RECENSIE - De geheime diensten AIVD en MIVD houden bedreigingen van de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde in de gaten. Wat mogen we van deze diensten verwachten nu in binnen- en buitenland autocratische tendensen in opmars zijn? Welke eisen mogen er gesteld worden aan inlichtingenoperaties en hoe moeten de diensten zich verhouden tot de politiek, eventuele autocratische neigingen van ministers of van de gekozen leden van het parlement? Interessante vragen, zeker sinds de kortstondige deelname van Wilders aan de regering Schoof en de opkomst van FVD bij de recente gemeenteraadsverkiezingen. In Democratie onder druk leggen Bart Jacobs en Rowin Jansen van de Radboud Universiteit de problematiek in heldere bewoordingen uit. De belangrijkste en tegelijk lastigste opgave: de diensten onafhankelijk maken van wisselende politieke stemmingen en er tegelijkertijd er voor zorgen dat ze niet als ‘staat in de staat’ los van elke verantwoording kunnen functioneren.
Jacobs en Jansen laten in hun boek zien dat de geheime diensten anders dan in het verleden rekening moeten houden met allerlei wettelijke beperkingen. En er is nu ook uitgebreid toezicht op het handelen van de diensten: door de onafhankelijke Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en door de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) voor bepaalde operaties vooraf. De minister van Binnenlandse Zaken wordt in de Commissie voor Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (Commissie ‘Stiekem’) door fractievoorzitters van de vijf grootste partijen namens het parlement aangesproken op zijn verantwoordelijkheid voor de diensten. Aan de andere kant constateren de auteurs ook dat je met een vaag, niet exact gedefiniëerd begrip van nationale veiligheid nog alle kanten uit kan, zoals blijkt uit de ontwikkeling van autocratieën in de Verenigde Staten, Polen en Hongarije. Hun beschrijving van deze aftakeling van de democratie in de afgelopen jaren is bijzonder waardevol: zo werkt dat als er in een land leiders aan de macht komen die zich noch van de wet noch van de feiten iets willen aantrekken. En die de geheime diensten graag inzetten voor hun politieke doelstellingen, juist omdat ze geheim zijn.
Een ‘politisering’ van de geheime diensten is onwenselijk, maar moeilijk te voorkomen. De beste garantie zit ‘m denk ik toch in de keuze van politiek verantwoordelijke bewindslieden die respect hebben voor de democratie en de rechtsstaat. Maar de politisering van de diensten kan, zo schrijven de auteurs, ook van onderop komen. ‘Een eenzijdig, politiek gekleurd personeelsbeleid brengt in het bijzonder bij geheime diensten de risico’s van groepsdenken, tunnelvisie en ideologische verblinding met zich mee’. Het is jammer dat in het boek naast de als waarschuwing bedoelde voorbeelden van hedendaagse autocratieën elders nauwelijks verwezen wordt naar de geschiedenis van de Nederlandse diensten. De BVD was in de Koude Oorlog volledig gepolitiseerd, mede dankzij het bewust eenzijdige personeelsbeleid van de eerste baas Louis Einthoven. Jacobs en Jansen schrijven dat Nederland ‘geen historie heeft van ministers die de diensten inzetten voor politieke doeleinden’. Een stelling die ze even daarna zelf onderuit halen als ze verwijzen naar de oprichting door de BVD van een ‘maoïstische schaduwpartij om de eenheid onder Nederlandse communisten te breken’ (project Mongool). Deze operatie vond plaats met goedkeuring van toenmalig minister. Daaraan vooraf gingen nog enkele andere operaties ter ontregeling van een in het parlement vertegenwoordigde partij. Het project Toekomst beoogde met psychologische oorlogsvoering via door de BVD samengestelde ‘kaderbrieven’ de interne partijstrijd in de CPN aan te wakkeren. Die strijd liep in 1958 uit op een splitsing en de oprichting van een nieuwe dissidentenpartij, de Socialistische Werkerspartij. De BVD leverde voor deze partij zowel financiën als mankracht. In het mede door de CIA gefinancierde project Phoenix trachtte de dienst vervolgens via de SWP het conflict over de koers van het communisme internationaal aan te wakkeren. Dit alles met instemming van de verantwoordelijke bewindslieden, en buiten medeweten van het parlement.

