Joost

2.801 Artikelen
2.839 Waanlinks
25.607 Reacties
Achtergrond: Kordite (cc)
Technisch opperhoofd en voorzitter van Sargasso, wat in de praktijk betekent dat hij nog geen zak te zeggen heeft :).

Developt (?) zich in het dagelijks leven het ongans en heeft veel te veel ideeën om uit te voeren. Daarom helpt Chad (zie boven) hem tegenwoordig vaak een handje zodat er toch nog af en toe een stukje verschijnt.
Foto: MVStudio on Pixabay

Odido: ’transparantie’ als mistmachine

De afgelopen maand wordt het een na het andere datalek bekend. Ikzelf ben er van minstens één medeslachtoffer: dat van Odido. Klanten ontvingen deze week een uitgebreide mail over de cyberaanval door ShinyHunters. De toon is warm, persoonlijk en ernstig. In de eerste paragraaf wordt gezegd dat ze me graag “persoonlijk willen meenemen in wat er is gebeurd, wat we hebben geleerd en wat we precies gaan doen (en al doen) om verder te gaan”. Maar er wordt uiteindelijk zo goed als niets in de mail en de video gezegd.

Het bericht bestaat grotendeels uit zinnen die tegelijk professioneel klinken en vrijwel niets betekenen. Odido “blijft investeren in beveiliging”. Odido “blijft open over wat we leren”. Odido “blijft extra ondersteuning bieden”. Alles blijft, ook al was dat wat blijft in het verleden duidelijk geen garantie. Dus wat wordt er precies geleerd? Hoe helpt die extra ondersteuning ons tegen het al gebeurde datalek? Wat er concreet misging blijft opmerkelijk vaag. Wat er precies gedaan wordt om het in de toekomst te voorkomen ontbreekt grotendeels of is zo vaag dat het alles kan betekenen.

Dat is ergens indrukwekkend. Een telecombedrijf weet een complete mail over een enorm beveiligingsincident te schrijven zonder daadwerkelijk uit te leggen welke beveiliging faalde, welke systemen kwetsbaar waren, welke keuzes verkeerd uitpakten of welke structurele maatregelen nu zijn genomen. Het woord “transparantie” valt meerdere keren, terwijl de tekst zelf vooral uit abstracte mist bestaat.

Foto: Markus Spiske on Unsplash

Het OM vs Wilders: tja, het is maar hoe je kijkt

Het Openbaar Ministerie heeft eindelijk duidelijkheid gegeven over de Wilders-afbeelding met de blonde “PVV”-vrouw tegenover de nors kijkende vrouw met hoofddoek: geen vervolging. Want volgens het OM is de afbeelding “voor verschillende uitleg vatbaar”.

Daarmee heeft het OM vooral iets anders duidelijk gemaakt: racisme wordt in Nederland blijkbaar vooral strafbaar geacht zolang het buiten de politiek plaatsvindt. Zodra discriminatoire beeldtaal onderdeel wordt van een electorale strategie, verandert zij juridisch in “maatschappelijk debat”, “politieke context” of “verschillende interpretaties”. Precies op de plek waar racisme historisch het krachtigst functioneert, namelijk als politiek mobilisatie-instrument, brengt de rechtsstaat plotseling uitzonderlijk veel begrip op.

Politieke uitingen krijgen altijd al meer ruimte dan gewone publieke communicatie. Dat principe bestaat om scherpe oppositie, provocatie en fundamentele kritiek mogelijk te maken. Maar de grens van wat onder die noemer nog acceptabel is, schuift hiermee steeds verder op. Het probleem van deze beslissing is dan ook niet dat Wilders wegkomt met één specifieke afbeelding. Het probleem is dat politieke context tegenwoordig fungeert als vrijbrief voor beeldtaal die in elke andere omgeving direct als stigmatiserend en racistisch gemotiveerd zou worden herkend.

Vanaf nu bestaat discriminatie in de politiek blijkbaar pas wanneer iemand er letterlijk “ik discrimineer nu” onder zet in Comic Sans, ondertekend met naam en datum. Iedere andere vorm van beeldtaal zweeft voortaan in een semantische mistbank waarin alles tegelijk propaganda, satire, politieke analyse en misschien gewoon een gezellig moodboard kan zijn.

Foto: Jon Tyson on Unsplash

Accijnzen: ook de schatkist heeft een verslaving

Accijnzen zijn politiek een fascinerend verschijnsel. Zodra ze géén effect hebben, is het een inkomstenbron en verstandig ontmoedigingsbeleid. Zodra ze wél effect hebben, ontstaat paniek. Dan blijkt ineens dat mensen over de grens sigaretten halen, dat ondernemers omzet verliezen, dat de staatskas inkomsten misloopt. Het succes van de maatregel verandert daarmee direct in een argument tégen diezelfde maatregel.

