Democratische verantwoording, integriteitsrisico’s en grote militaire uitgaven. Een historisch perspectief

van Dr. Ronald Kroeze Enkele weken voor de NAVO-top berichtte de NOS: "Nederlanders opgepakt voor corruptie bij NAVO-aanbestedingen". Een aantal functionarissen, waaronder een Nederlands oud-ambtenaar van Defensie was opgepakt vanwege omkoping en fraude bij de aanschaf van militaire drones en munitie.[1] In het belang van het onderzoek zal er de komende tijd weinig over worden bericht. Mede daardoor raken dergelijke voorvallen snel uit beeld. De geschiedenis kent echter veel voorbeelden van integriteitsaffaires rondom grootschalige defensie-uitgaven. Sterker, aanbestedingsprocedures in de defensie- en luchtvaartindustrie behoren samen met offshore-projecten tot de meest corruptiegevoelige.[2] Hoe valt dat te verklaren? En welke inzichten levert een nadere blik op de geschiedenis op? Deze vragen zijn des te relevanter nu op de onlangs gehouden NAVO-top in Den Haag een historische stijging van de defensie-uitgaven, tot 5% van het BNP, is afgesproken. Dat gebeurt een jaar nadat wereldwijd al de grootste stijging van de defensie-uitgaven sinds de jaren negentig werd geconstateerd.[3] Alleen al in Nederland zullen in de komende jaren tientallen miljarden extra worden uitgegeven aan defensie.[4] Die uitgaven komen bovenop eerdere besluiten voor de aanschaf van fregatten (€ 5-8 miljard) en onderzeeërs (€ 4-6 miljard), evenals munitie en Leopardtanks (€ 1-2,5 miljard) in reactie op de Rusland-Oekraïneoorlog. Een tweede reden om stil te staan bij dit onderwerp is de complexiteit ervan. Uit historische casuïstiek blijkt dat integriteitsrisico’s bij militaire uitgaven niet alleen gaan over simpele vormen van omkoping, maar ook over een inefficiënte besteding van belastinggeld, (on)doorzichtige besluitvormingsprocedures en gebrekkige verantwoording. Bovendien veranderen integriteitsnormen door de tijd heen. Ten derde raakt het onderwerp aan een kernvraagstuk van democratische orde: wat geldt als een (on)verantwoorde inzet van publieke middelen? ‘Oorlogsprofiteurs’ en drastische opschalingen tijdens oorlogen Historisch gezien is een oorlogssituatie een voedingsbodem voor militaire aanbestedingsaffaires. Berucht zijn de debatten over ‘oorlogsprofiteurs’; over individuen en bedrijven die financieel profiteerden van de handel en verkoop van producten – niet in de laatste plaats oorlogsmateriaal - tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918).[5] Een oorzaak was de gehaaste opschaling van het leger en de daarmee gepaard gaande, snel stijgende staatsuitgaven. Bedenk daarbij dat bijvoorbeeld het Duitse leger in een gemiddelde slag meer granaten afschoot dan tijdens de gehele Frans-Duitse oorlog (1870-71). Ook in Engeland was er al snel sprake van grote wapen- en munitietekorten en werd er drastisch opgeschaald. Daar stegen de militaire uitgaven in een paar jaar tijd van enkele honderden miljoenen pond tot ruim boven het miljard (40% van het BNP). Een speciaal megaministerie – het Ministry of Munitions onder leiding van Loyd George – werd in 1915 opgericht om de aanschaf en productie te coördineren. De output steeg, maar het ministerie werd ook bekritiseerd vanwege verspilling, misbruik en het verlenen van al te lucratieve orders. Dat brengt ons bij een tweede voedingsbodem voor integriteitskwesties als snel wordt opgeschaald in tijden van oorlog: (het risico op) belangenverstrengeling. Dit werd tijdens de Eerste Wereldoorlog in de hand gewerkt door de wens dat de oorlog politieke verschillen tenietdeed en dat niet de markt maar een innige samenwerking van leger, industrie en overheid het meest efficiënt zou zijn. Parlementair debat en controle golden als vertragend, kritiek in de media als onpatriottisch. Censuur volgde in haast alle landen. In het semi-autocratische Duitse keizerrijk ging die zover dat een goed gesprek over wat er misging pas na de oorlog op gang kwam. Toen raakte het echter vermengd met gevoelens van onvrede over de afloop van de oorlog en wierp zo een schaduw over de jonge Weimar-republiek. Het stilzwijgen van integriteitsvragen bleek geen goed recept te zijn geweest.