De wooncrisis is een mensenrechtencrisis

De kern van de wooncrisis is dat het woonbeleid niet uitgaat van huisvesting als basisbehoefte en een grondrecht dat door de overheid moet worden gegarandeerd, maar van huisvesting als verdienmodel. Woningcorporaties verkochten tussen 2009 en 2020 ruim 236.000 woningen, eerst vooral aan de zittende huurders of starters, maar sinds 2015 steeds vaker aan beleggers. Het leidde in Amsterdam onlangs tot een nogal ongewoon voorstel van de gemeente, namelijk om zélf corporatiewoningen te kopen om te voorkomen dat deze in de vrije sector belanden. Vaak wijzen woningcorporaties naar de verhuurderheffing, de belasting op sociale huurwoningen, waardoor corporaties te weinig geld zouden overhouden voor nieuwbouw, onderhoud en verduurzaming. De corporaties dringen aan op afschaffing van de heffing, maar de verkoop begon dus al veel eerder. Zowel het afstoten van corporatiebezit als de verhuurdersvergunning zijn onderdeel van een langer lopend overheidsbeleid, door Cody Hochstenbach een ‘ideologisch project’ genoemd, om huisvesting over te hevelen naar de vrije markt. Dat heeft geleid tot tal van negatieve effecten. Eigenwoningbezit gesubsidieerd Eigenwoningbezit wordt sinds de jaren negentig door de overheid gepromoot als het hoogste ideaal en gesubsidieerd door tal van belastingvoordelen. Met alle gevolgen van dien: maatregelen zoals de hypotheekrenteaftrek, de belastingvrije schenking en recent de eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting, bedoeld om starters te helpen, stuwen zowel de woningprijzen als de hypotheken verder omhoog. Wie een koophuis bezit wordt vanzelf rijker, maar voor starters is het bijna onmogelijk geworden om zonder eigen vermogen (lees: rijke ouders) een woning te kopen. Een ander probleem in de wooncrisis is dat woningen voor investeerders interessant zijn geworden. Woningen zijn een langtermijninvestering zonder al te grote risico’s. In 2020 kochten investeerders maar liefst een derde van de woningen in de vier grote steden. Ook buitenlandse investeerders, die door onze laatste minister voor Wonen, Stef Blok (VVD), door een overheidscampagne naar onze woningmarkt zijn gelokt. Omdat huuropbrengsten niet wordt belast, is een tweede of derde woning om te verhuren ook voor kleine beleggers aantrekkelijk als een boterham voor later of een leuk extraatje. Tegelijkertijd ging de overheid steeds minder bescherming bieden aan huurders op de particuliere markt. Een deel van hen komt door strengere inkomenseisen niet meer in aanmerking voor sociale huur, hoewel zij zich ook niet redden op de particuliere markt. Bovenop de hoge huurlasten komt woononzekerheid: bijna de helft van de particuliere huurwoningen wordt voor tijdelijke verhuur aangeboden, zo bleek uit onderzoek vorig jaar. Hiervan profiteren de verhuurders, want zij kunnen bij elke nieuwe huurder de huurprijs verhogen. De benarde positie van huurders bevestigt dat een huurwoning ‘weggegooid geld’ is, en een huurder dief van de eigen portemonnee. Sociaal vangnet Ondertussen is huisvesting door woningcorporaties weer een sociaal vangnet geworden, dat door de strengere inkomensregels alleen nog toegankelijk is voor de laagste inkomensgroepen. Dat was niet altijd zo. In 1901 stelde de Woningwet arbeiders in staat om met overheidssteun woningbouwverenigingen op te richten. Al snel moesten gemeenten bijspringen om woningen voor de allerarmsten te bouwen – het begrip ‘volkshuisvesting’ werd geïntroduceerd. Tijdens de wederopbouw en daarna de stadsvernieuwing ontwikkelden de gemeentelijke woningbedrijven zich echter tot de belangrijkste woningbouwers, voor de allerarmsten én voor de middenklasse. Tijdens de liberaliseringsgolf van de jaren tachtig werd bedacht dat de verantwoordelijkheid voor huisvesting aan de markt moest worden gelaten. Dat mondde uit in de financiële verzelfstandiging van de toenmalige gemeentelijke woningbedrijven in 1997 – voortaan noemden we ze woningcorporaties. Woningcorporaties verkochten een deel van hun woningen aan zittende huurders en starters, maar ook aan beleggers. Daarop moest ‘middenhuur’ worden gebouwd, voor mensen die niet in aanmerking komen voor de sociale sector maar ook niet kunnen kopen. Pas in 2013 werd de verhuurdersheffing ingevoerd. Volgens Cody Hochstenbach was de verhuurderheffing dan ook geen gewone bezuinigingsmaatregel maar past het in een lange trend van liberalisering van de woningmarkt. Na een reeks financiële schandalen en een parlementaire enquête naar de corporatiesector volgde de herziening van de Woningwet in 2015. Het rijk bedong dat woningcorporaties terug moesten naar hun ‘kerntaak’: het huisvesten van mensen met lage inkomens of bijzondere doelgroepen. En zo zijn we honderdtwintig jaar na invoering van de Woningwet in zekere zin weer terug bij af:  mensen moeten in principe zelf voor hun huisvesting zorgen, de overheid ontfermt zich alleen over de allerarmsten. Zoals alle sociale voorzieningen, is ook een sociale huurwoning van een recht tot een gunst verworden. Solidariteit ondermijnd Het overheidsbeleid ter promotie van het eigenwoningbezit heeft volgens sociaal geograaf Barend