“Geen Leeraer op den Stoel is voor gevaer beveiligd” (1755)

Dat het beroep van journalist niet tot de veiligste behoort is al geruimte tijd bekend, maar recentelijk werden we in ons brave landje weer eens met de neus op de feiten gedrukt: journalisten aangevallen bij de Mieraskerk in Krimpen aan den IJssel en recentelijk een journalistiek fotograaf die gewoon een foto van een brand wilde maken en met een shovel compleet met auto en vriendin in een sloot werd gekieperd. Om nog maar te zwijgen van hulpverleners die inmiddels al gedurende diverse jaren bedreigd worden. Zijn er dan helemaal geen veilige beroepen meer ? Nou, misschien dat van dominee. Braver kan je je toch niet voorstellen. Maar dat is niet altijd zo geweest. Hierbij drie voorbeelden waarbij predikanten hun leven niet zeker waren, in omgekeerde chronologische volgorde verhalen uit 1755, 1668 en 1573. 1755: Moordaanslag in de Waalse Kerk In de ochtend van zondag 12 oktober 1755 ging 'pasteur' Jean Henri François voor in de Franstalige protestantse Waalse Kerk in Amsterdam. Tijdens een gebed waarbij het kerkvolk ongetwijfeld de ogen gesloten had, klonk een schot. Direct viel de dominee van de kansel en kwam hevig bloedend op de grond terecht. Kennelijk was iemand tijdens het gebed met een pistool de kerk binnengeslopen en had de trekker overgehaald. De kogel had de voorganger aan zijn hoofd geraakt en was vervolgens afgeketst op een pilaar schuin achter de preekstoel. Uiteraard ontstond er meteen grote consternatie. Te oordelen naar de plas bloed meende men aanvankelijk dat de predikant dood was, maar dat bleek mee te vallen. De plas bloed was een gevolg van de val van de kansel en verder betrof het slechts een schampschot. François werd naar de kosterswoning overgebracht waar besloten werd tot een aderlating, omdat de dominee wel eens een infectie of bloedvergiftiging opgelopen had kunnen hebben. In de hysterie van het moment besloten ook andere gemeenteleden zich te laten aderlaten. [caption id="attachment_328917" align="aligncenter" width="764"] Waalse-Kerk-Amsterdam-in-vogelperspectief-voor-1800. Public Domain.[/caption] De dader kon direct na de aanslag worden opgepakt, waarbij de koster voorkwam dat het kerkvolk de dader lynchte. Het bleek de 25-jarige bakkersknecht Jean Langele te zijn, die vervolgens werd afgevoerd naar de gevangenis onder het stadhuis op de Dam (het latere Koninklijk Paleis). Langele was een Franse knecht die was geboren in Metz. Hij woonde sinds 1748 in Amsterdam. Langele leed volgens zijn werkgever(s) sinds 1752, toen hij in dienst kwam van de bakkerij van Henriëtte Willemars in de Bloemstraat, aan psychoses en waandenkbeelden. De bakkersknecht zou bezeten zijn door de duivel en ondanks gebed daartegen daarvan niet zijn bevrijd. Hienriëtte had inmiddels contact opgenomen met de kerkenraad van de Waalse Kerk met de vraag of de knecht niet geholpen kon worden. Ondertussen werd bekeken of Langele preventief in verzekerde bewaring gesteld kon worden. Echter, terwijl pogingen hiertoe in het werk werden gesteld, ontsloeg Henriëtte Willemars de knecht. Hierna versleet Langele nog twee werkgevers. Vanwege zijn vreemde gedrag was Jean Langele ongelukkig in de liefde. Zo had hij tevergeefs geprobeerd om Antoinette Pauline le Maitre, de dochter van de rijke koopman en ouderling van de Waalse Kerk Paul le Maitre, aan de haak te slaan. Langele zou om de hand van zijn dochter gevraagd hebben, maar de ouderling had dit huwelijksvoorstel afgewezen. Hierna vroeg Langele de plaatselijke voorganger Jean François om hulp. Maar in plaats van de verwachte hulp kreeg Langele verbaal een veeg uit de pan. Hierop besloot de bakkersknecht wraak te nemen met de aanslag tot gevolg. Hierna werd Langele opgesloten en verhoord. Op 18 november 1755 besloten de schepenen Jean Langele over te brengen naar het rasphuis omdat hij volgens hen, zoals wij nu zouden zeggen, ontoerekeningsvatbaar was. Dit was een opmerkelijke straf, want geestesgestoorden kwam meestal in het dolhuis terecht. Na een jarenlang verblijf in het rasphuis werd in Langele in 1764 alsnog naar het Dolhuis overgebracht, waar hij in 1777 overleed, vlakbij de Waalse Kerk waar hij 22 jaar eerder op de voorganger geschoten had. Het incident bleef in Amsterdam nog lang na-ebben. Zo werden er in de maanden erna allerlei pamfletten over de gebeurtenis verkocht in Amsterdam. Hierbij maakte graveur Simon Fokke een ets van het gebeuren, waaronder hij het volgende rijmpje plaatste: “Geen Leeraer op den Stoel is voor gevaer beveiligd – Als Zinnelooze Wraek Gods Bedehuis ontheiligt.” 