Een ‘spionerend’ Kamerlid – en dan?

van Rowin Jansen Onlangs vond in de Duitse Bondsdag een fel debat plaats over de relatie tussen Rusland en Alternative für Deutschland (AfD). Eerder had de Duitse geheime dienst de AfD al bestempeld als rechtsextremistisch. Nu klonk van verschillende kanten het vermoeden dat leden van de AfD-fractie handelden in opdracht van Rusland. Harde verwijten als “landverraad”, “useful idiots” en “het Trojaanse paard van het Kremlin” vielen. De kwestie was aan het rollen gekomen door de deelstaatminister van Binnenlandse Zaken in Thüringen, die AfD’ers openlijk verdacht van spionagepraktijken. De AfD-parlementariërs stelden hem namelijk steeds heel specifieke vragen over gevoelige veiligheidsthema’s. “Het wekt de indruk dat de AfD een Kremlin-bestellijst afwerkt’, aldus de deelstaatminister. [1] Deze kwestie staat niet op zichzelf. In 2023 bleek dat het Belgische parlementslid van Vlaams Belang Frank Creyleman als informant had opgetreden van de Chinese geheime dienst. Een jaar later stelden journalisten dat diens partijgenoot Filip Dewinter hetzelfde zou hebben gedaan en klonken er beschuldigingen aan het adres van een AfD’er wegens het aannemen van Russisch geld. Tsjechische inlichtingenbronnen onthulden indertijd dat politici uit Duitsland, Frankrijk, Polen, België en Hongarije geld ontvingen uit Moskou. Ook enkele Nederlandse politici van Forum voor Democratie (FVD) en Partij voor de Vrijheid (PVV) zouden zijn betaald voor pro-Russische propaganda, zo is in de media wel gesuggereerd. [2] Weer wat later bleek er binnen het Europees parlement te zijn gespioneerd voor onder meer China, Rusland, Hongarije en Qatar. Deze problematiek speelt bovendien niet alleen in Europa. Ook in Australië en Nieuw-Zeeland kwamen recent verschillende spionagezaken in het nieuws, waaronder een ‘agressief’, vanuit het buitenland aangestuurd, spionnennetwerk dat onder de codenaam ‘A-team’ opereerde onder parlementariërs.[3] Voor alle helderheid: deze in de media geuite vermoedens zijn nooit officieel bevestigd. Dit soort berichten keert echter zo vaak terug, dat spionage en ongewenste buitenlandse beïnvloeding als reële risico’s moeten worden beschouwd – ook binnen de kring van Kamerleden. De huidige geopolitieke turbulentie en de opmars van autocraten geven extra reden tot zorg. Parlementariërs zijn om meerdere redenen namelijk een aanlokkelijk doelwit: zij beschikken over politieke macht, toegang tot (staats)geheime informatie en kunnen een podium bieden voor autocratische ideeën. Spionage en ongewenste buitenlandse beïnvloeding kunnen dan verschillende vormen aannemen, van het fungeren als spreekbuis voor een buitenlands regime tot het doorsluizen van gerubriceerde documenten. Zulk handelen is laakbaar, potentieel gevaarlijk en mogelijk ook strafbaar. Waakzaamheid is dus geboden. Maar hoe zoiets nu te onderkennen en te bestraffen? Daarover is nog weinig nagedacht. Wat betreft het heimelijk doorsluizen van geheimen lijkt naar geldend recht het volgende (on)mogelijk. Inlichtingenonderzoek en strafvervolging Vermoedens van spionageactiviteiten door parlementariërs kunnen op verschillende manieren rijzen. Niet zelden gebeurt dat via de media, zoals de genoemde voorbeelden laten zien. Het is ook denkbaar dat de Nederlandse geheime diensten – AIVD en MIVD – tijdens een inlichtingenonderzoek op dergelijke activiteiten stuiten. Zoiets raakt immers de nationale veiligheid. Als er politici in het geding zijn, zullen de diensten in hun verdere onderzoek echter grote terughoudendheid betrachten, al was het maar om het verwijt van inmenging in de politiek te voorkomen. Wel is er soms een ‘awareness-gesprek’ mogelijk. Zo is bekend dat Thierry Baudet in 2020 door de AIVD is gewaarschuwd dat zijn partij en hijzelf benaderd zouden kunnen worden door Russische agenten. [4] Onder voorwaarden mogen de diensten met het openbaar ministerie informatie delen voor een strafrechtelijk onderzoek. Een zogenoemd ‘ambtsbericht’ kan resulteren in een vervolging voor verschillende delicten. Het openbaar ministerie kan daartoe uiteraard ook op basis van eigen onderzoek overgaan. Het compromitteren van (staats)geheime informatie was van oudsher al strafbaar en kan leiden tot jarenlange gevangenisstraf. Datzelfde geldt voor omkoping. Even geleden is een nieuw spionagedelict ingevoerd. Op grond van artikel 98d van het Wetboek van Strafrecht is het nu ook strafbaar om, kort gezegd, in het geheim gevoelige informatie te delen met een buitenlands regime. Tijdens de parlementaire behandeling van dat nieuwe delict schetsten senatoren het volgende scenario: “als een parlementslid dat goede contacten onderhoudt met de regeringsleider van Hongarije tijdens een besloten diner bij hem thuis zich laat ontvallen dat hij heeft gehoord dat er voornemens