Wind geleid tot groeiende vermogensongelijkheid. Journalist Hans de Geus, die onlangs een boek over de wooncrisis schreef, ziet een ‘tweekastenmaatschappij’ ontstaan. De mensen die woningen bezitten en eigenwoningbezit kunnen doorgeven aan hun kinderen varen wel bij het beleid, maar de mensen die niet kunnen kopen komen er steeds bekaaider vanaf. Daar komt bij dat de strijd om woonruimte de solidariteit ondermijnt. Dat zien we in de hetze jegens scheefwoners (mensen die te veel verdienen voor een sociale huurwoning) die moeten plaatsmaken voor de ‘echte’ doelgroep – ook als zij de hoge particuliere huren niet kunnen betalen. Daarbij vergeten we voor het gemak hoeveel mensen tegenwoordig door flexibilisering van de arbeidsmarkt hun inkomen ook niet zeker meer zijn. We laten het gebeuren dat ouders met een bijstandsuitkering hun volwassen kinderen op straat zetten, uit vrees voor de ‘samenwoonkorting’. Daklozen moeten eerst ‘aan zichzelf’ werken voordat ze een dak boven hun hoofd krijgen – de Housing First-aanpak, waarbij daklozen eerst een huis krijgen, zet in Nederland maar mondjesmaat voet aan de grond. De VVD en het CDA, die medeverantwoordelijk zijn voor de inkrimping van de sociale voorraad, grijpen de woningnood aan om xenofobe standpunten te verkondigen: zij vinden het ‘oneerlijk’ dat statushouders voorrang krijgen op andere woningzoekenden. Recent werd bekend dat het woningcorporaties en gemeenten niet lukt om locaties te vinden voor de bouw van 20.000 flexwoningen, bedoeld voor starters, statushouders en mensen die tijdelijk een dak boven hun hoofd nodig hebben, vanwege verzet uit de samenleving. De wooncrisis zet burgers tegenover elkaar. In Den Haag verzette een buurt zich tegen de huisvesting van zestig dakloze mensen in een leeg verpleeghuis. In Tilburg stapten buurtbewoners naar de rechter om een ‘Polenhotel’ voor 700 arbeidsmigranten tegen te houden. Wie heeft het meeste recht op een woning: jongeren, ouderen, starters, particuliere huurders, mensen met beperkingen? De 11.000 statushouders die het komende half jaar moeten worden gehuisvest, de 36.000 daklozen, de naar schatting 250.000 arbeidsmigranten uit Oost- en Zuid-Europa die nu via hun werkgever worden gehuisvest maar die hun woonruimte verliezen zodra ze hun werk kwijtraken? Mensenrechtencrisis De dominante beleidsvisies - eigenwoningbezit als investering en sociale huur als gunst - hebben het zicht ontnomen op wat huisvesting in de eerste plaats is: een basisbehoefte. Om de wooncrisis op te lossen is het dan ook niet voldoende om meer woningen te bouwen, al gebeurt het nog zo slim, snel, tijdelijk of tiny. Een nieuwe minister voor Wonen gaat niet helpen, als die ondertussen onze huurwoningen aanprijst als beleggingsobjecten bij internationale investeerders. De terugkeer van een minister van Volkshuisvesting kan een eerste stap naar een oplossing zijn, maar alleen als diens visie op huisvesting fundamenteel wijzigt. De wooncrisis is namelijk in de eerste plaats een mensenrechtencrisis. Dat is de boodschap van de beweging Make The Shift onder leiding van Leilani Farha, voormalig Speciale Rapporteur voor huisvesting van de Verenigde Naties. Als overheden zich onvoldoende inzetten voor adequate huisvesting voor iedereen, dan schenden zij het recht op wonen. En daarbij gaat het om meer dan het tegengaan van dakloosheid en huisuitzettingen. Erken huisvesting als een grondrecht, zei ook het Europarlement in januari tegen overheden, en beperk de financiële activiteiten die het recht op huisvesting ondermijnen. Er moet niet alleen voldoende beschikbare woonruimte zijn, maar ook de betaalbaarheid, kwaliteit en woonzekerheid moeten worden gegarandeerd. De Rotterdamse wethouder Wonen zei vorig jaar: “Een inclusieve stad is óók voor starters, middeninkomens die groter willen wonen of voor wie een penthouse wil.” Het recht op wonen vereist inderdaad dat de overheid woonruimte voor iedereen garandeert. Maar de overheid moet daarbij wel bijzondere aandacht hebben voor de aanzienlijke groep mensen die onvoldoende inkomen heeft om op de particuliere markt een woning te huren of kopen. Mensen die een penthouse kunnen betalen, zullen geen moeite hebben om huisvesting te vinden, ongeacht of er voldoende penthouses beschikbaar zijn. Maar omgekeerd zullen mensen met weinig inkomen wél moeite hebben om huisvesting te vinden als er onvoldoende betaalbare woningen zijn. Woonbeleid dat gebaseerd is op huisvesting als grondrecht, zoals waar de Rotterdamse actiegroep Recht op de stad voor pleit, heeft per definitie veel aandacht voor het garanderen van betaalbare huisvesting voor mensen met relatief weinig inkomen. Zulk woonbeleid ziet betaalbare en sociale huur (of sociale koop) niet als onaantrekkelijke of onrendabele woonvorm, of als gunst voor de allerarmsten, maar als een verworvenheid van een rijk land dat het recht op huisvesting voor alle inwoners garandeert. Alleen vanuit die gedachte zal het lukken om de wooncrisis bij de wortels aan te pakken. -- Dit artikel is een bewerkte versie van een opinieartikel dat op 14 mei in het NRC verscheen. De auteur is mede-initiatiefnemer van Recht op de stad.

