Nieuw-Zeeland (re)nationaliseert spoorwegen

Lange tijd was Nieuw-Zeeland hét voorbeeld voor neoliberale economen van een geslaagd overheidsbeleid. Tot halverwege de jaren tachtig was het land één van de meest afgesloten economieën met de grootste overheidsinvloed in de Westerse wereld. Vanaf dat moment begonnen de achtereenvolgende Nieuw-Zeelandse overheden lustig overheidsdiensten te privatiseren.
Die tendens lijkt inmiddels gekeerd. In 2001 besloot het land al om haar luchtvaartmaatschappij te renationaliseren, nadat zij door twaalf jaar privaat management de grond in was gedreven.
Deze week volgen de Nieuw-Zeelandse spoorwegen en veerboten. Na de privatisering van de spoorwegen gingen het aantal ongelukken én de prijzen omhoog. Ook bleek het noodzakelijk voor de nationale overheid geld te blijven investeren in het spoornetwerk, omdat het bedrijf anders helemaal failliet zou gaan. Zelfs dat bleek uiteindelijk niet genoeg om de spoorwegen in private handen te laten voortbestaan. De regering is tot nationalisatie over gegaan.
Goed, een nationalisering in een klein land aan de rand van de wereld. Wat maakt dat uit, zou je kunnen vragen. Maar het is van belang te bedenken dat Nieuw-Zeeland, net als Groot-Brittannië, behoorde tot de pioniers van de privatiseringsdrang. Nu de Britten ook net weer een bank hebben genationaliseerd, kun je je afvragen: zijn deze landen nu de pioniers van een nieuwe internationale golf van meer overheidsingrijpen en (re)nationalisaties?

Vorige week was even in het nieuws dat minister Eurlings een campagne startte voor het hebben van een 


En 
