(1)
De man tegenover me in de trein probeert te slapen. Dat zal hem niet lukken, want de man naast hem – schuin tegenover mij dus – probeert een telefoongesprek te voeren. Ikzelf probeer te werken, wat niet lukt omdat de man tegenover mij zijn benen heeft uitgestrekt, zodat ik me in een onmogelijke hoek moet draaien om mijn benen kwijt te kunnen. Welkom in de trein van Amsterdam naar Hilversum, Amersfoort, Apeldoorn en uiteindelijk Berlijn. Die dus duidelijk te klein is.
(2)
De conducteur probeert in deze te volle trein een lichtpuntje te zijn. Hij komt bij ons langs met de geruststellende woorden dat hij onze kaartjes (“vervoersbewijzen” in conducteursjargon) niet hoeft te zien, maar alleen wil vertellen dat de verwarming het niet doet. We hadden dat al gemerkt. De verlichting doet het ook niet, trouwens.
(3)
Een vriendelijke mevrouw stapt in Amersfoort de coupé binnen. Hebben we zin om mee te werken aan een reizigersonderzoek? Ik ben de beroerdste niet en vul het kaartje in. Eén van de vragen is of ik reis met de ICE of de IC Berlijn. Ik heb geen idee. Het is zo’n vraag die misschien zin heeft voor de vervoersbedrijven, maar niet aansluit op de beleving van de reiziger, die alleen wil weten of zijn trein op tijd rijdt.
(4)