Ras, gender en het centrale dogma van de taalkunde

Er woedt een belangrijke maatschappelijke discussie over taal waarover je maar weinig taalkundigen hoort in het publieke domein: de discussie over hoe we allerlei identiteiten benoemen – discussie over wit tegenover blank, over slaafgemaakte, over non-binair taalgebruik, enzovoort: over de vraag in hoeverre de taal moet worden aangepast aan een veranderende sociale werkelijkheid. Een reden waarom je er zo weinig taalkundigen over hoort, heeft volgens mij te maken met wat ik beschouw als het centrale dogma van de taalwetenschap, iets waarover vrijwel alle taalkundigen het, ondanks enorme verschillen op allerlei gebied, eens zijn: Het centrale dogma van de taalwetenschap. Taal is een natuurlijk fenomeen. Ze verandert voortdurend, maar het is niet mogelijk om haar te veranderen. Het centrale dogma gaat in tegen de manier waarop de meeste niet-taalkundigen taal zien: als een cultuurproduct, een instrument dat we hebben gemaakt, en dat je als liefhebber van de traditie liever niet maar als pragmaticus liever wel verandert. Volgens het centrale dogma zijn huidige pogingen om bijvoorbeeld genderneutrale taal in te voeren, vrijwel zeker tot discussie gedoemd. En veel meer dan dat valt er volgens dat dogma dan ook niet over te zeggen. De taalwetenschap heeft overigens ook veel te danken aan het centrale dogma. Het is de grondslag van het relatieve succes van het vak in de afgelopen twee eeuwen – de visie dat je taal kunt zien als iets dat op de een of andere manier onderhevig is aan natuurwetten heeft tot veel resultaten geleid. De menselijke wil met al zijn grilligheid heeft er niet zoveel mee te maken. Het is trouwens ook echt lastig om voorbeelden aan te wijzen waar de taal veranderd is omdat de taalgebruikers dat beter vonden, vooral als je meeneemt dat soms autoriteiten natuurlijk invloed kunnen hebben op hoe mensen in het openbare leven spreken, maar dat de meeste taal in kleine kring of de beslotenheid van het eigen huis wordt gebruikt. Al niet meer Hoe dan ook is het heel jammer dat taalkundigen uit dit alles de conclusie trekken dat ze zich niet met deze discussie bemoeien. Er valt genoeg te onderzoeken aan de hele kwestie, maar vooral: de stem van de wetenschap wordt gemist in deze discussie, die tot nu toe vooral wordt gevoerd door mensen die hun sterke gevoelens laten horen – gevoelens dat je door nieuwe voornaamwoorden op de een of andere manier bedreigd wordt in je vrijheid van meningsuiting, of juist gevoelens dat iedereen eigenlijk meteen over moet stappen op een nieuw systeem omdat de wereld anders fundamenteel verkeerd in elkaar zit. Vivien Waszink, taalkundige bij het INT, stapt met het boekje Dat mag je óók al niet meer zeggen in dat gat. De doorhaling maakt deel uit van de titel, want het is nadrukkelijk Waszinks bedoeling om beide kanten van het debat te laten zien, en dat doet ze wat mij betreft in een prettige toon: zakelijk en helder legt ze uit wat er zoal speelt rondom kwesties als het n-woord en het a-woord (allochtoon), de voornaamwoorden en de persoonsaanduidingen (autrice, vuilnisvrouw). Wie serieus en geïnformeerd aan deze discussies wil deelnemen, kan eigenlijk niet om Dat mag je óók al niet meer zeggen heen. Gebalanceerd Het wil niet zeggen dat Waszink geen stelling neemt. Haar uiteindelijke boodschap, die ze verwoordt in het laatste hoofdstukje, is dat die woorden in de titel inderdaad doorgestreept moeten worden. Je hoeft niet bang te zijn voor nieuwe taalvormen, want ze beperken je manier van praten niet, ze voegen vooral iets toe aan ons aller taalkundig repertoire. Oude manieren van spreken worden natuurlijk niet ‘verboden’, maar staan iedereen toch nog ter beschikking. Of dat veel mensen aan de flanken van de discussie overtuigt, weet ik niet. De een zal dit allemaal veel te toegeeflijk vinden – dingen moeten zo snel mogelijk veranderen –, anderen zullen juist denken dat Waszink de effecten van censuur en zelfcensuur negeert. Maar ik denk dat ze gelijk heeft en dat ze voor iedereen die niet aan die flanken zit, een goed, gebalanceerd oordeel aanreikt. Vivien Waszink. Dat mag je óók al niet meer zeggen. Verkrijgbaar bij Onze Taal, 2022.