[6] De vraag naar mens en materieel was van een nog grotere omvang tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de Verenigde Staten stegen de federale uitgaven van onder de 5% naar bijna 45% van het BNP in 1944, ofwel naar meer dan een biljoen dollar. Als leider van de Westerse geallieerden en als ‘arsenal of democracy’ moesten de VS een inhaalslag maken na jaren van isolationisme om Nazi-Duitsland en Japan te kunnen verslaan. In die tijd maakte senator Harry Truman een tour door Amerika om de uitgezette orders en productielocaties te inspecteren. Hij zag allerlei voorbeelden van verspilling en misbruik. President Franklin D. Roosevelt twijfelde over de noodzaak maar nog tijdens de oorlog werd een ‘Special Committee to Investigate the National Defense Program’ onder voorzitterschap van Truman ingesteld. Truman stelde: “There will be no attempt to muckrake the defense program, neither will the unsavory things be avoided. The welfare of the whole country is at stake in the successful conclusion of our national defense policy. Where there has been so much haste in the expenditure of such enormous sums there are bound to be leaks and mistakes of judgment. Many people believe in both patriotism and profits, but sometimes, unfortunately, profits come first with them.” De door Truman geleide parlementaire onderzoekscommissie legde onder andere bloot dat door het leger ingehuurde aannemers excessieve bedragen ontvingen, dat duurbetaalde vliegtuigmotoren voor de luchtmacht niet functioneerden en dat vertegenwoordigers van wapenproducenten hoge vergoedingen kregen. Truman werd gewaardeerd om zijn kritische houding die de verspilling van miljarden hielp voorkomen. Hij bouwde veel krediet op en volgde in 1945 Roosevelt op als de 33e president van de Verenigde Staten. Dit voorbeeld toont ook iets anders: de inherente spanning tussen democratie en oorlogvoeren. De eerste vereist zorgvuldige controleprocedures, openbaarheid en betrokkenheid van politieke stakeholders om draagvlak te waarborgen, maar tijdens een oorlogssituatie neemt de druk toe om deze principes terzijde te schuiven, want oorlog vereist discretie, efficiëntie, daadkrachtige hiërarchische beslisstructuren en eensgezindheid (rally around the flag) om de vijand moreel en materieel te kunnen verslaan.[7] Debatten na 1945 stonden nog meer in het teken van hoe deze twee uitersten te verenigen. Hogere democratische eisen en complexere orders na 1945 De ervaringen met nazidictatuur en oorlog maakten dat de democratie veel nadrukkelijker werd gewaardeerd in het Westen na 1945. Nieuwe oorlogen dienden zich echter alweer aan. In Nederland eiste de koloniale oorlog tegen Indonesië een snelle opschaling van het leger. Na het einde daarvan in 1949 was het vooral de Koude Oorlog die om grote uitgaven vroeg. Als lid van de NAVO en onder druk van de Amerikanen besloot de Nederlandse politiek het toen ongekende bedrag van fl.1,5 miljard aan defensie te besteden, ofwel 6,5% van het BNP.[8] Enkele jaren later brak het eerste grote naoorlogse aanbestedingsschandaal uit – de Helmenaffaire (1958-1960) – toen uitkwam dat de voor veel geld aanschafte helmen en gasmakers van ondeugdelijke kwaliteit waren. Tevens bleek dat door vertegenwoordigers en militairen aan deze transacties was verdiend. Een Tweede Kamercommissie onder leiding van Theo Koersen – de Commissie Onderzoek Militair Aankoopbeleid (COMA) – deed onderzoek. De commissie constateerde geen structurele corruptie maar wel enkele misstanden en deed voorstellen voor de verbetering van het aanschafbeleid en de controle daarop door parlement en Algemene Rekenkamer.[9] Het meest beruchte militaire aanbestedingsschandaal uit de Nederlandse geschiedenis is de Lockheedaffaire (1976). Nadat de eerste geruchten over mogelijke omkoping van prins Bernhard vanuit Amerika waren overgewaaid, stelde het kabinet-Den Uyl (1973-1977) een commissie van drie onafhankelijke onderzoekers aan. Deze Commissie van Drie stelde vast dat prins Bernhard – naast prins-gemaal tevens actief als lobbyist en inspecteur-generaal van het leger – in ruil voor het vragen en deels ook ontvangen van geld van het Amerikaanse Lockheed de regering had gepoogd te beïnvloeden voor de aanschaf van vliegtuigen. Nadien werd ook een Commissie voor het Onderzoek naar het Aanschaffingsbeleid op het gebied van defensiemateriaal en de Controle daarop (COAC) ingesteld. Deze parlementaire onderzoekscommissie analyseerde de aanschaf van 105 Northrop F-5 gevechtsvliegtuigen in 1967.