Laten we beginnen
Het is nu twee dagen mooi weer en ik hoor al mensen klagen dat het te warm is. Als er één volk is dat kan klagen, dan zijn wij het. Alhoewel, dat zeg ik nu wel, maar de grootste klager die ik heb gekend, was wijlen mijn grootmoeder van vaders kant, en die kwam uit Georgië. Die klaagde over alles. Ze hoefde er niet over na te denken. Ze klaagde automatisch. Het was voor haar als ademen. Ze hoefde maar een kamer binnen te lopen of ze had drie dingen om over te klagen. Er was te veel herrie. De stoelen waren niet goed. Het was te koud. Dat laatste was standaard. Het was altijd te koud.
Toen ik nog heel klein was, was ik eens met mijn ouders op vakantie in Zuid-Frankrijk. In La Grande Motte, om precies te zijn, een eigenaardig mediterraan stadje dat bekend stond om zijn modernistische, in mijn peuterogen bijzonder vreemde architectuur. Ik kan me, naast die architectuur, twee dingen van die vakantie herinneren. De eerste herinnering speelt zich af op zo’n klein treintje waarmee toeristen over de boulevard een rondleiding krijgen. Twee Franse jongens waren opgestapt zonder dat ze een kaartje hadden. Nozems, noemde mijn vader ze, hoewel we het hier over het begin van de jaren ’80 hadden. Ze werden er af gegooid door het meisje dat tekst en uitleg gaf tijdens de rondgang. Mijn vader keek het goedkeurend aan en zei dat die nozems een draai om hun oren verdienden. Ik probeerde dit te visualiseren en zag voor mijn geestesoog hoe het meisje met haar rechterhand rondjes draaide om de oren van een van de jongens. Een bijzonder eigenaardige straf, vond ik.
Het was te verwachten, maar het kwam niet uit de verwachte