Door: Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Gekker dan gek op natuurkunde

Walter Lewin heeft een dik boek geschreven over de natuurkunde. Of, dik, eh … Het is slechts 370 pagina’s, maar het papier is dik, en het is ruim gezet: zo’n 350 woorden per pagina. En een aantal verhalen staan er wel twee of drie keer in. Maar het resultaat is dat het als boek heel wat lijkt en dat het toch meevalt: er is goed door te komen en het wordt nergens te moeilijk. Het boek is dan wel van een echte hoogleraar van MIT, maar is bedoeld voor een breed publiek. Leken die er nog niets van snappen, jongeren die er nog niets van weten, ouderen die het niet zo goed hebben bijgehouden, lezers die de KIJK en de Quest al uit hebben, voor iedereen worden wel wat goed verteerbare hapjes gepresenteerd. Het wordt allemaal uitgebreid geïllustreerd in “Gek op natuurkunde” en het wordt smeuïg verteld. Zoals Matthijs van Nieuwkerk zei: “Zo’n college willen we allemaal wel.”

Lewin presenteert zichzelf dan ook als de allerbeste natuurkunde-professor ter wereld. De wereld, die immers toch wel door draait, spreekt dat niet graag tegen, net zo min als dat de wereld gniffelt over de enorme aandacht die wordt besteed aan het vertrek van Robbert Dijkgraaf naar Princeton. Wat is hier aan de hand? De laatste tijd lijken sommige wetenschappen, in het bijzonder de natuurkunde, te lijden aan ijdelheid en zelfingenomenheid. Ze zitten zich daar dan op de borst te trommelen als een stelletje trotse gorilla’s. Dat maakt veel indruk. Of is dat misschien bewust gestuurd beleid? Om er voor te zorgen dat er meer studenten komen naar de bètastudies, of om meer subsidies te kunnen vergaren? Mij overtuigt het in elk geval niet. Ik heb wel veel respect en sympathie voor de beroemde natuurkundigen uit vorige eeuwen, maar die van vandaag lopen vaak rond met het air van “wij zijn toch slimmer dan jullie”. Ik erger me eraan dat zij dat dan niet eens goed proberen te verbergen, maar er juist ongegeneerd mee koketteren.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: copyright ok. Gecheckt 10-02-2022

Remunicipalisation – twee stappen vooruit in het ontwikkelingswerk

Inleiding

Zoals Baron Von Munchhausen zich aan zijn eigen haren uit het moeras trok, zo wordt er al jaren door ontwikkelingswerkers en locale bevolking in allerlei landen en situaties gewerkt aan een nieuwe vorm voor de economie. In het Engels wordt dit soort werk omschreven als “remunicipalisation of community service providers”. Het gaat vooral om een vorm van arbeidsorganisatie waarin het dienen van het algemeen belang het belangrijkste richtsnoer is. Soms heet het zelfhulp, soms microkrediet, soms scholing en organisatie, soms dekolonisatie, soms emancipatie of empowerment, soms reorganisatie, soms counterparting of soms democratisering.

Deze moeilijk onder één noemer te vatten praktijken trekken de aandacht van onderzoekers. De wetenschappers en filosofen die het zien gebeuren kunnen het nog niet precies pakken, maar als ze goed gaan kijken blijkt het toch waar: er ontstaan reële alternatieven voor de westerse economonopoliae. Het begint zich af te tekenen hoe een nieuwe economie eruit zal moeten zien.

Twee boeken

Het Transnational Institute (TNI) en het Municipal Services Project (MSP) en het hebben onlangs op 22 maart 2012 twee boeken gepresenteerd waarin hun onderzoekers minutieus verslag doen van talloze situaties van over de hele wereld, waarin vooral aanvankelijk mislukkende private initiatieven (veelal een of andere vorm van community service provider of nutsbedrijf) toch met succes uit het moeras werden getrokken en succesvol werden teruggegeven aan de echte stakeholders, de municipality.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Good job, bad job

Arne Kalleberg‘s Good Jobs, Bad Jobs: The Rise of Polarized and Precarious Employment Systems in the United States, 1970s to 2000s is a very clear and detailed examination of the evolution of the labor market in the United States over the past 40 years, deepening the precarization conceptual framework presented in his 2008 ASA presidential address.

“Work in America has undergone marked transformations in the past four decades. Globalization and deregulation have increased the amount of competition faced by American companies, provided greater opportunities for them to outsource work to lower-wage countries, and opened up new sources of workers through immigration. The growth of  a ‘new economy’ characterized by more knowledge-intensive work has been accompanied by the  accelerated pace of technological innovation and the continued expansion of service industries as the principal source of jobs. Political policies such as the replacement of welfare by workfare programs in the 1990s have made it essential for people to participate in paid employment at the same time that jobs have become more precarious. The labor force has become more diverse, with marked increases in the number of women, non-white, older, and immigrant workers, and growing divides between people with different amounts of education. Ideological changes have supported these structural changes, with shifts towards greater individualism and personal accountability for work and life replacing notions of collective responsibility.

