LONGREAD - Onderwijs wordt steeds meer een richtingenstrijd. Met in het ene kamp bestuurskundigen en neoliberale economen en in het andere kamp psychologen en onderwijskundigen. De strijd gaat over de vraag of menselijk gedrag en drijfveren teruggebracht kunnen worden tot verlies en winst, tot scores op ranglijstjes en tot onderlinge competitie. Of bestaat er nog zoiets als innerlijke drijfveren en een moreel kompas? Volgens hoogleraar Rob Martens heeft het neoliberale onderwijsbeleid een blinde vlek.
Ruim een jaar geleden voorspelde ik dat het gedoe over de Cito-toetsen zou blijven aanhouden. Omdat het namelijk al een heel lang een punt van debat is tussen onderwijshervormers en degenen die geloven in ‘afrekenende’ toetsen als een belangrijk instrument om de kwaliteit van onderwijs te verbeteren. En zolang beleidsmakers het fundamentele probleem van toetsing en de weerstand daartegen niet begrijpen, zal het gedoe onverminderd, jaar op jaar doorgaan, zo voorspelde ik.
Het probleem gaat echter verder dan alleen toetsen op de school zelf. Het gaat ook om de vergelijkingen tussen scholen op basis van toetsen, of bijvoorbeeld het circus rond de verkiezing van excellente scholen, waaraan sommige scholen in Noord-Brabant tot verbazing van de staatssecretaris weigeren deel te nemen. Er is namelijk een groep beleidsmakers die er oprecht van overtuigd is dat het de kwaliteit bevordert als je heldere criteria hanteert en transparant laat zien hoe iedereen in het onderwijs (leerling, leraar, school, onderwijssector, of zelfs het hele land in een internationale vergelijking) scoort. Daarnaast is er een ongeveer even grote groep mensen die hardnekkig blijft beweren dat dit doorgeslagen en zelfs schadelijk is.