zijn om Oekraïne toe te staan Nederlands gevechtsmaterieel in te zetten op Russisch grondgebied, handelt dit parlementslid dan in strijd met het nieuwe artikel 98d Sr?” [5] Het antwoord van de regering luidde bevestigend. Voor parlementariërs geldt weliswaar de strafrechtelijke immuniteit van artikel 71 Grondwet, maar alleen voor hetgeen zij in het parlement zeggen of daar schriftelijk inbrengen. Alles daarbuiten kan aanleiding geven tot vervolging. Voor de vervolging van ambtsdelicten is de drempel echter hoog. De speciale procedure van artikel 119 Grondwet geldt dan. De betreffende politicus zal voor de Hoge Raad moeten terechtstaan in eerste en enige aanleg. De vervolgingsbeslissing moet worden gegeven door het parlement of de regering, en is daarmee een politieke kwestie. Deze stokoude procedure is, in de woorden van de commissies-Prinsjesdagstukken (2010), -Schouten (2016) en commissie Fokkens (2018), ‘in de praktijk onbegaanbaar’ en ‘een mission impossible’ gebleken. Tot een succesvolle vervolgingspoging kwam het nooit. Men zou kunnen denken dat de hier bedoelde spionagehandelingen kwalificeren als een ambtsdelict. Dat kan, maar dat hoeft niet per se zo te zijn. Er zijn – in theorie – enkele scenario’s waarin een Kamerlid wel strafbaar handelt, maar geen ambtsdelict begaat. Denk aan het doorspelen van gevoelige informatie die is verkregen via contacten in de hogere diplomatieke echelons of als lid van een raad van toezicht van een militair kenniscentrum. Het openbaar ministerie kan in dat soort gevallen wél zelf tot vervolging besluiten. Voor al het overige vormt artikel 119 Grondwet een sta-in-de-weg. Parlementsrechtelijke maatregelen Kan het parlement ook zélf iets doen om zijn gelederen schoon te houden? Jazeker, maar ook daar zitten haken en ogen aan. Als een Kamerlid vertrouwelijke informatie openbaart tijdens een vergadering, is er bar weinig mogelijk. De voorzitter kan dan wel ingrijpen met ordemaatregelen (als hij de doorbreking van geheimhouding al weet te signaleren), maar dan is het kwaad al geschied. Als een Kamerlid buiten de vergadering vertrouwelijke informatie doorspeelt naar een buitenlands regime overtreedt hij het Reglement van Orde en de Gedragscode. In het uiterste geval kan dat leiden tot een schorsing van maximaal één maand. Op een andere grondslag is het ook mogelijk om een Kamerlid een tijdlang uit te sluiten van deelname aan commissievergaderingen en van bepaalde informatiestromen. Dat laatste kan zelfs voor de rest van de zittingsduur. Punt is echter: de oplegging van deze maatregelen vereist een meerderheidsbeslissing. Serieuze consequenties Toen fascistische en communistische politici in de jaren dertig aan populariteit wonnen, speelden staatscommissies en rechtswetenschappers met het idee voor een aanvullende procedure om, langs politieke weg, een Kamerlid uit zijn ambt te kunnen zetten wegens schending van de geheimhoudingsplicht. Zover kwam het echter nooit. De strafrechtelijke aansprakelijkheid en de interne ordebevoegdheden volstonden toch om Kamerleden die over de schreef gaan in toom te houden? Anno 2025 valt dat nog maar te bezien. Juridisch is er wel het nodige in stelling te brengen tegen een ‘spionerend’ Kamerlid. Maar in veel gevallen zal een politieke meerderheid daaraan moeten meewerken en die is vandaag de dag geenszins verzekerd. Deze conclusie is onontkoombaar, maar ook onbevredigend. Wat mij betreft zouden stevige sancties bij spionage een realistische optie en niet slechts een theoretische mogelijkheid moeten zijn. Een parlementariër vervult een voorbeeldfunctie. Juist vanwege zijn rol in het hart van de democratie mag van hem onberispelijk gedrag en loyaliteit worden verwacht. Misbruik van deze bijzondere positie om buitenlandse belangen te dienen, mag dan ook niet zonder serieuze consequenties blijven. Dit artikel verscheen eerder bij het Montesquieu Instiyuut. Rowin Jansen is universitair docent Nationale veiligheidsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Een uitgebreidere juridische analyse van deze problematiek is onlangs gepubliceerd in Ars Aequi. Lees hier de bijdrage van Rowin Jansen in Ars Aequi. Noten: [1] Zie o.a. Nos.nl: Duitse partijen verdenken Afd openlijk van spionage voor Rusland [2] Zie o.a. Nos.nl: Russische connecties rond Baudet geen geheim meer toch een zorg en Nu.nl/politiek/: Kabinet en AIVD zeggen niets over mogelijke omkoping Nederlandse politici en De Volkskrant: Kamer staat machteloos in ‘politieke Wie-is-de-Mol?’ rond Russische inmenging [3] Zie o.a. BBC News: Australia: Former politician became foreign agent, nation's spy boss says en The Economist: An Australian spy chief triggers a debate about china [4]Zie o.a. Nos.nl: Baudet werd door AIVD gewaarschuwd voor Russische spionnen [5] Kamerstukken I 2024/25, 36280, D, p. 2