[10] Er werd wederom geen systematische corruptie geconstateerd, maar wel gebreken en integriteitsrisico’s: militairen die beslissingen namen zonder toestemming van de minister, de invloed die uitging van lobbyisten, machtige internationaal opererende defensiebedrijven en andere NAVO-regeringen, in het bijzonder de VS. Daardoor verliep het aanschafproces onverantwoord rommelig. Bovendien werd de Kamer nauwelijks geïnformeerd. Zelfs niet over het feit dat het goedgekeurde budget van fl. 605 miljoen met fl. 65 miljoen zou worden overschreden. De aanbevelingen van COMA en COAC zouden in de jaren tachtig, steeds duidelijker hun beslag krijgen. Dat gebeurde in het kielzog van de parlementaire enquête naar het faillissement van Rijn-Schelde-Verolme (RSV) in 1983/84. Die enquête ging over gebreken bij de besluitvorming omtrent de miljardensteun aan het verliesgevende RSV. Tijdens het onderzoek kwam ook mogelijke corruptie bij Marineorders naar boven, zoals bij de aanschaf van fregatten voor Indonesië en onderzeeboten voor Taiwan. De meest relevante bijvangst was de enorme kostenoverschrijding inzake de aanschaf van nieuwe onderzeeboten van de Walrusklasse voor de Nederlandse marine. Een nader onderzoek van de Rekenkamer naar de ‘Walrusaffaire’ wees op een kostenoverschrijding van honderden miljoenen.[11] Er werd lering uit getrokken: nadien werden grotere militaire aanbestedingen nauwkeuriger onder de loop genomen door de Rekenkamer en parlement. Laatstgenoemde gebruikte daarvoor een nieuwe regeling ‘Grote Projecten’ om extra controlemomenten en informatie af te dwingen, zoals gebeurde bij de aanschaf van de F-16 en de Joint-Strike Fighter (JSF).[12] Aanbestedingsprocedures werden daarna ook verder aangescherpt, ook onder druk van de EU. Maar die procedures bevatten, om het nog complexer te maken, ook weer allerlei uitzonderingen.[13] Bekijken we deze naoorlogse zaken in samenhang dan worden andere voedingsbodems voor integriteitsaffaires inzichtelijk. Ten eerste zorgde de hernieuwde grote uitgaven tijdens de Koude Oorlog als onderdeel van de NAVO-taakstelling voor risico’s. Ten tweede was daar de toenemende omvang, technische complexiteit en het grensoverschrijdende karakter van de ontwikkeling en productie van militaire producten, en hoe daarop, ten derde, in een democratie controle kon worden gehouden. Afgenomen tolerantie voor corruptie sinds Lockheed Tot slot levert een nadere blik op de Lockheedaffaire zicht op nog een andere voedingsbodem voor integriteitskwesties: de afgenomen tolerantie voor giften en commissies bij het realiseren van grote orders. Het bleek immers dat Lockheed wereldwijd ruim 200 miljoen dollar aan commissies had betaald aan functionarissen om orders binnen te halen. Weliswaar verbood bestaande wetgeving dat niet expliciet, maar de omvang en geraffineerdheid van het ‘Lockheed-model’ werd gezien als immorele vorm van omkoping, politiek destabiliserend en concurrentievervalsend. In reactie hierop werd de Foreign Corrupt Practices Act (FCPA) in 1977 afgekondigd, waarmee een verbod op omkoping van buitenlandse ambtsdragers werd ingesteld. Tevens stelde de FCPA extra eisen aan de interne en externe controle van de boekhouding om het verdoezelen van omkoping en witwassen tegen te gaan. In de jaren negentig diende de FCPA als voorbeeld voor het OESO-anticorruptieverdrag dat deelnemende landen, waaronder Nederland, verplicht om nationale anticorruptie-wetgeving aan te passen. Nadien is het aantal vervolgingen voor omkoping bij grote orders, waaronder defensieorders, toegenomen. Zo werd de bouw van marineschepen door het Nederlandse Damen voorwerp van onderzoek naar omkoping. Bovendien werden de afgelopen jaren zeer hoge boetes uitgekeerd, zo kreeg het Britse defensiebedrijf BAES-industries in 2010 een megaboete van 400 miljoen dollar voor omkoping bij de verkoop van defensiemateriaal aan Saudi-Arabië. Concluderende opmerkingen Historisch bezien zijn er verschillende oorzaken aan te wijzen die het risico op integriteitskwesties bij defensieorders vergroten. Een haastige en snelle opschaling van het militair potentieel in tijden van oorlog en de grote sommen belastinggeld die daarmee zijn gemoeid. In dergelijke tijden neemt de kans ook toe dat er geld aan tussenpersonen wordt betaald om voorrang te verkrijgen bij het binnenhalen van schaarse militaire producten of dat er te veel geld wordt betaald, met verspilling en misbruik van publieke middelen tot gevolg. Ook een innige publiek-private samenwerking uit efficiëntie-overwegingen doet de risico’s op belangenverstrengeling toenemen, evenals besloten lobbywerk en geheimhouding bij aanbestedingen, om concurrenten en de vijand zo min mogelijk informatie te verschaffen. Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar als extra voedingsbodem nog de toegenomen complexiteit van de ontwikkeling en productie van militaire goederen bij. Daarnaast verminderde de tolerantie voor omkoping als reactie op het Lockheedschandaal in de jaren zeventig. Tegen deze achtergrond wordt de aloude inherente spanning tussen zorgvuldige, transparante en verantwoorde democratische besluitvorming en het kordate en daadkrachtig optreden dat oorlog voeren vereist, eerder groter dan kleiner. Toch is er ook ruimte voor een positieve noot. De afgelopen decennia hebben onderzoekscommissies de complexiteit van het vraagstuk inzichtelijker gemaakt, zijn er lessons learned-rapporten gepresenteerd,[14] zijn de parlementaire verantwoordingsstructuren verbeterd en is de aanbestedings- en anticorruptiewetgeving aangescherpt. Hiervan kunnen nu de vruchten geplukt worden. Ook vanuit het besef dat de oorsprong van de parlementaire democratie voor een belangrijk deel is gelegen in de wens tot betrokkenheid bij en controle op de besluiten over overheidsuitgaven, opdat ze procedureel zorgvuldig zijn en voor legitieme doeleinden worden ingezet. Dergelijke historische inzichten kunnen in het achterhoofd worden gehouden in deze tijden van hernieuwde drastische opschaling van de defensie-uitgaven en enkele maanden voor Prinsjesdag waarop de begrotingen worden gepresenteerd. Zo bezien, is de onlangs overeengekomen stijging van de uitgaven op de NAVO-top ook een gewichtig moment in de geschiedenis van de parlementaire democratie. Dit artikel verscheen eerder in De Hofvijver (uitgave van het Montesquieu Instituut) van juni 2025. Ronald Kroeze, is hoogleraar en directeur van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis, Radboud Universiteit. Noten: [1] https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/05/14/onderzoek-navo-corruptie/ [2] Frank Badua, “Laying down the law on Lockheed: how and aviation and defense fiant inspired the promulgation of the Foreign Corrupt Practices Act of 1977”, Accounting Historians Journal, 1 Juni 2015; 42 (1): 105–126. https://doi.org/10.2308/0148-4184.42.1.105 [3] https://www.sipri.org/media/press-release/2025/unprecedented-rise-global-military-expenditure-european-and-middle-east-spending-surges [4] Zie ook Kamerstukken, 2024-2025, 28676, nr. 504, 20 mei 2025: ‘Brief van minister van Defensie aan de voorzitter van de Tweede Kamer’, https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2025Z09887&did=2025D22695 [5] Ronald Kroeze, Een kwestie van politieke moraliteit. Politieke corruptieschandalen en goed bestuur in Nederland, 1848-1940 (Hilversum 2013), hoofdstuk 3. [6] Ronald Kroeze en Annika Klein, ‘Governing the first world war in Germany and the Netherlands, Journal of Modern European History, 2013. [7] Peters, Dirk, and Wolfgang Wagner. 2011, “Between military efficiency and democratic legitimacy: Mapping parliamentary war powers in contemporary democracies, 1989–2004” Parliamentary Affairs 64 (1): 175-192. https://doi.org/10.1093/pa/gsq041. [8] Carla van Baalen en Jan Ramakers (red.), Het kabinet-Drees III. Barsten in de brede basis (Den Haag 2001), 206-215; Bert van den Braak, ‘Omstreden defensie-uitgaven?’, 20 juni 2025, column parlement.com https://www.parlement.com/id/vmo7eejb6hpb/column/onomstreden_defensie_uitgaven [9] Kamerstukken II, 1959-1960, 6450, nr. 3, pp 1-45. ‘Verslag van de van de Commissie Onderzoek Militair Aankoopbeleid (COMA)’. [10] Kamerstukken II 1976-77, 14511 nr. 2, pp. 1-43. ‘Verslagen van de bijzondere commissie voor het onderzoek naar het aanschaffingsbeleid op het gebied van defensiemateriaal en de controle daarop (COAC)’. [11] Ronald Kroeze, De herontdekking van de parlementaire enquête. Het RSV-schandaal en de transformatie van de democratie (Amsterdam 2025). [12] Kamerstukken II, 2018-2019, 26 488, nr. 447: Rekenkamer-rapport Lessen van de JSF. Grip krijgen op grote projecten voor aanschaf Defensiematerieel, 6 maart 2019. [13] ‘Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied’, https://wetten.overheid.nl/BWBR0032898/2019-04-18 [14] Zoals de Rekenkamer-rapporten naar de aanschaf van de F-16 en JSF, zie noot 12.