Een discutabel punt van Democratie onder druk vind ik verder het toch redelijk grote vertrouwen van de auteurs in de letter van de wet. Natuurlijk moet de bescherming van grondrechten en de democratische rechtsstaat goed geregeld worden in wetten die het werk van de geheime diensten regelen. Maar het vervelende van autocratische regimes is nu juist dat hun leiders die wetten gewoon naast zich neerleggen als die hun doelen in de weg zitten. Dictators regeren zoals de auteurs het noemen post-truth en post-rules. Om een democratie tegen de dictatuur te beschermen is dus meer nodig dan degelijke wetgeving.
Veel wetgeving is ook ‘poreus’, erkende Rowin Jansen in een radiointerview. Om het zoeken naar mazen in de wet moeilijker te maken adviseren de auteurs daarom de diensten te onderwerpen aan een ‘autocratische stresstest’ om zwakke plekken te identificeren en geitenpaadjes voor kwaadwillende politici te versperren. Ze beschrijven daarvoor een aantal worstcasescenario’s op basis van de besproken buitenlandse voorbeelden. Een van die scenario’s is de mogelijkheid dat autocraten de wettelijk geregeld diensten negeren en een nieuwe dienst oprichten die ze geheel naar eigen goeddunken kunnen inrichten. Daarbij verwijzen de auteurs terecht ook naar de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van het Ministerie van Justitie en het inmiddels opgedoekte Land Information Manoeuvre Centre (LIMC) bij het Ministerie van Defensie. Het zijn recente Nederlandse voorbeelden van diensten die buiten de geregelde en gecontroleerde AIVD en MIVD om onrechtmatig binnenlandse spionageactiviteiten hebben ondernomen. Zonder degelijke juridische basis. ‘Ik koos er bewust voor om niets te regelen. Dat geeft alleen maar gezeur’, zei Tjibbe Joustra die de voorloper van de NCTV aanstuurde. Jacobs en Jansen vinden dat deze organisatie ‘een zinvolle taak’ vervult, maar betreuren het gebrek aan regelgeving. Maar kan regelgeving onrecht voorkomen als de leiding van een dienst er heel bewust zo min mogelijk van wil weten?
Naast het geloofwaardige scenario van de oprichting van nieuwe diensten beschrijven Jacobs en Jansen voor hun autocratische stresstest ook een case waarin de minister ‘hem onwelgevallige operaties van de diensten’ wil blokkeren. Bijvoorbeeld een progressieve minister die weigert zijn handtekening te zetten voor operaties naar targets die actief zijn binnen de radicale milieubewegingen. Misschien willen de auteurs met dit voorbeeld hun adviezen ook acceptabel maken voor rechtse politici. Ik vind dat jammer. De druk op de democratie komt van rechts. Laten we daar duidelijk over zijn. Dit boek biedt daarvoor op zichzelf al voldoende bewijs.
Geheime diensten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de bescherming en instandhouding van de democratie. Dat stelt wel heel hele hoge eisen. Niet alleen aan de wetgeving maar ook aan de praktijk van hun operaties, het toezicht en de rol van de verantwoordelijke politici. Democratie onder druk is ondanks het gemis van een stukje geschiedenis en het overmatige vertrouwen in regels een welkom uitgangspunt om het debat hierover te voeren.
Bart Jacobs & Rowin Jansen, Democratie onder druk; over de geheime diensten in turbulente tijden. Uitgeverij Querido, Prijs: € 18,50
Reacties (1)
Volgens mij zijn geheime diensten in Europa bijna per definitie rechts-conservatief. De Koude Oorlog haal je er niet zomaar uit, en ik denk ook dat er vanuit rechts nog steeds meer nut in gezien wordt dan vanuit links. Dat blijkt ook wel uit het feit dat rechts nog steeds met handschoentjes wordt aangepakt.