These social, political, and economic forces have radically transformed the nature of employment relations and work in America. They have led to pervasive job insecurity, the growth of dual-earner families, and 24/7 schedules for many workers. More opportunities for entrepreneurship and good jobs have arisen for some, while others still only have access to low-wage and often dead-end jobs. These changes in have, in turn, magnified social problems such as poverty, work-family conflicts, political polarization, and disparities by race, ethnicity, and gender. The growing gap between ‘good’ and ‘bad’ jobs represents a dark side to the booming American economy of the 1980s and 1990s; it has contributed to a crisis for the middle class in the United States in the past decade.” (1)

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Lezen: De wereld vóór God, door Kees Alders

De wereld vóór God – Filosofie van de oudheid, geschreven door Kees Alders, op Sargasso beter bekend als Klokwerk, biedt een levendig en compleet overzicht van de filosofie van de oudheid, de filosofen van vóór het christendom. Geschikt voor de reeds gevorderde filosoof, maar ook zeker voor de ‘absolute beginner’.

In deze levendige en buitengewoon toegankelijke introductie in de filosofie ligt de nadruk op Griekse en Romeinse denkers. Bekende filosofen als Plato en Cicero passeren de revue, maar ook meer onbekende namen als Aristippos en Carneades komen uitgebreid aan bod.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Onzekerheid troef? Het betwiste gezag van de wetenschap

Wat is het grootste probleem bij het tanende gezag van de wetenschap? Zijn dat de plagiaatfratsen van Karl-Theodor zu Guttenberg? Of zijn dat de cijferknutsels van Diederik Stapel? Nee, dit soort uitwassen zijn randverschijnselen. Schadelijk voor het vertrouwen in academisch onderzoek, dat wel, maar de oorzaak van het tanende gezag moet gezocht worden in de relatie tussen de wetenschap en politiek enerzijds en weldenkende burger anderzijds. Niet de wetenschapspraktijk moet veranderen, maar de communicatie over de resultaten moet transparanter. Wetenschappers zijn niet zo bezig met zekerheden, ze richten zich liever op de onzekerheden. Dat is voor wetenschapsvoorlichters en de media geen gemakkelijke boodschap om aan het publiek over te brengen.

Onzekerheid troef, het betwiste gezag van de wetenschap is een bundel artikelen onder redactie van Huub Dijstelbloem (verbonden aan de WRR en aan de leerstoelgroep Wetenschapsfilosofie van de UVA) en Rob Hagendijk (hoofddocent bij de afdeling Politieke Wetenschappen van de UVA). Tussen het inleidend hoofdstuk en de uitleiding vind je elf interessante bijdragen die tot het domein van de wetenschaps- en technologiestudies kunnen worden gerekend. Het idee voor de bundel is ontstaan tijdens een lezingenreeks aan de Universiteit van Amsterdam, de meeste auteurs traden daarin op als gastspreker.

Het meest overtuigend is de bijdrage van Annemarie Mol, zij houdt een pleidooi voor het afschaffen van de kilocalorie. Er is niets twijfelachtigs aan het wetenschappelijk onderzoek naar de energiebehoefte van mannen en vrouwen, maar in het dagelijks leven heb je er weinig aan. Mensen leven nu eenmaal niet in het lab, maar in een jungle van verleidelijke producten, kant-en-klaar uit de fabriek; bied daar als gewone sterveling maar eens weerstand aan. Kinderen leren tegenwoordig hoe ze etiketten moeten lezen in de supermarkt, maar het zou veel beter zijn om ze te leren koken met gezonde basisproducten.

Hoe Alexis de Tocqueville een einde maakte aan de armoede

In 1835, bijna 50 jaar na de Franse Revolutie en 50 jaar voor de stoomschepen het zouden winnen van de zeilschepen, schreef De Tocqueville zijn “Sur le paupérisme”. In 2011 verscheen een nieuwe Nederlandse uitgave met voor- en nawoord, in dezelfde serie waarin het veel actuelere “Neem het niet” van Stéphane Hessel is uitgegeven. Beide boeken vallen in de categorie maatschappijkritiek. Ik kocht na het lezen van een recensie en een tip op Sargasso eerder al het laatstgenoemde boekje, zocht naar meer en bespreek nu het boek van Alexis de Tocqueville.

De Tocqueville beziet de in de eerste helft van de vorige eeuw ontspruitende verzorgingsstaat met sympathie, maar tegelijkertijd met veel argwaan. Dat de hedendaagse VVD-er of PVV-er zich goed in de ideeën van De Tocqueville terug kan vinden is pijnlijk, maar we moeten er even doorheen bijten. Het hedendaagse voorwoord van Albert Jan Kruiter vat het gedachtengoed van De Tocqueville zo samen: “Ook omdat ambtenaren het moeilijk vinden om mensen een uitkering te ontzeggen. Daarom zijn veel te veel mensen afhankelijk van bijstand.