1668: Onuitwisbare bloedvlekken In het Zeeuwse dorp Waterlandkerkje in de gemeente Sluis in Zeeuws-Vlaanderen ligt een eenvoudig zaalkerkje dat teruggaat tot 1674, maar elders herbouwd na een brand in 1713. Waterlandkerkje ontstond in 1657 als nederzetting rond een kerk. Het gehucht werd 't Kerkje genoemd, zoals de dorpsbewoners nog altijd doen. In 1796 kreeg het dorp de naam Waterland, maar rond 1820 werd dit veranderd in de huidige naam, om verwarring met het vijf kilometer zuidelijker gelegen Belgische dorp Waterland-Oudeman te voorkomen. Op 25 november 1668 vormde het kerkje het toneel van een aanslag op dominee Johannes Steurbout alsmede andere 'sanglante en horribele delicten'. Wat was er aan de hand ? Na de overstromingen van 1377, 1404, 1440 en 1477 stond in deze streek een groot gebied onder water. Bedijking stuitte vaak op tegenstand van de gebruikers van de waterwegen. De heer van Watervliet, Hieronymus Lauweryn, kreeg in 1507 toestemming om de huidige Oudemanspolder in te dijken. Ook had hij het voornemen om de Passageulepolder te bedijken. Deze landen wilde hij samenvoegen tot de heerlijkheid "Waterland", die hij als huwelijksgeschenk aan zijn dochter Barbara zou schenken. Ook kreeg hij in 1504 toestemming om hierin een parochie met kerk te stichten. Dit zou uiteindelijk de aan de Heilige Nicolaas gewijde kerk in Waterlandkerkje (1530) worden. Vermoedelijk werd dit kerkje al rond 1600 beschadigd door Zeeuwse geuzen die naar Vlaanderen trokken en geleidelijk verviel het bouwvallige bedehuis tot een ruïne. Na herdijking van de meermalen ondergelopen polder eisten de Rooms-Katholieken de restanten van het kerkje op. De weinige gereformeerden in de omgeving protesteerden hiertegen met succes bij de Staten-Generaal en verkregen vervolgens toestemming van het Vrije van Sluis om de kerk te herstellen. In 1658 volgde vervolgens de organisatie van een kerkelijke gemeente met ouderlingen en diakenen en de aanstelling van de eerste dominee, Johannes Steurbout. Alles uiteraard tegen het zere been van de Rooms-Katholieken, de oorspronkelijke eigenaars van het kerkje. Steurbout lag toch al slecht bij de Rooms-Katholieken als verrader van het 'ware geloof' die godbetere in hun gebied een protestantse kansel in bezit had genomen. Als katholiek geboren in het Vlaamse stadje Gerardsbergen begon hij in 1651, ruim 130 jaar na de Reformatie, aan een priesteropleiding in Leuven. Hier verloor hij zijn Rooms-Katholieke overtuiging en ging opnieuw beginnen aan een theologische studie, ditmaal een protestantse aan de Illustere School  in Middelburg. Na zijn afstuderen werd hij door de gereformeerde gemeente te Oudeman beroepen en in 1658 in het ambt bevestigd. De roomse afschuw over Steurbout's predikantschap klonk al één jaar later in een pamflet van Aernout van Geluwe, een knipperlicht dat na een bekering tot het protestantisme terugbekeerd was tot het Rooms-Katholicisme en nu fanatieker was dan ooit. Na de bijwoning van een preek van Steurbout had hij hem middels een theologische discussie tot de orde proberen te roepen, hetgeen mislukt was. [caption id="attachment_328918" align="aligncenter" width="1024"] Kerkje van Waterlandkerkje met standbeeld van ds Steurbout. Foto: Wiki Commons.[/caption] In de jaren daarop klaagde Steurbout herhaaldelijk over molestaties van leden van zijn gereformeerde kudde en verstoringen van kerkdiensten door Rooms-Katholieken, tot op een zondagmiddag in 1668 de definitieve afrekening volgde. Een bende van acht gewapende ruiters kwam aan bij het kerkgebouw waar de dienst nog in volle gang was. Twee bleven de wacht houden bij de paarden terwijl de overige zes de kerk binnendrongen, dominee Steurbout van de preekstoel trokken, hem mishandelden en tenslotte halfnaakt en wentelende in zijn bloed op de vloer achterlieten. Ook de kerkenraadsleden en verschillende kerkgangers kregen rake klappen en kerkboeken werden verscheurd. Tenslotte werd het linkeroor van Steurbout afgesneden en omhoog gehouden onder de uitroep "Dat is in spijt van de Geuzen !", daarmee doelende op de vernielingen die de geuzen rond 1600 in het kerkje van Sint Nicolaas hadden aangericht. Na het toevoegen van diverse dreigementen verdween het zestal tenslotte uit de kerk. Steurboot overleed op 21 januari 1669 aan zijn