Door: Foto: Spion in Tweede Kamer - gegenereerd met ChatGTP
Foto: "Vraagtekens bij uitspraken Mona Keijzer" by Roel Wijnants is licensed under CC BY-NC 2.0

Over de eed/belofte, de Grondwet en constitutionele hoffelijkheid

COLUMN - van Aalt Willem Heringa

Minister Mona Keijzer van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werd geconfronteerd met een negatief advies van de Raad van State (RvS) over haar wetsvoorstel om te verbieden dat voorrang wordt gegeven aan statushouders bij de toekenning van huurwoningen. Het argument van de RvS was gebaseerd op artikel 1 van de Grondwet: het gelijkheidsbeginsel.

Kort gezegd was het argument van de RvS dat statushouders in een andere positie verkeren dan nationale ingezetenen, omdat zij geen inschrijfduur hadden kunnen opbouwen en daardoor op achterstand blijven staan als zij geen voorrang krijgen. Kortom, ongelijke gevallen die verlangen dat ze ongelijk worden behandeld. Het advies was om het voorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen.

Met zo’n advies moet je als minister, en ook als kabinet, iets. In de eerste plaats omdat een minister een eed/belofte heeft afgelegd waarin onder meer trouw aan de Grondwet.

In de tweede plaats omdat het de RvS is die in ons bestel als Hoog College van Staat de Grondwet interpreteert en beoordeelt of deze in voorgestelde wetgeving wordt geschonden. Dat is een belangrijke rol omdat – tenzij de Staten-Generaal ingrijpen – een rechter een eenmaal aangenomen wet niet meer mag toetsen aan de Grondwet. Daarmee is die voorfase van het advies uiterst belangrijk, om ongrondwettelijke misstappen te voorkomen.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: Haberdoedas on Unsplash

Artikel 90 Grondwet: Grondwettelijke plicht tot actie in het Israëlisch-Palestijnse conflict

ANALYSE - door Otto Spijkers

Artikel 90 van onze Grondwet (Gw) bepaalt dat “de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert.” In deze bijdrage ga ik in op de betekenis en relevantie van deze constitutionele opdracht, in het bijzonder voor de verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering om het respect voor de internationale rechtsorde te bevorderen binnen de context van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Ik begin met een bespreking van de strekking van dit wetsartikel en kijk daarna hoe het in het huidige maatschappelijke en politieke debat wordt aangehaald. Zie over ditzelfde onderwerp trouwens ook het recent verschenen artikel van Leonard Besselink.