Foto: Markus Winkler on Unsplash

Waarom screenen we ministers en staatssecretarissen zo anders dan wethouders?

Door Niels Karsten

Het vertrek van Nathalie van Berkel als kandidaat-staatssecretaris en Tweede Kamerlid na ophef over haar cv riep de nodige vragen op over de screening van politieke ambtsdragers. De casus laat zien dat het verstandig is om ministers en staatssecretarissen een gedegen risicoanalyse integriteit te laten doorlopen, in plaats van een vrijwillig zelfassessment. Bij bijna alle wethouders gebeurt dat al wel. Sowieso is de screening van wethouders wezenlijk anders ingericht dan die van bewindslieden. De verschillen zijn echter lang niet altijd even consistent doordacht.

Het uitgangspunt bij de screening van politieke ambtsdragers in Nederland is dat de democratie haar werk moet kunnen doen: de kiezer bepaalt wie hem vertegenwoordigt, en de volksvertegenwoordiging kiest vervolgens haar uitvoerend bestuurders. Beiden worden daarbij zo min mogelijk beperkt. De screening van politieke ambtsdragers is daarom in de basis relatief licht. Zo zijn politieke functies grondwettelijk uitgesloten van veiligheidsonderzoek, op basis waarvan ambtenaren die een risico vormen voor de nationale veiligheid een functie kan worden geweigerd. Voor zover er screening plaatsvindt, heeft die vooral een adviserende functie: ze brengt integriteitsrisico’s in kaart en maakt betrokkenen daarvan bewust maar houdt niet tegen dat iemand de betreffende functie alsnog gaat vervullen. Dat zou namelijk een inperking zijn van het grondwettelijk geborgde actieve en passieve kiesrecht . In reactie op integriteitskwesties uit het verleden heeft zich evenwel een rijke screeningspraktijk ontwikkeld rond politieke ambtsdragers, met zowel formele als meer informele instrumenten. Die komt de bestuurlijke integriteit ten goede, maar creëert tegelijk grote en fundamentele verschillen tussen bestuursniveaus. Die verschillen zijn lang niet altijd bewust gecreëerd en de betekenis en gevolgen ervan zijn vaak niet consistent doordacht. Dat punt laat zich goed illustreren aan de hand van wethouders.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Ouwehand geen lijsttrekker Partij voor de Dieren?