Door: Foto: lO rEs (cc)
Foto: 2020 Belarusian protests — Minsk, 4 October Homoatrox, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

Honderd dagen protest in Wit-Rusland

ELDERS - Een gastbijdrage van Ardy Beld

Na de gefalsificeerde verkiezingsuitslag van 9 augustus 2020 ging de bevolking in Wit-Rusland massaal de straat op om te demonstreren tegen het autocratische regime van Aleksandr Loekasjenko. Door het extreme politiegeweld en de vele arrestaties zijn de demonstraties met honderdduizenden deelnemers langzaam veranderd in kleinere lokale protestacties. Joeri Stylski, muzikant uit Brest: ‘Ik werd in de herfst uitgenodigd te spelen in een woonwijk. Er waren veel gezinnen met kinderen. ‘s Middags voerde een theatergroep een stuk op. ’s Avonds speelde ik een paar nummers toen iemand riep: “De jutten zijn er, snel weg!” Een van de bewoners verstopte me in zijn appartement net zolang tot ze weer vertrokken was. Natuurlijk wisten die me sowieso te vinden. De politieafdeling voor georganiseerde criminaliteit dwong me een protocol te ondertekenen waarin ik verklaarde dat ik niet meer zou optreden. Sindsdien hebben we alleen nog maar live streams gedaan.’