Artikel 90 Grondwet

Artikel 90 Gw is een opvallende bepaling. Tussen 1953 en 1983 was het, formeel gezien, de Koning die de taak had om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. Sinds de grondwetsherziening van 1983 ligt deze verantwoordelijkheid bij de regering. Nederland is bovendien het enige land ter wereld dat zijn regering via de Grondwet zo expliciet verplicht tot het bevorderen van de internationale rechtsorde. Maar wat betekent dat eigenlijk in de praktijk? Wat houdt die bevordering precies in, en hoe wordt van de regering verwacht dat zij daaraan invulling geeft?

Doordat artikel 90 vrij algemeen is geformuleerd, leent het zich niet goed voor directe werking of als basis voor een beroep bij de rechter. Dit blijkt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2004 in de zaak van de Vereniging van Juristen voor de Vrede (VJV) e.a. tegen de Staat der Nederlanden. In die zaak verzochten de eisers de rechter om de Staat te verbieden nog langer medewerking te verlenen aan militair geweld door (bondgenoten van) de Verenigde Staten (VS) tegen personen die in verband werden gebracht met de aanslagen van 11 september 2001. Volgens de eisers was dergelijk handelen niet alleen in strijd met het VN-Handvest, maar ook met artikel 90 Gw, omdat het geweld volgens hen onverenigbaar was met dwingende normen van het internationaal recht (jus cogens).

Foto: Blink O'fanaye (cc)

Het Tweede Amendement: bedoeld om Trump tegen te houden

Naar aanleiding van de massale protesten die uitbraken in Los Angeles tegen Trumps nieuwe federale immigratiebeleid, besloot de president om Nationale Garde zonder toestemming van gouverneur Newsom in de staat in te zetten. In één beweging commandeerde hij duizenden troepen om de protesten “in goede banen te leiden”, met als argument “het herstellen van nationale orde”. Opmerkelijk, omdat hij op andere vlakken, bijvoorbeeld abortus, juist hamert op het recht van staten de eigen boontjes te doppen.

Dit was de eerste keer in decennia dat een president zo openlijk en eenzijdig de bevoegdheden van een staat ondermijnde. Het wordt door velen gezien als een poging om staatssoevereiniteit te ondergraven met behulp van militaire macht – en precies dát is waar het Amerikaanse Tweede Amendement (tegenwoordig vaak afgekort tot ’the right to bear arms’) oorspronkelijk voor bedoeld was: niet als persoonlijk wapenrecht, maar als bescherming van de deelstaten tegen centralistisch machtsmisbruik.

Want je hoort het vaak: “Het Tweede Amendement geeft mij het recht om een AR‑15 te bezitten.” En net zo vaak gaat het niet over de context waarin dat amendement ooit werd geschreven. Dat is opmerkelijk, want wie even de moeite neemt om die erbij te halen, komt tot een verrassende conclusie: het Tweede Amendement ging hoogstwaarschijnlijk niet over het recht van individuele burgers om zichzelf te bewapenen, maar was bedoeld om acties zoals die van Donald Trump – het inzetten van troepen tegen staten – te voorkómen.

Lezen: Venus in het gras, door Christian Jongeneel

Op een vroege zomerochtend loopt de negentienjarige Simone naakt weg van haar vaders boerderij. Ze overtuigt een passerende automobiliste ervan om haar mee te nemen naar een afgelegen vakantiehuis in het zuiden van Frankrijk. Daar ontwikkelt zich een fragiele verstandhouding tussen de twee vrouwen.