Dat patroon zagen we bijvoorbeeld in 2003 bij de accijnsverhoging op sterke drank. Hogere accijnzen moesten consumptie ontmoedigen én geld opleveren. Vervolgens daalde de verkoop stevig. Precies het mechanisme waar deze accijnzen voor bedoeld zijn. Alleen bleek dat politiek ongewenst, zodra slijterijen begonnen te klagen en belastinginkomsten tegenvielen. Dus werd de verhoging een jaar later alweer teruggedraaid. De impliciete boodschap: ontmoediging is prima, zolang mensen het signaal eigenlijk niet of nauwelijks oppakken en de inkomsten op peil blijven. Dat zie je eigenlijk ook altijd met de raming van de inkomsten na een verhoging. Bijna altijd wordt er van uitgegaan dat de maatregel niet werkt en wordt de verhoging alvast één op één als extra inkomsten op de begroting gezet.

Bij sigarettenaccijnzen gebeurt exact hetzelfde. Hogere prijzen leiden aantoonbaar tot minder rokers. Vooral jongeren beginnen minder snel, bestaande rokers stoppen vaker of minderen. Vanuit volksgezondheidsperspectief werkt het beleid gewoon. Alleen ontstaat er tegelijk ook een voorspelbaar neveneffect: mensen rijden naar Duitsland of België voor goedkopere sigaretten. Experts zijn het erover eens, netto is het nog steeds een positief effect op de volksgezondheid, maar meteen verschuift het debat dan van “hoe krijgen we minder rokers?” naar “hoe beschermen we de staatsinkomsten?”.

Foto: Toshiyuki IMAI (cc)

Goed nieuws! De planeet gaat iets minder kapot

De klimaatontkenner heeft weer een snoepje gevonden. Het IPCC heeft het “rampscenario” geschrapt [*]. Geen 4 à 5 graden opwarming meer in 2100, ‘hooguit’ nog 3,5 graden. De champagne kan open bij Clintel. Marcel Crok mag weer een victorie kraaien op internet, tussen de grafieken, de suggestieve framing en het eeuwige theaterstukje waarin iedere nuance meteen wordt verkocht als totale capitulatie van de klimaatwetenschap.

Alleen zat het echte nieuws ergens anders. Want bijna ongemerkt verdwenen namelijk óók de scenario’s aan de onderkant. De paden waarin de opwarming beperkt bleef tot relatief lage niveaus gelden inmiddels eveneens als weinig realistisch. Dat detail kreeg hooguit een bijzin. De koppen draaiden vrijwel volledig om het verdwijnen van het extreme scenario, alsof dat het hele verhaal was.

En daarmee hielp de journalistiek het frame te versterken waar professionele twijfelzaaiers op teren. Zet “IPCC schrapt rampscenario” in een kop, verstop “lage scenario’s eveneens onhaalbaar” halverwege het artikel, en het internet doet de rest. Binnen een paar uur verandert een complexe wetenschappelijke actualisering in: zie je wel, klimaatalarmisme stort in elkaar. Het stuk in de Volkskrant hielp daar flink aan mee, zeker omdat de ‘maar’ die nu in de kop tussen haakjes er in sommige versies van het stuk niet stond.

Quote du Jour | Marktconform

“We moeten naar de markt kijken en we bevinden ons in een wereld waarin de entertainmentmarkt zich het meest heeft ontwikkeld. […] Dus moeten we marktconforme tarieven hanteren.”

Infanto legt het ons even uit: je wordt wel gedwongen woekerprijzen te vragen voor tickets, omdat anderen dat ook doen. Het is het argument van de huisjesmelker die “ook gewoon marktconform” verhuurt, van de supermarkt die inflatie nét iets enthousiaster interpreteert dan noodzakelijk, van ieder kartel ooit dat zichzelf liever een natuurverschijnsel noemt. Niemand kiest ervoor, iedereen doet slechts gehoorzaam mee. De markt wordt zo een soort hogere macht: een god die toevallig altijd het hoogste vraagt en die niet mag worden tegengesproken.

VS gaan vol 1984

“Te lang heeft Iran schepen lastiggevallen en geprobeerd hieraan te verdienen met tolheffingen”

Aldus Pete Hegseth, de Amerikaanse minister van onzinnige maar dodelijke oorlogen, die daarbij voor het gemak even ‘vergeet’ dat Iran pas tol is gaan heffen in reactie op Amerikaanse aanvallen. Orwell zou trots op hem zijn.

