Nederland is niet het eerste land dat een centrale databank voor vingerafdrukken opzet. Die eer gaat naar Zuid-Afrika in de jaren vijftig, toen de Apartheid van de grond kwam. Die centrale databank was een grote mislukking.
De kwaadaardige achtergrond ervan is niet te vergelijken met de huidige Nederlandse opzet. Maar we kunnen wel degelijk wat van het Zuid-Afrikaanse ‘Bewysburo’ leren. Vervuiling van gegevens, misbruik door andere overheidsdiensten en het koppelen van informatie middels een uniek persoonsnummer kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor burgers.
Deze wat langere post is gebaseerd op het artikel Verwoerd’s Bureau of Proof: Total Information and the Making of Apartheid van de Zuid-Afrikaanse historicus Keith Breckenridge. Op het artikel rust copyright, dus ik kan het hier niet online zetten.
Het begon aan het begin van de jaren vijftig met een plan van een ijverige bureaucraat, A.J. Turton. De Afrikaanse bevolking was erg mobiel, trok van stad naar stad, op zoek naar werk. Politie, Belastingdienst en andere overheidsinstellingen hadden moeite om Afrikanen te lokaliseren. Turton stelde een nieuw systeem voor. Voortaan zouden Afrikanen twee documenten krijgen: een identiteitskaart en een een boekje dat ze bij zich moesten dragen. Het boekje bevatte enkele persoonlijke gegevens, een overzicht van de migratiebeweging en waar de betreffende Afrikaan mocht komen. In een centraal bureau werd vervolgens een ‘persoonsdossier’ aangemaakt met daarin informatie over werk- en woongeschiedenis, medische gegevens en belastinggegevens.