Juist risicovolle banken zijn dure banken
Een gastbijdrage van Arnoud Boot (UvA) en Rens van Tilburg (SOMO). Het stuk is met wat vertraging overgenomen van Me Judice. Het heeft tot kamervragen geleid.
Met weinig kapitaal en een balanstotaal van bijna zes keer het nationaal inkomen schuiven banken het risico op de staat. Alleen met een forse verhoging van het eigen vermogen van banken wordt de financiële sector weer gezond. Basel III is daarom slechts het begin, stellen Arnoud Boot en Rens van Tilburg.
De Tweede Kamer lijkt in slaap gevallen. De belangrijkste discussie over onze financiële sector – hoe maken we hem veilig? – wordt niet gevoerd. Nederlandse banken werden voorafgaand aan de crisis soms gefinancierd met maar 2 procent eigen vermogen1. Toezichthouders willen dit – met het zogenoemde Basel III akkoord – verhogen naar 5 à 7 procent. Er is weinig fantasie nodig om te beseffen dat op deze manier nog steeds volstrekt onacceptabele risico’s blijven bestaan. Een bedrijf met 93 à 95 procent schuld en een paar procent eigen geld valt zo om. Banken hebben nog altijd veel vrijheid om naar eigen inzicht uiterst risicovolle activiteiten te ontplooien. De verschaffer van eigen vermogen, de aandeelhouder, staat vrij machteloos als de leiding van de bank besluit het genomen risico ‘zomaar’ te vergroten. Daarom is een dergelijk kapitaalniveau bepaald niet comfortabel. Nederland moet, met zijn financiële sector van meer dan vijfmaal het nationaal inkomen, Zwitserland volgen en veel hogere kapitaaleisen afdwingen.
Basel is het minimum
De kapitaaleisen waarover wordt gesproken zijn minimumeisen. Iedereen, dus ook Nederland, kan hogere eisen stellen. De Tweede Kamer heeft daarom geen excuus om niet zelf het initiatief te nemen. Het parlement kan zich niet verbergen achter de ‘machteloosheid’ van Nederland binnen het grote Europa die centraal staat in het Europa-debat. De Tweede Kamer wacht de stresstesten van banken af. Die testen moeten laten zien of banken voldoen aan de laagste kapitaalniveaus. Dat is heel mooi, maar welk eigen plan heeft de Kamer? Het parlement moet bepalen welke veiligheid het van het bankwezen verlangt in plaats van zich in slaap te laten sussen door stresstesten, die – als ze ook maar enigszins lijken op die van vorig jaar – niet bepaald informatief zijn.
Vijfentwintig jaar na de kernramp is er nog steeds geen overeenstemming over het aantal slachtoffers van de kernramp maakte. Maar het RIVM concludeerde onlangs dat er 
Afgelopen woensdag belegde de Staten-Generaal een miniconferentie over kabinetsformaties in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer. Er was nogal wat staatsrechtelijk kaliber uitgerukt, waardoor het aardig werd om de interactie met de actieve politici te bestuderen. Het ging meteen al mis toen Mariette Hamer de termijn waarin de Kiesraad de verkiezingsuitslag officieel vaststelt en de oude kamer de geloofsbrieven van de nieuwe kamer onderzoekt, ‘de acht dagen’, aanwees als een grote veroorzaker van de problemen. ‘Als formalisme opgetuigde politieke onwil,’ haalde prof. Van den Berg meteen uit. Hamer trok zich verschrikt terug achter haar ‘worsteling’ met het probleem. Verbeet ondernam nog een reddingspoging door te vertellen over de onmogelijkheid om daags na de verkiezing fatsoenlijk met een kamerfractie te spreken, maar daarmee werd volgens mij juist een heel ander nut van de acht dagen bewezen. Van een geheel andere orde was Senator Arjan Vliegenthart. Hij combineerde scherpe politieke stellingname met inhoudelijke kennis, en schudde waar nodig ook nog even Kuypers ontbinding van de Eerste Kamer uit de mouw. Eigenlijk had hij naast Kox in de Staatsrecht Senator Stemwijzer voor de SP moeten zitten.