Een tweede interessante quote:

“De wereld heeft de Straat van Hormuz harder nodig dan wij.”

Klinkt toch een beetje als een kleuter die met een van pijn vertrokken gezicht zegt ‘het doet me toch geen pijn’. Tegelijkertijd heeft hij wel gelijk, het raakt Europa en Azië harder. Dat maakt zijn eis dat de NAVO moet helpen interessant. Want vraag je bondgenoten om zichzelf in de voet te schieten op het moment dat je daar om vraagt? Blijkbaar wel.

Foto: nyghtowl (cc)

Als niet de daad, maar de dader het meeste telt

Er bestaat het idee in het strafrecht dat sommige daders minder straf verdienen dan andere omdat ze “te veel te verliezen hebben”. Een baan, een opleiding, een netwerk, een toekomst die nog openligt. Het klinkt redelijk. Tot je het consequent toepast.

Neem de recente uitspraak, in België: een 26-jarige student, in de rol van schachtentemmer (een oudere student met gezagspositie over eerstejaars tijdens ontgroening), werd schuldig bevonden aan verkrachting, maar kreeg een opschorting. Geen effectieve straf, wel voorwaarden en toezicht. De rechtbank woog onder meer een blanco strafblad en persoonlijke omstandigheden mee. De toekomst van de dader werd onderdeel van de strafmaat.

Daar schuift iets fundamenteels. Straf hoort te volgen uit ernst, schuld en schade. Zodra persoonlijke omstandigheden structureel strafverminderend werken, verschuift het criterium van daad naar dader. Dan ontstaat een systeem waarin twee identieke feiten verschillende uitkomsten krijgen omdat de ene dader een toekomst heeft en de ander vooral een verleden.

Het recidive-argument wordt vaak ingezet als rechtvaardiging, ook in Nederland. Wie een stabiel leven heeft, zou minder snel opnieuw de fout ingaan. Alleen wringt daar iets. Diezelfde stabiliteit geldt normaal gesproken als rem op criminaliteit. Als iemand ondanks die omstandigheden tóch over de grens gaat, zegt dat iets over de werking van die rem. De vraag verschuift dan: waarom gebeurde dit ondanks alles wat het had moeten voorkomen?

Foto: Mario Gogh on Unsplash

Het monument schoon, het geweten ook

Het Nationaal Monument op de Dam is beklad. Met rode verf, het woord “genocide” erop gesmeerd, en de politieke reflex volgde onmiddellijk en was voorspelbaar: schande, respectloos, onacceptabel. Ondertussen staan schoonmakers al sinds de vroege ochtend te schrobben, om het ding op tijd weer toonbaar te krijgen voor vanavond.

En dat laatste zegt eigenlijk alles.

Want hoe groot de morele verontwaardiging ook wordt opgetuigd, niemand twijfelt serieus aan de afloop: vanavond ligt het monument er weer keurig bij. De kransen worden gelegd, de koning kijkt er plechtig bij, twee minuten stilte, nationale eenheid. De kras op het collectieve geweten net zo efficiënt weggepoetst als de verf op het steen.

Dat maakt de hele ophef ongemakkelijk dubbel. Bekladding wordt veroordeeld als aantasting van herdenking, terwijl diezelfde herdenking zorgvuldig is afgebakend tot een veilig, historisch kader. Het verleden krijgt alle ruimte, het heden wordt liefst buiten beeld gehouden. Zodra iemand die twee aan elkaar probeert te knopen, ontstaat er paniek, omdat het het ritueel verstoort.

De hypocrisie zit daar: herdenken mag er zijn, zolang het niets kost. Zolang het geen vragen oproept over wat er nú gebeurt, of over de rol die Nederland daarin speelt. Dan wordt herdenken een vorm van morele zelfbevestiging, geen moment van nodige reflectie.

Foto: Ian Britton (cc)

Als preventie regeert, wordt de politie het probleem

Het klinkt fijn: misdaad voorkomen in plaats van achteraf opruimen. Minder slachtoffers, minder schade, efficiënter gebruik van capaciteit. Wie kan daartegen zijn. Toch wringt hier iets fundamenteels. Op het moment dat politie zich richt op wat mogelijk gaat gebeuren in plaats van wat feitelijk is gebeurd, verschuift het hele systeem van rechtshandhaving.