Wat een fijne roman is Venus in het gras! Nog nooit kon ik zoveel scènes tijdens het lezen bijna ruiken: de Franse tuin vol kruiden, de schapen in de stal, het versgemaaide gras. – Ionica Smeets, voorzitter Libris Literatuurprijs 2020.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: Martijn Beekman - Het kabinet-Schoof in de Trêveszaal voorafgaand aan de ministerraad., via Tweede Kamer.

Eenheid van beleid: een grondwettelijke verplichting

ANALYSE - van van Prof.Dr. Joop van den Berg

Dat ministers lid zijn van de ministerraad en dus met één mond dienen te spreken, is sinds 1983 een grondwettelijk vereiste. In grondwetsartikel 45 staat immers: “De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid”. Maar, dit ‘homogeniteitsbeginsel’ is al veel ouder. Het werd voor het eerst vastgelegd in artikel 13 van het Reglement van orde voor de ministerraad (RVOMR) uit 1850. Daarin stond: “Geen lid zal tegen (een) besluit der meerderheid mogen handelen. Indien een lid het besluit in strijd acht met zijn verantwoordelijkheid, verwittigt hij hiervan den Raad, opdat deze overwege, wat te doen zij”.

Behalve de negentiende-eeuwse formulering is er aan dat homogeniteitsartikel door de jaren heen weinig veranderd. In het huidige RVOMR staat immers in art. 12: “1. Indien een minister een besluit in strijd acht met zijn verantwoordelijkheid, geeft hij daarvan kennis aan de raad. 2. In geen geval handelt een minister of staatssecretaris tegen een besluit van de raad”.

De formulering is vrijwel identiek, de betekenis is sinds 1850 wel veranderd.

Thorbecke formuleerde art. 13 om duidelijk te maken dat de ministers voortaan bij meerderheid van stemmen zouden besluiten en als raad zouden optreden tegenover de Koning, die slechts kon tekenen of niet tekenen. Dat week af van wat tot dan toe gebruikelijk was. Tot 1850 immers leverden de ministers individueel hun oordeel bij de Koning in, zodat deze vrijelijk zou kunnen kiezen voor wat hem het beste leek. Thorbecke maakte daar een einde aan en verplaatste zodoende het zwaartepunt van de politieke besluitvorming van de Koning naar de verantwoordelijke ministers. De voorgeschreven eenheid was zijns inziens een rechtstreeks gevolg van de introductie (in 1848) van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid.

Foto: Dominik Bartsch (cc)

De rechtsstaat wereldwijd onder druk: hoe ziet haar zelfverdediging eruit?

De roep om ‘weerbaarheid’ klinkt steeds luider. In het regeerakkoord van het huidige kabinet komt het woord weerbaarheid 42 keer voor. Onder meer de Europese industrie, de energievoorziening, het onderwijs, burgers en de voedselvoorzieningsketen moeten weerbaarder worden. En de regering wil ‘weerbare instituties’ en ‘weerbaar bestuur’.

Als het gaat om de verdediging van de democratische rechtsstaat horen we op allerlei plekken steeds vaker het begrip ‘weerbare rechtsstaat’ opduiken. Zeker onder juristen. Een duidelijk concept van die weerbare rechtsstaat ontbreekt echter. Het is lang niet altijd helder waartegen bijvoorbeeld de rechtsstaat weerbaar moet zijn, en op welke manier.

En wat is die rechtstaat zelf dan eigenlijk? De weerbare rechtsstaat lijkt een wel heel brede paraplu: het kan wijzen op diverse vormen van ‘rechtsstatelijke zelfverdediging’ of ‘rechtsstatelijke innovatie’. ‘Weerbare rechtsstaat’ wordt dan wat Britse staatsrechtdenker Martin Loughlin een ‘slogan in search of a concept’ heeft genoemd.

In deze korte bijdrage laat ik zien hoe de weerbare rechtsstaat inhoud zou kunnen krijgen en een rol kan spelen bij het verdedigen van de democratische rechtsstaat. Ook ga ik dieper in op een vorm van die rechtsstatelijke weerbaarheid: de vangrails die de Grondwet ons kan bieden.

De verschillende facetten van de weerbare rechtsstaat

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: Vera de Kok, CC BY-SA 3.0 ,via Wikimedia Commons.

Het hoofdlijnenakkoord als nieuwe grondwet?