verwondingen. Een paar bendeleden konden tenslotte worden opgepakt, maar die beweerden dat het om een uit de hand gelopen roofoverval was gegaan. Niemand die dit geloofde, maar de Staten-Generaal slaagde er niet het bewijs te leveren dat het om een opdracht tot moord van hogerhand ging. Wel werden twee mannen uit Henegouwen wegens hun betrokkenheid veroordeeld en opgehangen. Het kerkje zelf was ook geen gelukkig lot beschoren. In het rampjaar 1672 waren Franse soldaten Staats-Vlaanderen [ https://nl.wikipedia.org/wiki/Staats-Vlaanderen ] binnengevallen en hadden het kerkje in brand geschoten om vervolgens de Oudemanspolder onder water te laten lopen. De gereformeerden bouwden een nieuwe kerk in de Prins Willempolder die in 1674 in gebruik werd genomen, de huidige kerk. Deze kreeg ook met oorlogsgeweld te maken: in 1708 werd de kerk, wederom door Franse soldaten, in de as gelegd waarna alleen de muren overbleven en in 1713 herbouwd. In de jaren 1956-1958 werd de kerk gerestaureerd en in 1984 werd voor de kerk een beeld, ontworpen door de Rooms-Katholieke pastoor van Breskens, Omer Gielliet, geplaatst, voorstellend dominee Steurbout, lezende uit de Bijbel en wel uit Jesaja 61. Het gebeuren had nog een opmerkelijk staartje in het ontstaan van de legende van de onuitwisbare bloedvlekken, een bekend motief uit de volkscultuur. Het huidige kerkje in Waterlandkerkje is dus niet de kerk in het gehucht Stroopuit [ https://nl.wikipedia.org/wiki/Stroopuit ] waarin de aanslag op dominee Johannes Steurbout plaatsvond. Anders schijnt het volgens de overlevering te liggen met de preekstoel van Steurbout waar hij zo jammerlijk van was afgesleurd. Die zou in 1672 gered zijn en overgebracht naar de nieuwe, huidige kerk uit 1674 en vervolgens het oorlogsgeweld van 1708 overleefd hebben. Bij de toen ontstane brand was de kerkenraadskamer gespaard gebleven alsmede de preekstoel, die tegen de muur van dit vertrek had gestaan. De waarheid van deze overlevering is waarschijnlijk nihil, maar heeft te maken met de legende dat op deze kansel bloedvlekken waren achtergebleven als gevolg van de toetakeling van dominee Steurbout. De bloedvlekken, die niet te verwijderen bleken, schijnen alleen in de volksfantasie bestaan te hebben. In 1839 constateerde een verre opvolger van Steurbout, ds Johannes Was, kennis genomen hebbende van de volksoverlevering, dat er op de preekstoel geen bloedvlekken te ontwaren vielen. De huidige preekstoel dateert uit 1713 toen de door de Fransen verwoestte kerk herbouwd werd. Overigens woedt de legende over de niet uitwisbare bloedvlekken nog steeds voort. Het volksgeloof is taai, heel taai. 1573: De kogel door de kerk Niet iedere aanslag van Rooms-Katholieken op een protestantse dominee slaagde. Tijdens het beleg van Haarlem (1572/1573) schoten de Spaanse soldaten van Don Frederik een kanonskogel dwars door de Sint Bavokerk. Naar verluidt was de kogel bedoeld voor de predikant, die werd beschouwd als een afvallige. De recent gerestaureerde kogel is nog altijd te bezichtigen in een binnenmuur van de Haarlemse kerk. De predikant bleef ongedeerd. [caption id="attachment_328919" align="aligncenter" width="1024"] Interieur Sint Bavo Haarlem, 1668 (Job Adriaensz. Berckheyde). Foto: Public Domain.[/caption] Uit dit incident zouden wij de uitdrukking 'de kogel is door de kerk' hebben overgehouden. Men vermoedt dat deze uitdrukking, qua betekenis vergelijkbaar met 'de knoop is doorgehakt', te maken heeft met het respecteren van kerkgebouwen tijdens oorlogen. Als de vijand deze ongeschreven regel negeerde, beschouwde men dit als een grove schending en inbreuk. De taalkundige Carolus Tuinman was de eerste die melding maakte van deze uitdrukking en wel in zijn spreekwoordenboek 'De oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden' (1726-1727). Hij stelde: “Is dan de kerk zelf aangetast en doorschoten, ‘t is een blyk, dat men door geen ontzag wordt afgeschrikt, en nu alles durft ondernemen. Die het heilige niet spaart, en de vreeze daar voor afgelegt heeft, zal dan het ongewyde nog minder verschoonen.”. Tuinman kwam echter niet met bewijzen om zijn verklaring te staven, waarop de taalkundige F.A. Stoett beweerde dat het woord ‘kerk’ in het gezegde terecht is gekomen als alliteratie op het woord ‘kogel’. Dat dit soort betekenisloze alliteraties in de volkstaal vaak voorkomen is een feit, maar de mening van Stoett is ook niet meer dan een aanname.