Het bestuur van de Partij voor de Dieren heeft besloten Esther Ouwehand niet meer voor te dragen als lijsttrekker, wegens meerdere meldingen van vermeende integriteitsschendingen.

Het bestuur houdt zich op de vlakte om wat voor soort beschuldigingen het gaat (yeah that’s gonna work), maar het moge duidelijk zijn dat de timing niet heel handig is. Of juist wel handig, afhankelijk van wat het doel is.

Zwengel de complotmolen maar aan!

Foto: Thirdman, via Pexels.

Morele nood sociaal werkers onder radicaal rechts

ESSAY, LONGREAD - door Thomas Kampen

Veel sociaal werkers tonen een gespleten loyaliteit bij moeilijke morele keuzes. Hoe reageren zij als radicaal rechts beleid hun morele integriteit onder druk zet? Volgens hoogleraar Thomas Kampen helpt een robuuste kennisbasis tegen radicale invloeden en populistisch gedachtegoed.

Door de komst van het nieuwe kabinet komt het sociaal werk in nieuw vaarwater terecht. De plannen van dit kabinet verhouden zich op onderdelen moeizaam tot de kernwaarden van het sociaal werk, zoals het waarderen van diversiteit en gelijke toegang tot ondersteuning. Dat zien we bijvoorbeeld aan de beëindiging van de bed-bad-broodregeling per 1 januari 2025. Gemeenten vrezen dat veel mensen daardoor op straat zullen belanden.

In onmogelijke situaties ontstaat morele nood: geen enkele oplossing doet recht aan alle morele verplichtingen

Als zij voor een slaapplek aankloppen bij sociaal werkers kan dat bij hen leiden tot morele nood. Volgens de regels kunnen zij uitgeprocedeerde mensen niet onderbrengen in de reguliere opvang, maar mensen tegen hun zin op straat laten slapen, strookt niet met de kernwaarden van het beroep. Dan ontstaat wat Bernardo Zacka (2017) een ‘onmogelijke situatie’ noemt: een situatie waarin beleid haaks staat op beroepsidealen. In onmogelijke situaties ontstaat morele nood omdat er geen enkele oplossing is die recht doet aan alle morele verplichtingen. Deze druk op de morele integriteit van sociaal werkers resulteert in gevoelens van frustratie, schuld en machteloosheid.

Foto: LaVladina (cc)

Geheim

COLUMN - Met het in ontvangst nemen van je diploma in de gezondheidszorg teken je een onzichtbaar contract: het contract van geheimbewaarder. Patiënten komen naar jou toe met hun vertrouwelijke informatie, en praten daar vrijelijk over. Ze verwachten dat je je taak serieus neemt en je verdiept in de informatie: graag zien ze dat je je ingelezen hebt in hun dossier met wat er de afgelopen tijd gebeurd is. En terecht.

Wat samenvalt met die verwachting is dat je dit geheim houdt. Je verteld aan niemand dat dit deze patiënt was, met die geboortedatum, die daar woont: niets van dat alles.

Natuurlijk vertel ik thuis verhalen over patiënten aan mijn wederhelft, om mijn dag te bespreken, om mijn hoofd leeg te maken. Heel normaal. Alleen vertel ik daar dan geen details bij die de privacy van de patiënt kunnen schaden.

Genoeg binnenpretjes heb ik al gehad over de jaren heen, gniffelen om een grappige naam of combinatie van voornamen en daarmee initialen: het even opkijken als het een (semi) bekende Nederlander is waar je zorg voor mag dragen. Iedereen is mens, ieder heeft een lijf, die soms wat onderhoud nodig heeft. Wij zijn daarin de onpartijdige hulpverlener die dit mag ondersteunen.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Hedgen en deugd-als-semantiek

COLUMN - Goed doe je; deugd is een daad. Maar soms lijkt deugd semantiek – geen daad, maar een woordenbrij waarin naar een betekenis en overtuiging wordt gestreefd. Dat levert soms heel pijnlijke situaties op waarin de ondervraagde zich semantisch probeert te ontworstelen aan een verantwoordelijkheid die voortkomt uit diens gedrag. Een prachtig voorbeeld is het korte interview met minister van Nieuwenhuizen die als minster vertrekt om te gaan lobbyen voor energiebedrijven.

