapper.
Gelukkig ben ik een experimentator, en ik besloot me niet te laten leiden door mijn idee-fixes, maar door de wereld om mij heen. Ik heb toen een kladblok gepakt, en vier kwadranten getekend. Op de verticale as stonden ‘minder dan gemiddeld productief’ en ‘bovengemiddeld productief’ en op de horizontale as zette ik ‘niet gelovig’ en ‘gelovig’. Ik maakte een lijst van wetenschappers die ik persoonlijk ken en waarvan ik de levensovertuiging weet. Deze wetenschappers rankte ik naar een algemene kwaliteitsindruk (input in discussies, experimentele flair, theoretische virtuositeit, het aantal boeiende papers dat geschreven werd, etc). In de lijst zaten net beginnende OiOs tot oudere wetenschappers. Voor de laatste categorie keek ik ook nog even naar de Hirsch factor, om mijn inschattingen te checken. Ik zat goed.