COLUMN, OPINIE - van Prof.Mr. Aalt Willem Heringa

Waarom een noodwet asiel waarmee het parlement op grote achterstand wordt gezet? Omdat dat zo in het hoofdlijnenakkoord staat blijkt het antwoord. Is er dan een noodtoestand? Ja, want dat staat in het hoofdlijnenakkoord, en in ieder geval ervaren de mensen dat zo. Daarmee lijkt in de ogen van het kabinet tog nog toe dat akkoord van hogere waarde en orde dan gezond verstand en de juridische regels.

Er is misschien wel een crisis, maar een crisis is niet hetzelfde als wat een noodtoestand in de zin van de Vreemdelingenwet (en andere wetgeving) is. Als alles wat we crisis noemen, en wat kiezers als zodanig ervaren, een noodtoestand is, kunnen we overgaan op noodwetgeving voor de zorg, huisvesting/wonen, en klimaat, of in het huidige kabinet de boeren.

Maar er was toch een afspraak over de rechtsstaat gemaakt tussen de vier coalitiepartijen? Inderdaad, maar het heeft er veel van weg dat het hoofdlijnenakkoord als van latere datum en van hogere orde wordt beschouwd. Het zou de premier sieren om ook voor die afspraken in deze context aandacht te vragen.

Maar, zo redeneren de PVV en haar ministers, afspraak is afspraak en die noodwet is nu eenmaal speerpunt van onze partij en opdracht van onze partijleider. En dat behoeft niet te verbazen: de PVV is een ledenloze partij waar Wilders wikt en beschikt. En kenmerk van autocraten is dat ze geen tegenspraak dulden en democratie alleen zien als middel om hun zin door te zetten. Dat de meerderheid van de kiezers niet op de PVV heeft gestemd is dan van ondergeschikt belang.

Foto: Gerard Stolk (cc)

Ontbinding van de Tweede Kamer en daarop volgende verkiezingen lossen niets op, integendeel!

OPINIE - door Rein Jan Hoekstra

Job Cohen deed rondom 2012 op een bijeenkomst van de PvdA voorzichtig de suggestie om ontbinding van de Kamer en het houden van tussentijdse verkiezingen niet als regel te hanteren. Een grote meerderheid verwierp deze suggestie krachtig met verwijzing naar De Nacht van Schmelzer.

Na de val van het kabinet-Cals in die nacht vonden geen verkiezingen plaats, maar werd het kabinet-Zijlstra gevormd met de taak ontbinding van de Tweede Kamer te bevorderen maar inmiddels wel een aantal noodzakelijke maatregelen door te voeren. Dit kabinet kwam tot stand op basis van de in 1963 gekozen Kamer. In eerst instantie, van 1963 tot 1965, trad het kabinet-Marijnen op. Vervolgens het Kabinet Cals-Vondeling en tenslotte het Kabinet Zijlstra. Dit alles met wisseling van coalitiepartner.

Kabinetten ven verschillende samenstelling op basis van dezelfde verkiezingen werden nadien niet meer wenselijk geacht. Wisseling van coalitiepartner zou alleen nog na nieuwe verkiezingen kunnen plaatsvinden; z.g. achterkamertjespolitiek moest worden vervangen door transparantie door middel van raadpleging van de kiezer.

In 1972 leidde dit ertoe dat na het vertrek van DS70 uit het kabinet-Biesheuvel er een kabinet kwam onder leiding van Biesheuvel dat nieuwe verkiezingen moest organiseren en inmiddels de noodzakelijke maatregelen moest treffen; dit kabinet had als missionair kabinet overigens wel een volwaardige taak. Hiermee werd het voorbeeld van het kabinet-Zijlstra gevolgd. En dat kabinet was weer in de leer geweest bij het rompkabinet-Beel. Dat kabinet was gevormd na de val van het laatste kabinet Drees in 1958.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Lezen: Venus in het gras, door Christian Jongeneel

Op een vroege zomerochtend loopt de negentienjarige Simone naakt weg van haar vaders boerderij. Ze overtuigt een passerende automobiliste ervan om haar mee te nemen naar een afgelegen vakantiehuis in het zuiden van Frankrijk. Daar ontwikkelt zich een fragiele verstandhouding tussen de twee vrouwen.