Eerst is er de strijd om de hedge waarin de minister met linguistische slagen om de arm een hypothetische situatie schetst waarin sprake zou kunnen zijn (<< dit is dus zo’n hedge) van belangenverstrengeling, om tegelijkertijd een regelcomplex op te tuigen om die verstrengeling te voorkomen. Een iconisch voorbeeld van lege taal – hier wordt een niet-bestaande situatie beschreven waartegen de minster vervolgens daadkrachtig is opgetreden. Een soort omgekeerde stroman, zo u wilt.

Foto: copyright ok. Gecheckt 11-02-2022

Hoe voorkomen we een nieuwe WODC affaire?

OPINIE - Één op de zes ambtenaren wordt onder druk gezet tot niet-integer handelen. De WODC affaire zou daarom wel eens de kanarie in de kolenmijn kunnen zijn. Het is dus wachten tot een nieuwe affaire zich aandient. In deze gastbijdrage doet Gjalt-Jorn Peters een voorstel hoe een nieuwe affaire kan worden voorkomen.

Onderzoek is een methode om iets te leren. Overheidsbeslissingen en -beleid moeten gebaseerd zijn op feiten, dus overheden en semi-overheden moeten vaak onderzoek doen om verstandig te handelen. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (het WODC) zou zulk onderzoek moeten doen voor de overheid. Echter, in 2014 is onder andere door een moedige klokkenluider de klok geluid over WODC-onderzoeken die niet tot feitenkennis, maar tot mogelijk schadelijke misinformatie leidden doordat er politieke belangen meespeelden. Ironisch genoeg gold hetzelfde voor het onderzoek dat vervolgens is ingesteld. In deze tekst doe ik een voorstel om te voorkomen dat dit in de toekomst weer gebeurt. De hoofdpunten:

  • Gebrek aan transparantie kan leiden tot ineffectief en zelfs schadelijk beleid;
  • Open Science principes zijn praktisch gratis en eenvoudig te implementeren;
  • Open Access, Preregistratie, Open Materialen en Open Data besparen geld en voorkomen beïnvloeding van onderzoek;
  • Als onderzoek door en voor (semi-)overheden altijd volgens Open Science principes plaatsvindt, verbetert dat beleid, bespaart dat geld, en redt het levens.
Foto: Opgelet, onderstaande tekst kan sporen van ironie bevatten

KRAS | Integriteit

Het moet afgelopen zijn met de corruptie op Sint Maarten, sprak de staatssecretaris stoer, terwijl hij een half jaar na dato aankondigde dat Nederland gaat bijdragen aan de herbouw van het door orkaan Irma getroffen eiland. Integriteit voorop! En daarom sturen we een wegens onduidelijk gedoe met geld in opspraak geraakte politicus om te kijken of onze centen netjes besteed worden.

Bedenk, voordat u direct in homerisch gelach uitbarst, dat onze regering in dit soort zaken niet over één nacht ijs gaat. Ze zouden natuurlijk ook een stijle Grunninger kunnen sturen die van iedere cent een bonnetje wil zien, maar dat gaat niet werken. Als de corruptie op Sint Maarten tot Limburgse proporties wordt teruggebracht is dat ook al mooi.

Verband tussen ‘waarden’ van banken en hun betrokkenheid bij schandalen

Er bestaat geen letterlijk verband tussen de ‘waarden’ waaraan banken zeggen te hechten en wat ze daadwerkelijk doen. Maar de manier waarop ze hun waarden formuleren zegt wel degelijk iets over hun gedrag, toont een nauwgezette academische studie aan.

“Integrity” appeared to be the most common value among the 25 banks, followed by “customer focus.” Nonetheless, over the past 6 years, 15 out of the 25 studied banks were involved in one or more scandals. Scandals can be systematic or caused by rogue employees, and benefitting the firm or their customers—in the latter case, providing an interesting interpretation of the customer focus value. Additionally, we found that courage or its synonyms were barely mentioned among banks’ corporate values, potentially providing an additional explanation for the fast size of the financial crisis. Finally, we found that banks that had inclusive social principles such as respect, solidarity, and equality did not face large-scale scandals.

Foto: Tom Roeleveld (cc)

Integriteit in het parlement: voorstel voor een nieuwe procedure

ANALYSE - Een bijdrage van Prof.Mr. Erik Jurgens.