Door: Foto: © Sargasso logo Goed volk

Closing Time | In Extremo

Het is wel weer tijd voor wat Duits. En voor wat eclectisch samenspel van traditionele (middeleeuwse) instrumenten, poëzie uit de romantiek en, (natuurlijk), rock/metal. In Extremo is het gezelschap dat al deze zaken op een fraaie manier combineert. Het nummer Spielmannsfluch komt van het album waar ze mee doorbraken in 1999, Verehrt und Angespien. Het is uiteraard aan de lezer-luisteraar zelf of die ze wil bespugen of vereren (of iets daartussenin). O ja, als bonus nog wat sfeer van het onvolprezen Wacken Open Air festival, waar het in de jaren dat dit werd opgenomen vrij goed toeven was.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Closing Time | Spanish Stroll

Over vreemde eend in de bijt gesproken: Mink DeVille stond op de grote podia, Werchter, Rockpalast, Montreux en Pinkpop tussen de rockacts. Stond hij daar met zijn bandleden die gekleed gingen in bloesjes met ruches, en stond hij daar met zijn dunne dandy snorretje, het goud- en zilverwerk in zijn oren, graatmager in zijn giletje en zijn kuif. Zijn kuif! Een romanticus met een latin-ziel verzeild geraakt in de pop.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Closing Time | Day Is Done

Welke muziek past op vier mei, de avond van de Dodenherdenking? Geen pop. En ook niet die clichénummers waar de stemming zo nadrukkelijk in je gezicht wordt gewreven. Je dacht een tijdje na over Jules Schelvis en zijn optreden in de Vredeskerk in Den Haag samen met het Nationaal Symfonisch Kamerorkest waar hij vertelt over het vernietigingskamp Sobibor. Dat filmpje heb je drie keer bekeken.

