Een grotere hooiberg alstublieft
ACHTERGROND - Het DNA-onderzoek dat de moordenaar van Marianne Vaatstra onthulde, noopte twee kwaliteitskranten ertoe te pleiten voor een landelijke database met DNA-profielen van alle Nederlanders. Dirk Janssen onderzocht voor Apache of dat een goed idee is.
De moord op Marianne Vaatstra werd pas dertien jaar na dato opgelost omdat het voorheen niet mogelijk was een DNA-screening te doen. In 1999, toen de moord gepleegd werd, was dat volledig handwerk. In 2012 was grootschalig DNA-onderzoek mogelijk en leverde het -zoals bekend- een match op met een lokale boer, Jasper S., die inmiddels bekend heeft.
Het succes van de DNA-screening leidde tot verschillende oproepen tot een landelijke DNA-database, onder andere door NRC-columnist Steven de Jong en Volkskrantredacteur Maarten Keulemans. Want daar kun je boeven mee vangen, was het argument.
Database
Voorstanders van een landelijke database voeren het argument aan dat je uit forensische DNA-analyses geen persoonlijke kenmerken kunt aflezen. Dat klopt. Dit is geen DNA-analyse die in kaart brengt welke genen iemand heeft en vervolgens concludeert dat het gaat om iemand gaat met zwart haar, bruine ogen, aanleg voor sikkelcelanemie en een haakneus, dus dat het wel een asielzoeker zal zijn.
Het is wat minder geavanceerd dan dat. Forensische DNA-analyse meet de lengte van verschillende stukken DNA (een “locus”) die bij iedereen voorkomen. Omdat de lengte van die stukken per persoon verschilt ontstaat er een persoonsspecifieke “streepjescode”, ook wel een DNA-profiel genoemd. Dat DNA-profiel is praktisch uniek, tenzij je met een eeneiige tweeling te maken hebt. Je kunt er wel in aflezen of iemand familie is, want dan heb je waarschijnlijk een aantal identieke stukken uit een gemeenschappelijke voorouder. Maar verder is het privacy-argument dus niet erg relevant.