In De Hofvijver van 29 januari 2018, waarin meerdere interessante bijdragen staan over de toetsing van de integriteit van politici en bestuurders, vraagt Paul Bovend’eert om een procedure binnen de beide Kamers van het Parlement bij vermeende schending van integriteit.

In een artikel in het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, januari 2018, doet hij verslag van zulke regelingen bij enige buitenlandse parlementen.

Ik val hem graag bij, vanuit samen twintig jaar ervaring in elk van beide Kamers. Niet alleen omdat op schending van integriteit sancties moeten staan, maar ook omdat volksvertegenwoordigers zich moeten kunnen weren tegen valse beschuldigingen. Beschuldigingen gaan immers in het huidige media-tumult vaak een eigen leven leiden, tot schade van de betrokkenen, ook al blijken ze onwaar.

De Grondwet waakt terecht krachtig over de onafhankelijkheid van de gekozenen. Van oudsher gold die waakzaamheid met name inbreuk daarop door regeringen. Sinds de parlementaire democratie de norm is geworden heeft het parlement het laatste woord over de regering. Pogingen tot inbreuk op zijn onafhankelijkheid uit die hoek kunnen de Kamers krachtig afweren. De inbreuk komt nu vooral van elders.

De leden “stemmen zonder last”, zo beveelt de Grondwet indringend, in art 67, lid 3. Maar aanvaarden leden wel een last, dan is daarop geen enkele sanctie. Zo spraken sommige fracties af om – bij het raadgevende referendum inzake het Oekraïne-verdrag van de EU – hun stem over de goedkeuring daarvan te laten bepalen door de uitkomst van die volksraadpleging. Daarmee aanvaardden zij dus een last om op een bepaalde wijze hun stem uit te brengen…

Foto: Opgelet, onderstaande tekst kan sporen van ironie bevatten

KRAS | Contextualiseren

Juristen hebben doorgaans geen antenne voor integriteit. Tijdens hun opleiding wordt er immers ingeramd dat de wet de scheidslijn is tussen betamelijk en onbetamelijk. Hun vak is duwen en trekken aan die scheidslijn. De rest is irrelevant. Wanneer je integriteit condificeert in regels komen ze er nog wel uit, maar anders dolen ze in het duister. Wat de fok, dat mag niet? – waar stáát dat dan?

Enfin, er is dus weer eens een integriteitsdingetje op het Ministerie van Justitie (en Veiligheid, maar dat is iets totaal anders). Beetje druk op een onderzoeker gezet om bruikbare resultaten uit een rapportje te kunnen halen. Gewoon, wat contextualiseren. Politici van de tutter. Ministerie schiet in standje verbaasd. Ik geloof in de oprechtheid daarvan. Integriteit? Echt – geen flauw idee.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: Guy Renard (cc)

Corruptie en agenten met migratie-achtergrond

ANALYSE - In onderzoek van het WODC naar corruptie binnen vier rechtshandhavingsorganisaties (politie, douane, marechaussee, FIOD) is naar voren gekomen dat ambtenaren met een migratie-achtergrond vaker dan hun autochtone collega’s betrokken zijn bij ernstige integriteitsschendingen in relatie tot georganiseerde misdaad. Het gaat vooral om politieagenten. Terwijl 7 procent van de agenten een migratie-achtergrond heeft, heeft 40 procent van de bij corruptiezaken betrokken agenten die achtergrond.

Dat er in 2012-2016 256 signalen van corruptie en 80 ernstige zaken waren, en dat dat mede komt door de reorganisatie, is op zich al groot nieuws. De media leggen in hun berichtgeving de nadruk op de oververtegenwoordiging van ‘allochtone’ agenten. Ik bespreek hier enkele kanttekeningen bij de verklaring die hiervoor door de onderzoekers wordt gegeven.

Waarom die oververtegenwoordiging?

De onderzoekers schrijven in het rapport (p.62-64) dat het mogelijk is dat hun oververtegenwoordiging het gevolg is van “overmatige aandacht binnen de diensten die belast zijn met onderzoek naar integriteitsschendingen voor gevallen waarbij functionarissen met een migratie-achtergrond zijn betrokken.” Dit noemen ze selection bias.

Hoewel het niet volledig kan worden uitgesloten, denken de onderzoekers echter dat “we hier niet te maken hebben met een selection bias.” Zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve data zouden hiertoe voldoende aanwijzingen geven.

Volgende