OPINIE - De antropoloog Martijn de Koning, medeauteur van het rapport Eilanden in een zee van ongeloof: het verzet van activistische da’wa-netwerken in België, Nederland en Duitsland, had na de terroristische aanslag op Charlie Hebdo het verzoenende stuk kunnen schrijven dat zijn betoog “Denk even na voor je islamofobe cartoons verspreidt” in de Volkskrant van 17 januari niet is geworden. Hij bestendigt de wij-zij-tegenstelling tussen niet-moslims en moslims in plaats van die te helpen overbruggen.
De Koning had kunnen laten zien dat een aantal ultrarechtse Westerse opinieleiders en autoritaire staatshoofden hebben geprobeerd het spontane protest “Je suis Charlie” te kapen. Hij had erop kunnen wijzen dat een deel van hen een jammerlijk gebrek aan zelfkritiek paart aan het gevaarlijk ophitsen van het publiek tegen “de” islam. Hij had er begrip voor kunnen kweken dat nogal wat moslims dit hypocriete element van de publieke verontwaardiging na de moordpartij uitvergroten, omdat veel islamitische landen met Westerse bedoelingen slechte ervaringen hebben. Hij had erop kunnen wijzen dat toch moslims in verschillende landen meededen met “Je suis Charlie”.
Samen sterk voor de vrijheid
Maar helaas: van “Je suis Charlie” maakt De Koning een witte, althans in de zon van zijn intellect gebleekte stroman: zelfingenomen, racistische Westerlingen die bij wijze van machtsvertoon de islam of moslims “een lesje willen leren”.
Mij lijkt dat je als menswetenschapper meer geïnteresseerd moet zijn in wat de sympathisanten – niet-moslims en moslims – van “Je suis Charlie” gemeen hebben, dan je blind te staren op extremen. Het gedeelde gevoelen was zonneklaar: solidariteit betuigen met bruut vermoorde tekenaars die binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat een vorm van vrije expressie beoefenden; en afgrijzen tonen van religieuze extremisten en hun versteher die begrip (of erger) kunnen opbrengen voor de poging die vrije expressie te fnuiken door vormgevers ervan af te slachten.