‘Alleen het gesproken woord geldt’

Hieronder volgt een gastbijdrage van mb.

Vorige week [.pdf] presenteerde minister Plasterk zijn visie op de monumentenzorg van de toekomst. Zijn departement heeft een jaar lang samen met mensen uit het veld gewerkt aan de modernisering van de monumentenwet, en afgelopen donderdag was het dus zover: hoogst persoonlijk kwam de minister vertellen hoe de zorg voor ons erfgoed er in de toekomst uit zal komen te zien.

Vanzelfsprekend was er een programma georganiseerd rondom het optreden van de Minister. Twee lezingen en een cursus humor door een bekend elitaire cartoonist en een bekende elitaire cabaretier moesten het publiek warm maken – zoet houden? – voor het optreden van de Minister.

Mooi tot dusver. Toen begon de Minister met praten. Hij gaf al aan dat hij wat later was dan gepland en wat eerder weg moest. Niets mis mee, zo’n man zal het best wel eens druk hebben. Net als iedereen in de zaal overigens, die toch van pak hem beet Eijsden, Delfzijl, Den Oever en Sluis met 300 man/vrouw waren toegestroomd om te horen hoe hun werk zal veranderen.

Helaas was het de Minister en zijn departement niet gelukt om het werk op tijd af te krijgen en had hij dus niet zoveel te vertellen. En daarmee bedoel ik: niets. Het was lucht, maar dan opgeklopt. Het toefje slagroom op de lucht was het antwoord op twee concrete vragen, waar iedereen in de zaal het antwoord al op wist: nee, de lijst met rijksmonumenten wordt niet geactualiseerd en ja, er komt een structureel restauratiebudget. En weg was de minister. In de zaal heerste ongeloof – zo kort? – verbijstering – zo weinig te vertellen? – en irritatie – ben ik hiervoor vanuit mijn regionale uithoek naar Den Haag gekomen?

Gelukkig werd ons verteld dat de speech van de Minister ook nog werd uitgedeeld aan de deur, bij het verlaten van de zaal. En bovenaan dit stukje stonden de woorden ‘alleen het gesproken woord geldt’.

Een jaar lang wordt er in gezamenlijkheid gewerkt aan een nieuwe wet: geweldig. Het veld wordt uitgenodigd om van de nieuwe visies kennis te nemen: mooi moment. Maar helaas heeft het ministerie zijn zaken niet op tijd afgekregen: niet echt sterk, maar kan gebeuren. Vervolgens wordt dit totaal niet gecommuniceerd. Geen excuses, geen uitleg, geen verklaring waarom we dan toch bij elkaar zijn: ronduit zwak.

Maar als het het departement niet lukt om een speech te schrijven waar de aanwezige (collega’s werd men een jaar lang genoemd) op mag rekenen, dat men een week voor de publicatie van de complete visie niet in staat is om de (concrete) hoofdlijnen en enkele belangrijke punten van de nieuwe wet kort weer te geven: dat is onvriendelijk. Dan neem je je collega’s niet serieus.

Bovendien vind ik het raar dat het gesproken woord geldt. Het departement werkt lange tijd (of zou dat moeten doen) aan een evenwichtig verhaal. Waarom is het dan de afwijking daarop die de minister al improviserend maakt, die geldt? Bij Plasterk heb ik daar nog wel een beetje vertrouwen in – hoewel…. – bij toevallige Ministers als Nawijn en Heinsbroek is dat doodeng.

De afspraak om de gehele visie uiteen te zetten, kwam Plasterk niet na. De beleefdheid om dan de belangrijkste punten in de speech uiteen te zetten, kon men niet opbrengen. De eerlijkheid om duidelijk toe te geven dat men in de uitvoering van het project – tijdige oplevering hoort daarbij – steken heeft laten vallen, was er niet. De erkenning dat 300 mensen voor niets naar Den Haag zijn gegaan voor brood en spelen, bleef eveneens achterwege.

En ik? Ik ben naïef geweest. Ik ben met veel te hoge verwachtingen naar Den Haag gegaan. Ik dacht dat er echt iets zou gebeuren. Dat Plasterk echt iets te vertellen zou hebben. En dat, omdat decentralisatie zo’n belangrijk onderwerp is in de nieuwe wet, de mensen en ervaringen in het land er echt toe zouden doen.

Ondertussen, nadat ik met veel collega’s heb gesproken, heeft het bovengenoemde gevoel van naar mezelf wijzen plaats gemaakt voor een gevoel van achterdocht. Wie zijn die mensen in Den Haag, die het één beloven en het ander doen, die belangrijke deadlines doorschuiven en het niet wagen helder met de achterban te communiceren? Het Rijk, de Minister, de nieuwe wet en de Rijksdienst hebben door een opeenstapeling van foutjes, onbenulligheden en bewuste keuzes nogal wat reputatieschade opgelopen, in ieder geval in mijn ogen.

Na het naïeve gevoel en de achterdocht, weet ik al van meer ervaren collega’s wat de volgende stap is: onverschilligheid. Niet ten opzichte van het werk, maar ten opzichte van Den Haag. We doen ons werk niet dankzij, maar ondanks het Rijk. En dat is misschien wel de beste reden om zoveel mogelijk te decentraliseren.

  1. 2

    Wat jij naïef vindt is in de ogen van een ander gewoon dom.

    Het politiek system ís een monument.
    Alleen het gesproken woord telt, read my lips!

  2. 3

    @2 vond ik ook hoor. naïef en dom gaan blijkbaar prima samen.

    Ondertussen vind ik dat trouwens niet meer. Ik vind mijn verwachting van de dag realistisch en het geleverde werk slecht, en niet andersom.

  3. 5

    Journalistieke doodzonde: je verhaal beginnen met een plaats- of tijdsbepaling
    En ‘minister’ schrijven we al zo’n 50 jaar niet meer met een hoofdletter.
    Erg langdradig, het venijn zit in de staart.

  4. 6

    Been there, done that.

    We doen ons werk niet dankzij, maar ondanks het Rijk.

    En ondanks Europa. Want wie denkt dat het morgen beter is: het wordt toch nooit goed. Ah… wie zong dat nou ook al weer?

  5. 10

    Beste Bianconero,

    Je antwoord onder #5 zit me toch wat dwars. Je reageert met drie punten. Een over wat je een doodzonde noemt. Is redactioneel. een over de hoofdletter. Is redactioneel. dan een kort zinnetje, weer niet over de inhoud, maar wat je van de stijl vindt.

    Wat moet ik hiermee? Ik neem de moeite, want dat is het, om hier een stukje aan te bieden over iets dat goed binnen de scope van het blog past en jij gaat de gastbloggers hier een beetje zitten afzeiken.

    Ik stel voor dat je je problemen met je stukje met de redactie opneemt en hoop dat je ook af en toe eens de moeite zult nemen om te reageren op de boodschap, in plaats van het gebruik van hoofdletters.