De Partij van de Arbeid boekte bij de gemeenteraads- verkiezingen van 2006 een historische overwinning. Maar niet alleen in de haarvaten van de maatschappij, ook in de Tweede Kamer leken jaren van harde oppositie tegen het beleid van de Balkenende-trilogie hun vruchten af te gaan werpen: peilingen repten over meer dan 60 zetels en Wouter Bos verklaarde dat hij wel onze premier wilde zijn.
Maar er werden wel meer boude uitspraken gedaan. In het land dat zoveel beter kon was een parlementair onderzoek naar de Irak-oorlog noodzakelijk, zou Wouter Bos geen minister worden in een kabinet geleid door Balkenende, hoorde de partijleider van de PvdA thuis in het parlement, moest er opnieuw een referendum over de EU komen en was een belasting voor rijke gepensioneerden rechtvaardig.
“U draait en u bent oneerlijk”, wierp Balkenende Bos toe. Balkenende bleek het bij het juiste eind te hebben.
Jaren van oppositie
De verkiezingen van 2002 waren desastreus. De traditionele partijen hadden hun achterban jarenlang verwaarloosd. Vooral financieel-economische onderwerpen waren in de acht jaren Paars geagendeerd geweest, terwijl het groeiende ongenoegen in de samenleving -over onderwerpen die meer gericht waren op inrichting van de maatschappij- was genegeerd.
Na het LPF-echec kon de PvdA opvallen als oppositieleider tegenover een tamelijk rechts geörienteerd kabinet, een rol waarin op relatief eenvoudige wijze kon worden aangehaakt aan het brede verzet tegen de grote reorganisaties van het kabinet. Bos’ gang naar de stembus leek geplaveid met rode rozen.