Dat verzet tegen de staat niet altijd zo goed afloopt, bleek op 11 november 2020 in Minsk toen ’s avonds laat zes gemaskerde mannen en drie vrouwen arriveerden op het in de volksmond genoemde ‘Plosjtja peremen’ (plein van de veranderingen) afgeleid van het lied ‘Chotsjoe peremen!’ (ik wil veranderingen) van de in de Sovjet-Unie populaire underground zanger Viktor Tsoj (1962 – 1990). Het plein stond bekend om zijn illegale concerten, lezingen en oppositionele muurschilderingen en vlaggen. De groep van ‘tihari’ (stillen) begon voor de zoveelste maal wit-rood-witte linten af te knippen, toen Roman Bondarenko, een 31-jarige bewoner van een naburige flat, naar buiten kwam om te vragen wat ze aan het doen waren. Hierop ontstond een woordenwisseling en werd de ex-soldaat door de gemaskerden genadeloos geschopt en geslagen. Hij werd in coma naar het ziekenhuis gebracht. De volgende dag overleed Bondarenko aan zijn verwondingen. De organisatie BYPOL, bestaande uit ex-politiemannen die de kant van de oppositie hebben gekozen, stelde aan de hand van telefoongesprekken vast dat de groep vechtersbazen werd geleid door Dmitri Baskov, president van de Wit-Russische IJshockeyfederatie. Dmitri Sjakoeta, meervoudig internationaal kampioen thaiboksen, zou de fatale slagen hebben toegediend.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Quote du Jour | Spy on the poor

Landmark ruling by a Dutch court stops government attempts to spy on the poor. This is a clear victory for all those who are justifiably concerned about the existential threats digital government and digital welfare poses for human rights.

Aldus Philip Alston, VN-Special Rapporteur on extreme poverty and human rights, over de uitspraak van de Haagse rechtbank over SyRI, het geheime profileringsalgoritme waarmee de overheid uitkeringsfraude wil opsporen. Voor SyRI worden een groot aantal persoonlijke gegevens die de overheid heeft van haar burgers gekoppeld en met behulp van een (geheim) algoritme doorzocht op afwijkende patronen. De rechtszaak tegen de Staat was aangespannen door een collectief van burgerrechtenorganisaties en de FNV die de campagne ‘Bij Voorbaat Verdacht’ startten.

Foto: Joe Catron (cc)

President Duterte: ‘My job is to kill’

NIEUWS - Amnesty International vraagt de Verenigde Naties in te grijpen in de Filippijnen vanwege de voortdurende schending van mensenrechten en de straffeloosheid voor moorden in opdracht van de staat.

‘My job is te kill’ is de titel van een rapport van Amnesty gericht aan de VN over de situatie in de Filippijnen. Die titel is ontleend aan een uitspraak van president Duterte dit voorjaar op een bijeenkomst van lokale bestuurders: ‘Het is mijn taak mensen angst aan te jagen, te intimideren en te doden’.

Duterte is nu vier jaar aan de macht. Hij heeft een bloedbad gemaakt van zijn land waar politie en ongeïdentificeerde gewapende bendes naar willekeur en straffeloos kunnen moorden, zegt onderzoeker Rachel Chhoa-Howar. En dit is volgens haar geen toevallig bijproduct van zijn bestuur, maar het centrale kenmerk ervan. Wat Duterte noemt een ‘war on drugs’ gaat voor een belangrijk deel ook om tegenstanders van zijn regime.

Persvrijheid onder druk

De meerderheid van de slachtoffers komt uit de armste delen van de bevolking. De moorden worden verdoezeld door vervalste rapporten; en families van de slachtoffers die recht zoeken zijn hulpeloos vanwege overweldigende obstakels in de rechtsgang.

De persvrijheid staat onder grote druk zoals blijkt uit de vervolging van een van de belangrijkste critici van Duterte, de journalist Maria Ressa. Ze werd door Times vorig jaar uitgeroepen tot een van de honderde invloedrijkste mensen van het jaar. Onlangs veroordeelde een rechter haar tot celstraf vanwege smaad tegen een rijke Filippijnse zakenman die volgens een artikel op Ressa’s site Rappler betrokken was bij moord, drugshandel en mensensmokkel. Vorige week heeft het Europees Parlement met overgrote meerderheid een resolutie aangenomen waarin aandacht wordt gevraagd van de EU-vertegenwoordigers en ambassadeurs van de lidstaten voor de zaak tegen Ressa. De parlementariërs roepen op om haar alle nodige assistentie te verlenen bij haar proces.