Wat een fijne roman is Venus in het gras! Nog nooit kon ik zoveel scènes tijdens het lezen bijna ruiken: de Franse tuin vol kruiden, de schapen in de stal, het versgemaaide gras. – Ionica Smeets, voorzitter Libris Literatuurprijs 2020.

Foto: Fibonacci Blue (cc)

Worden Nederlandse moslims bij wet tweederangsburgers?

‘De aanpassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap heeft de weg geplaveid voor de PVV om met een simpele uitbreiding van de Rijkswet niet alleen jihadisme te bestraffen, maar ook de Nederlandse nationaliteit in te trekken van in Nederland woonachtige moslims die zich niet houden aan de Nederlandse wet- en regelgeving.’ Dat schrijft Walter Palm, die 35 jaar als ambtenaar ministers adviseerde over het integratiebeleid.

Toen ik in 2019 mijn essay Het sluipend gif van islamofobie, 1989-2019 publiceerde kon ik niet bevroeden dat vier jaar later een islamofobe partij de grootste zou worden in Nederland. In paragraaf 4.3 van dit essay heb ik Geert Wilders als volgt gekarakteriseerd:

‘Hij is de grote verdediger van vrijheid van meningsuiting, maar hij wil ook de Koran verbieden’. ‘Bij de Algemene Politieke Beschouwingen op 17 september 2015 verweet hij de Tweede Kamer een nep-parlement te zijn, maar zelf heeft hij een nep-politieke partij waarvan hij het enige lid is’. ‘Wilders eist … respect voor de minderheid van de kiezers die voor hem gekozen hebben, maar betoont zelf geen respect voor de islamitische minderheid in Nederland’. ‘Hij noemt zijn partij de partij voor de vrijheid, maar hij ontzegt moslims vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs’. ‘De strakke organisatiestructuur van de PVV gaat uit van het ‘Führerprinzip’. Een sterke leider die in direct contact zou staan met het volk en die simplistische oplossingen aandraagt voor gecompliceerde vraagstukken. De sterke leider roept ontegenzeggelijk associaties op met vooroorlogse fascistische bewegingen’ ‘Op 29 januari 2016 sloeg hij dreigende taal uit: ‘Als ik straks de grootste ben en andere politici willen niet met mij samenwerken, dan zullen de mensen dat niet accepteren. Dan komt er een revolte. Wij laten dat niet gebeuren’’.

Foto: Afbeelding door de auteur gemaakt met Bing

Eigen volk eerst, dát is wat ze willen

OPINIE - een gastbijdrage van Ginny Mooy, eerder verschenen op haar eigen website.

“Je moet erboven staan. Je moet ERBOVEN STAAN!” Ik zie hem nog zo goed voor me, al is het nu meer dan drie decennia geleden. Zijn halflange, rode haar driftig wapperend, zijn knalrode wangen, hoeveel moeite hij moest doen om zijn stem kalm te houden, zijn hete adem in mijn gezicht. Zijn neusvleugels, wijd opengesperd, spraken boekdelen. Kalm was hij zeker niet. Maar ik kwam niet om hem heen, hij hield me vast, versperde me de weg, trok me terug als ik toch dreigde te ontsnappen. “JE MOET ERBOVEN STAAN!”

Daar stonden we, bij het houten bankje naast de zandbak tegenover mijn huis. Zijn kleine pupillen stonden strak op mij gericht, terwijl ik alleen maar naar dat bankje kon blijven staren. ‘Gin’ stond daar in mijn handschrift. Met een grote, dikke streep erdoorheen. En daaronder stond in koeienletters gekalkt: “GA TERUG NAAR JE EIGEN LAND.” Wáár moest ik boven staan? Ik wilde nergens boven staan. Daar verderop liep hij, mijn buurjongen, ik wilde hem vragen waarom, misschien wilde ik hem wel slaan, weet ik veel, gewoon de confrontatie aangaan. Maar ik mocht niet. Ik moest ‘erboven staan’. Nou was ik 12 en had ik geen idee wat dat betekende, maar ik wist genoeg. Meneer ‘erboven staan’ was 14 en mijn buurjongen 15. De angst was gewoon te ruiken en het was niet de mijne.

Volgende