Maar er speelde een melodietje in je hoofd, heel licht, met een rustig klinkende zangstem, Engels. Nick Drake. En Nick Drake was toch – je hebt allerlei klasseringen in de pop, maar Nick Drake onttrekt zich daaraan, die bevindt zich in zijn eigen categorie, met niets anders, met niets te vergelijken.

Closing Time | Pussy

Wat ik nou toch weer in de krant las: Andrej Borovikov, de assistent van Aleksej Navalny is in Rusland veroordeeld omdat hij zich volgens de rechter, schuldig had gemaakt aan het verspreiden van pornografisch materiaal. Hij is veroordeeld tot tweeenhalf jaar gevangenisstraf. Dat is niet zo fraai, denk je dan, totdat je leest waar dat pornografisch materiaal uit bestond. Dat blijkt een videoclip van Rammstein te zijn. De clip Pussy. Andrej Borovikov had in 2014 de clip verspreid, gedeeld via de Russische variant van facebook. Nou heb ik die clip even bekeken en hij is zeker suggestief, de heren zijn in het zwart gekleed, de dames luchtig. De gebaren en de bewegingen in de clip zijn ritmisch op een bepaalde manier, en er zijn wat attributen te zien die wel spannend genoemd kunnen worden, (ik probeer me in te leven in de rechter), en ik zou er erg jonge kinderen niet naar laten kijken, maar pornografie, pornografie? Ik heb geen borst, tepel, pielemuis of pussy voorbij zien komen. Rammstein is dan toch een band met teveel humor. Ik moest wel, tekstman als ik ben, grinniken om de lyrics van tekstdichter Till Lindemann ‘You have a pussy, I have a dick, so what’s the problem, let’s do it quick.’ En verderop: ‘Steck Bratwurst in dein Sauerkraut’.

Closing Time | Alapathy

Alapathy van Fenne Lilly stond in mijn mapje met favoriete liedjes van 2020. Alapathy is een verzonnen woord, een samenvoeging van apathie en allopathie. Het woord bestond voor deze single nog niet. En waarom belandde het op mijn favorietenlijstje van verleden zomer? Omdat het zo’n lekkere drive heeft, die gaat maar, eentonig of niet, gewoon door. Het is een vlot, zorgeloos zomerpopnummer.  En ik vond de video zo leuk omdat ze van een oud filmpje van zichzelf, waarop ze te zien is als blote-peuter-in-het-bos, een remake maakt, maar dan twintig jaar later. Alles in het nette hoor: we zien, aan het eind van de video, Fenne Lilly op de rug, in de schemering het bos in hollen, slechts gekleed in boots, waar ze verderop, na het roepen van ‘and cut’, wordt opgevangen door een iemand met een badjas. Je moet het maar durven.

Closing Time | Coney Island Baby

Wat is het verschil tussen een spoken word dichter en Lou Reed? Lou Reed brengt een groot gedeelte van dit nummer in praatzang. Hij zingzegt het grootste gedeelte van de song, maar verderop in het nummer gaat hij toch echt zingen. Maar zo wordt de tekst wel wat meer onder de aandacht gebracht. Alsof hij het tegen jou vertelt, hoe hij vroeger op school zich uitsloofde voor de trainer van het footballteam. Hoe hij ’s nachts wakker lag, zich eenzaam voelde, dat hij zich afvroeg wat hij nu precies had bereikt, dat hij zo’n beetje alles haatte om hem heen, dat hij het gevoel had dat zijn ziel in de uitverkoop lag. Maar dat er dan tegelijk die romantische gedachte was, dat houvast, van die prinses, op de heuvel die, ondanks dat Lou fout zat, toch van hem hield. Glory of love. Dat wordt haast tot wanhopigs toe herhaald, alsof het een bezwering is,  Glory of Love. Dat hopen we dan maar. Ondanks dat de stad, New York, een vreemde plek is, een riool of een circus. In het Engels klinkt dat beter. En dat er in de stad mensen rondlopen met vreemde voorkeuren. Wat toch klinkt als een waarschuwing. Het nummer schijnt nogal autobio te zijn.

Closing Time | Wash Your Face In My Sink

 

 

Canadese hiphop van 30 jaar terug. Hiphop met jazz en Bigband, luchtig vermengd op een bedje van niet alledaagse ritmes. Erg dansbaar ook, en er zijn bij de samples ook blazers gebruikt en zelfs een fluit. Erg ongebruikelijk maar wel erg leuk, zomers zou ik zeggen. De band heette Dream Warriors en had nog een grote hit met dat aanstekelijke My Definition of a Boombastic Jazz Style, ook weer met blazers.