Foto: Brian Evans (cc)

Mijnbouw versus mensenrechten en milieu

ACHTERGROND - In november 2018 werd de Filippijnse mensenrechtenadvocaat Benjamin Ramos vermoord. Saskia Harkema tekende het verhaal op van zijn echtgenote Clarissa die zijn strijd voortzet.

Op de 43e  zitting van de Mensenrechtenvergadering van de Verenigde Naties in maart 2020 ontmoette David Boyd, speciaal VN-verslaggever voor mensenrechten en milieu,  Clarissa  Ramos – echtgenote van wijlen Benjamin Ramos – van de  “Paghida-et  sa  Kauswagan” Development Group (PDG) van de Filippijnen (zie foto).

vlnr Clarissa Ramos, Eufemia Cullamat en David Boyd

Benjamin Ramos was een mensenrechtenadvocaat, oprichter van de National Union of People’s Lawyers (NUPL) en de secretaris-generaal van zijn afdeling in de provincie Negros Occidental. Hij was een bekende pleitbezorger voor boerenrechten en de directeur van de PDG, een niet-gouvernementele organisatie (NGO) die boeren in Negros bijstaat. Hij verleende pro-bono rechtsbijstand aan slachtoffers van mensenrechtenschendingen, de meest gemarginaliseerde groep in de Filippijnen. Hij stond onder meer de families van negen boeren bij, die omkwamen na een protest op een suikerrietplantage in Sagay in de provincie Negros. Op 6 november 2018 werd hij in de stad Kabankalan doodgeschoten door schutters op motoren.

Benjamins vrouw Clarissa Ramos zet zijn werk voort en treedt met vastberadenheid en toewijding in zijn voetsporen. In een recent interview in april 2020 beschrijft ze de situatie in de Filippijnen sinds haar man werd doodgeschoten. Hier is haar verhaal.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Overheid moet stoppen met SyRI

NIEUWS - Vandaag heeft de rechtbank in Den Haag uitspraak gedaan over de inzet van het algoritmesysteem SyRI (Systeem Risico Indicatie) door de overheid. De rechter besloot dat de overheid moet stoppen met het profileren van burgers met grootschalige data-analyse om fraude met sociale voorzieningen op te sporen. Nederlanders zijn niet langer ‘bij voorbaat verdacht’.

De rechtszaak tegen de Nederlandse Staat was aangespannen door een coalitie van maatschappelijke organisaties, bestaand uit het Platform Bescherming Burgerrechten, het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM), vakbond FNV, Privacy First, Stichting KDVP, de Landelijke Cliëntenraad en auteurs Tommy Wieringa en Maxim Februari.

Foto: amanda tipton (cc)

De zweetsokken van minister Sander Dekker

Waarom horen we zo weinig nieuws meer uit de gevangenissen en waarom doet minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker zo laconiek over de rechten van gedetineerden?

Net als de rest van Nederland ondervinden mensen in gevangenissen al ruim twee maanden de gevolgen van de coronacrisis. Voor hen geldt isolatie in het kwadraat: ze ontvangen geen bezoek meer, verloven zijn opgeschort en activiteiten binnen de muren beperkt. We horen echter steeds minder over wat er gebeurt in gevangenissen en hoe de coronamaatregelen door gedetineerden worden ervaren.

Zo was sprake van toenemende onrust in het Justitieel Complex Schiphol – waar eerder een arts besmet bleek – vanwege het toenemend aantal besmettingen, maar sinds het bericht van 1 mei over de tiende gedetineerde die positief testte is het stil. Volgens minister Dekker zijn er op dit moment veertien gedetineerden, verspreid over vier gevangenissen, besmet.

Monddood

Dat we zo weinig nieuws uit de gevangenissen horen komt volgens oud-gevangenisdirecteur Frans Douw omdat gedetineerden “monddood” worden gemaakt. Tegen de Volkskrant zei hij: “Dit gebrek aan transparantie klopt rechtsstatelijk van geen kant, dit is niet integer. Justitie spreekt van slechts veertien besmettingen, maar dat is voor niemand te controleren. Ook voor de Tweede Kamer niet.” Ook familieleden en advocaten van gedetineerden beklagen zich over het gebrek aan transparantie en tegenstrijdige verhalen.