De recente plannen om de politie meer ruimte te geven om sociale media te doorzoeken passen naadloos in die logica. Niet wachten tot iemand een strafbaar feit pleegt, maar alvast meekijken, signaleren en ingrijpen. De belofte is veiligheid. De prijs is een steeds meer structurele verschuiving van handelen naar vermoeden.

Capaciteit verdampt in waarschijnlijkheden

Politiecapaciteit is eindig. Elke inzet op preventieve monitoring gaat ten koste van het oplossen van daadwerkelijk gebeurde misdrijven. Dat is geen ideologisch punt, dat is een rekensom. Het doorzoeken van sociale media, het analyseren van patronen, het volgen van risicoprofielen levert vooral veel ruis op en een kleine hoeveelheid bruikbare signalen.

De opbrengst per geïnvesteerd uur is laag. Ondertussen blijven zaken liggen die wél hebben plaatsgevonden en waar slachtoffers op antwoord wachten. Preventie verkoopt zich als efficiëntie, maar functioneert in de praktijk ook vaak als verdunning.

Selectie creëert zijn eigen werkelijkheid

Foto: Jos van Spanje on Unsplash

1 mei bestaat, alleen niet in Nederland

Oranje vlaggetjes, vrijmarkten en lauwe pils, en een paar dagen later de Dag van de Arbeid, een dag die in Nederland al decennia vakkundig wordt gemarginaliseerd. Toeval, zo luidt meestal het antwoord. Maar is dat ook zo?

De constructie van een nationale feestdag

De oorsprong van Koningsdag ligt bij Prinsessedag, ingevoerd in 1885 ter ere van prinses Wilhelmina. Het initiatief kwam uit liberale hoek, expliciet bedoeld om nationale eenheid te bevorderen in een tijd van sociale spanningen. In 1890 werd het Koninginnedag, toen Wilhelmina koningin werd. De datum, 31 augustus, had niets met arbeid te maken en alles met dynastieke symboliek.

Die symboliek kreeg in de twintigste eeuw een andere functie. De opkomst van de arbeidersbeweging en de internationale viering van de Dag van de Arbeid op 1 mei vormden een ideologisch tegenwicht. Waar 1 mei draaide om klassenbewustzijn, solidariteit en politieke mobilisatie, bood Koninginnedag een alternatief: een nationaal, boven-klasselijk feest waarin sociale tegenstellingen tijdelijk werden gladgestreken.

Juliana en de verschuiving naar april

De cruciale verschuiving kwam met Juliana. Na haar aantreden in 1948 werd Koninginnedag verplaatst naar 30 april, haar verjaardag. Daarmee kwam het feest plotseling vlak voor 1 mei te liggen. Dat lijkt op eerste gezicht toeval, totdat je kijkt naar de politieke context. De naoorlogse periode kende een sterke institutionalisering van de verzorgingsstaat, en ook een duidelijke wens van elites om radicalisering te voorkomen. De Koude Oorlog speelde daarbij een rol: socialistische en communistische bewegingen werden met argwaan bekeken, en men keek met afschuw naar de vaak uit de hand lopende 1-meidemonstraties elders.

Iran deelde serieuze tik uit aan de VS

Het beeld van Amerikaanse onaantastbaarheid krijgt weer een barst. Bij de Iraanse tegenaanvallen op Amerikaanse bases was de schade aan bases in het Midden-Oosten aanzienlijk groter dan aanvankelijk gemeld. Geen symbolische tik, maar serieuze schade aan infrastructuur en materieel.

En zo liet Iran zien hoe veel kwetsbaarder de VS is tegen een goed georganiseerd leger dan het zelf toe wil geven.
Dat ondergraaft daarmee, na het debacle in de Straat van Hormuz, wederom de kern van de Amerikaanse belofte: veiligheid. Bases blijken minder een schild dan een magneet voor tegenaanvallen. Bondgenoten zien dat ook.

Quote du Jour | Heel vervelend

De hoogste baas van onze strijdkrachten vindt het heel vervelend, maar

“We moeten blijven oefenen om klaar te zijn voor crises en om onze mensen op te leiden”

Drie natuurgebieden staan in de fik omdat daar waarschijnlijk door defensie pyrotechnische hulpmiddelen zijn gebruikt, midden in een code oranje wegens ‘hoog gevaar’ op brand, met enorme schade tot gevolg voor natuur en mens. En dan te bedenken dat onze militairen 10 jaar geleden nog ‘pang, pang’ riepen tijdens oefeningen, althans als ze een semi-automatisch geweer nadeden. Anders gewoon ‘pang’ natuurlijk. Of ‘ratatatata’. Konden ze daar niet een paar weekjes naar terug?

Vorige Volgende