Closing Time | Who Knows Where The Time Goes?

Wie weet waar de tijd naartoe gaat? Waar bevindt zich vroeger? Waar is dat? Mij kun je opvegen na de eerste noten, hoe ze dat doet, ik weet het niet, maar, tsjak, daar brandt dat mes van de weemoedigheid al in mijn hart. En komt het door die tekst, of die stem? Sandy Denny brengt dit lied zo casual, zo achteloos haast, alsof het geen moeite kost, en tegelijk alsof het de enige manier is waarop dit lied gebracht kon worden. Een monumentje. In 2007 koos het Engelse BBC-publiek de song Who Knows Where The Time Goes, als beste folksong aller tijden.

Closing Time | Seelinnikoi

Finland, wanneer hoor je eigenlijk iets over Finland? Ik kom alleen maar, als atletiekliefhebber, uit op Lasse Virén, winnaar van Olympisch goud op de 5000 en de 10.000 meter. En op de sprinter bij het schaatsen, Pekka Koskela. En als ik verder terug nadenk, de architect van het stationsgebouw in Helsinki: Eliel Saarinen. En vroeger had bijna iedereen een mobiele telefoon uit Finland: de Nokia.

Folkmuziek uit Finland, dat kom je niet dagelijks tegen. Ik ben het maar één keer tegengekomen in mijn leven. En dat was in de verschijning van de band Värttinä. Eigenlijk was die band een soort novelty act. Ze waren toen heel even hip. Värttinä deed 30 jaar geleden ook gewoon een tour langs de bekende poppodia in Nederland, iedereen wilde die drie blonde zangeressen wel ‘ns zien. En horen, ook al verstond je er niks van, wat zongen ze toch, wat zeiden ze tegen ons?

Closing Time | The Cell

Goeie genade, wat een herrie. Dat is best even schakelen als je normaal andere shizzle gewend bent. Maar waarom dan nu ineens hardrock dan? Dat kwam, de NRC van afgelopen donderdag had anderhalve pagina ingeruimd voor de Franse  technical deathmetal, thrashmetal, progressive deathmetal en groovemetal band Gojira. En dat overkomt niet elke technical deathmetal, thrash – eh, elke band die takkeherrie maakt. De muzikanten van Gojira zijn namelijk ook activisten, idealisten en een beetje wereldverbeteraars en predikers. Ze hebben een boodschap en een mening. Dus gaan songteksten over de vervuiling van de oceanen, over de plastic soep. En over de ontbossing van het Amazonewoud. En ze hopen dat de burger, de luisteraar kritischer wordt. Dat de metalfan thuis gaat denken, moet ik wel zo nodig dat broodje tonijn eten. De zanger, Joe Duplantier brengt in de praktijk wat hij preekt, hij is vegetariër en ik begrijp, ook vegan. Geen melk en geen Camembert en dat is voor een Fransoos best moeilijk. Een politieke band dus. En het persoonlijke is politiek, vandaar, fuck the system. De nieuwe plaat van Gojira, Fortitude, komt op  30 april uit.

Closing Time | White Noise

Een kennis vertelde dat hij, dit speelde  voor de coronacrisis, dat hij met de collega’s van zijn organisatie op studiereis was geweest in Noord-Ierland. Werk dus. Maar er was ook tijd voor ontspanning. Zo was het gezelschap op een gegeven moment verzeild geraakt bij een bandje waarvan de drummer nog bij Stiff Little Fingers gespeeld had. Stiff Little Fingers? Maar ik had toch nog een elpee van die punkband uit Belfast, Inflammable Material? Ja, die had ik nog. En die klonk nog steeds erg urgent, hard en boos. En er was dat nummer, White Noise, wat destijds wel ‘ns misbegrepen werd. Lullig wel, en ook om moedeloos van te worden, maak je je in een song kwaad over racisme, heel puntig verwoord, en dan word je beschuldigd van…. racisme. Mijn gok is dat een platenmaatschappij dit nummer nu niet meer zou uitbrengen, want krijg je last mee. Maar, oordeel zelf.

Vorige Volgende