Foto: Kiwi 3rd (cc)

Profileren van arme buurten is een bedreiging voor de mensenrechten

Op 29 oktober 2019 is de rechtszaak van het Nederlands Juridische Comité voor de Mensenrechten (NJCM) en andere burgerrechtenorganisaties tegen de Nederlandse Staat inzake risicoprofileringssysteem SyRI. De VN-Rapporteur op het gebied van extreme armoede en mensenrechten uit in een brief aan de rechtbank zijn zorgen over SyRI.

SyRI staat voor Systeem Risico Indicatie en is een digitaal risicoprofileringssysteem om uitkeringsfraude op te sporen. Voor SyRI worden een groot aantal persoonlijke gegevens die de overheid heeft van haar burgers gekoppeld en met behulp van een (geheim) algoritme doorzocht op afwijkende patronen. Een ambtenaar beslist vervolgens of er grond is voor verder onderzoek naar bijstandsfraude en andere misstanden (zie hier meer uitleg).

Een collectief van verschillende burgerrechtenorganisaties en de FNV heeft onder de naam ‘Bij Voorbaat Verdacht’ bezwaren geuit tegen SyRI en de Staat voor de rechter gedaagd. Er zijn in de afgelopen jaren verschillende pilots met SYRI geweest, maar afgelopen juli werd een project in twee Rotterdamse wijken afgelast door het college van B&W omdat de inzet van SyRI mogelijk in strijd is met privacywetgeving. Op Vers Beton betoogde dat ik dat de inzet van een geheim algoritme in arme wijken zoals in Rotterdam-Zuid (foto: Tarwewijk) ook om andere redenen getuigt van onethisch bestuur.

Quote du Jour | Voetballen op een kerkhof

Voetbal ís politiek. En voetballen in Qatar is voetballen op een kerkhof. Ze moeten zich kapotschamen.

In een column voor RTL Nieuws schrijft Olaf Koens waarom Ajax en PSV hun overwintering niet in Qatar hadden moeten doen.

Het mag bij iedereen ondertussen bekend zijn: De opbouw van de hele infrastructuur ten behoeve van het WK Voetbal in 2022 heeft tot nu toe de levens gekost van honderden gastarbeiders.

Quote du Jour | Dutch paradox

The paradox in the Netherlands is that insistence that equality and tolerance already exist operates as a barrier to achieving this equality and tolerance in fact, because the insistence makes it difficult to mobilize the resources and action necessary to ensure equality, non-discrimination and inclusion for all.

VN-rapporteur Tendayi Achiume, tevens hoogleraar Rechten aan de Universiteit van Californië in Los Angeles (UCLA), bracht maandag verslag uit van haar onderzoek naar racisme, xenofobie en intolerantie in Nederland. Op verschillende vlakken ziet ze positieve ontwikkelingen, maar er volgt ook een lange lijst van kwesties die laten zien dat Nederland toch echt niet zo gelijk en tolerant is, waaronder de ‘boerkaban’, etnisch profileren en politiegeweld, discriminatie op de woning- en arbeidsmarkt, de oververtegenwoordiging van groepen in het strafrecht, politieke representatie, de detentie van asielzoekers, rechten van statenlozen, de opkomst van rechts-nationalistisch-populistische politieke retoriek en, meer algemeen, de boodschap in het publieke debat en soms ook beleid dat de ‘echte Nederlander’ wit en van westerse afkomst is.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Lezen: De wereld vóór God, door Kees Alders

De wereld vóór God – Filosofie van de oudheid, geschreven door Kees Alders, op Sargasso beter bekend als Klokwerk, biedt een levendig en compleet overzicht van de filosofie van de oudheid, de filosofen van vóór het christendom. Geschikt voor de reeds gevorderde filosoof, maar ook zeker voor de ‘absolute beginner’.

In deze levendige en buitengewoon toegankelijke introductie in de filosofie ligt de nadruk op Griekse en Romeinse denkers. Bekende filosofen als Plato en Cicero passeren de revue, maar ook meer onbekende namen als Aristippos en Carneades komen uitgebreid aan bod.

Volgende