Polarisatie als probleem, onrecht als bijzaak
Er bestaat een heel genre aan schrijfsels waarin polarisatie wordt behandeld als een probleem van toon, empathie en sociale omgangsvormen. De conflicten zelf verdwijnen daarin naar de achtergrond. Deze column is daar een goed voorbeeld van. Het stuk presenteert zichzelf als een pleidooi voor nuance en het hervinden van ‘het echte gesprek’, maar schuift daardoor al snel van inhoud naar omgangsvormen, alsof maatschappelijke tegenstellingen vooral ontstaan doordat mensen niet aardig genoeg met elkaar praten.
Dat begint al in de openingsscène. De zoon die over Gaza begint wordt neergezet als emotioneel, absolutistisch en sociaal agressief: “Het zijn gewoon de feiten, en wie dat niet wil zien, die bestaat voor mij niet.” Opvallend genoeg is dat soort taal, en vooral dat dramatische “bestaat niet voor mij”, een positie die ik buiten columns als deze eigenlijk nooit tegenkom. Het voelt vooral toegevoegd om het standpunt radicaler en onredelijker te laten klinken. Daar tegenover staat een uitspraak die inmiddels juist overal te horen is: “Begin bij 7 oktober. Jullie laten je inpakken door Hamas-fakenieuws.” Toch behandelt de column beide reacties als equivalent bewijs van ontsporende polarisatie. Daarna positioneert de auteur zichzelf erboven, als degene die ziet hoe “beide kanten” ontsporen en reflecteert op zichzelf. Dat is een bekende journalistieke reflex: het redelijke midden claimen. Alleen is dat midden zelden neutraal.