De praatpolitiek voorbij?
Hieronder treft u een gastbijdrage van Remko van Broekhoven, politiek filosoof en docent op de School voor Journalistiek.
Opnieuw mooie woorden. Miljoenen mooie woorden, met slechts hier en daar een valse toon. Minder mocht je ook niet verwachten van een week waarin de leiders van de wereld bijeenkwamen in New York en Pittsburgh. Alleen al de bezielende leiding van Barack Obama stond ervoor garant, de politicus die het nog geen jaar geleden tot president schopte door vaak, veel en vooral heel fraai te praten.
Nu wil ik best blij zijn met politici die kunnen spreken. Niet alleen omdat we in Nederland nogal eens opgescheept zitten met bestuurders die zelfs op de meest kritieke momenten clichés debiteren, en dat niet eens goed geacteerd. Maar belangrijker nog: spreken en schrijven, overleggen en overtuigen… het hele verbale arsenaal behoort tot de democratie. Zoals bevelen, schieten en braaf zwijgen thuis horen in een dictatuur.
Er steekt echter een gevaar in al dat democratische gepraat: het blijkt ook uitermate geschikt om daden uit te stellen of zelfs uit te sluiten. Dus enerzijds is praten de essentie van democratie; anderzijds leidt het af van de actie die ieder politiek systeem behoeft om te blijven functioneren. Ook, misschien wel juíst diezelfde democratie. En daarmee wordt de praatpolitiek op de lange duur tamelijk hypocriet. Niet voor niets is in het woord ‘parlement’ volgens cynici niet alleen ‘parler’ ofwel spreken terug te vinden, maar ook ‘mentir’: liegen. Waarmee de volksvertegenwoordiging een machine wordt die tegelijk praat, liegt en sust, in plaats van oplossingen te produceren waarmee burgers aan de slag kunnen.