Hoe is het zo gekomen? Volgens De Tocqueville leefden de Indianen in het noorden van Amerika nog egalitair en maatschappelijk ongestratificeerd. Pas door de overvloed die landbouw en veeteelt na de middeleeuwen in Europa brachten ontstonden het feodalisme en de aristocratische smaak voor meer genoegens, rijkdom en luxe. Boeren en boerenknechten bleven relatief zeker van hun plaats in de maatschappij, maar de nieuwe arbeiders werden de dupe: zij zijn volstrekt onvermogend en afhankelijk van inkomen dat door allerhande oorzaken kan worden ingeperkt en door grote gebeurtenissen volledig kan verdwijnen. En dan lijkt De Tocqueville opeens vooruit te lopen op het Marxisme: “In de grote fabriek van de menselijke samenlevingen beschouw ik de industriële klasse als de klasse die van God de speciale en bijzondere missie heeft ontvangen om met alle risico voor zichzelf het materiële geluk van de anderen te verzekeren.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Een boeiend relaas van een mislukte terrorist

“Ik hou geen rekening met de mensen om me heen, het enige wat heilig is in mijn wereld is eigenbelang. Ik ben de duivel in mijn zelfgeschapen hel. En tegelijk is dit mijn paradijsje. Medelijden ken ik niet en haat is mijn eten. Het enige wat ik doe is overleven.”

Aan het woord is de “rotte-appel Marokkaan”, zoals hij zichzelf noemt, Yehya Kaddouri in zijn boek Lach met de Duivel. Hij werd op 27 september 2004 opgepakt wegens het voorbereiden van een aanslag op de Israelische ambassade in Den Haag en bedreigingen aan het adres van Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali. Hij was toen 17 jaar oud, bijna 18.

Hij was onlangs te zien in het programma Pauw & Witteman (zie onder), en ik denk dat weinig kijkers hem in bovengenoemde omschrijving van zichzelf herkend zouden hebben. Een charmante, intelligente en welbespraakte jongen, zo op het oog.

Maar zo kan het lopen als je op het verkeerde moment op de verkeerde plaats ter wereld komt, lijkt hij te willen zeggen. Kaddouri, kind van Marokkaanse ouders van de eerste generatie, groeide op in een dorp in Zeeuws-Vlaanderen. Echt gelukkig voelde hij zich pas tijdens de jaarlijkse vakantie in Marokko. “De reis terug was dan ook een reis van heimwee en verdriet”, schrijft hij. “Vaak regende het al als we België binnenreden.”

Helden van de lange afstand

In de periode tussen 1964/1972 en 1980 hadden België en Nederland zoveel toppers op lange afstanden, dat men zich in het buitenland afvroeg wat het geheim was van hun successen. Dat geheim is nooit gevonden en was er wellicht ook niet. Tenzij heel veel wilskracht, zeer harde training en sterke onderlinge concurrentie. Toegegeven: de echte opmars van de Afrikanen moest nog komen.

Ivan Sonck, prominent atletiekkenner sinds een kleine halve eeuw, selecteerde en interviewde er 12, een mooi Bijbels getal.

Hij begint bij Aurèle Vandendriessche. Tijdens de Olympische Spelen van Tokyo (1964) was zijn ochtendpols 31 slagen per minuut. Zijn begeleiding was primitief, de materiële beloning bijna nihil. Hij werkte voltijds, maar trainde toch nog 250 km per week, in alle weersomstandigheden. Elke dag ging hij om acht u naar bed en stond hij om vier uur op, om zijn eerste 30 km al te trainen. Op de Olympische Spelen liep het telkens fout, maar in Boston klopte hij Abebe Bikila en Mamo Wolde met resp. 6 en 12 minuten. Ondanks zijn gemiste kansen, is hij een gelukkig man.

De tweede in de rij is Miel Puttemans. Chronologisch hoort Roelants hier thuis, maar Sonck koos voor afwisseling. Puttemans had wel de nodige faciliteiten en perfecte begeleiders, o.a. Mon Vanden Eynde, die ook Roelants begeleidde en die hoge kwaliteit verkoos boven kwantiteit. Puttemans was een man van veel wereldrecords (16) en heel veel wedstrijden, maar het Olympisch goud was voor Viren en anderen. Zijn duels met Bedford en Viren waren indrukwekkend.

Lezen: Mohammed, door Marcel Hulspas

Wie was Mohammed? Wat dreef hem? In deze vlot geschreven biografie beschrijft Marcel Hulspas de carrière van de de Profeet Mohammed. Hoe hij uitgroeide van een eenvoudige lokale ‘waarschuwer’ die de Mekkanen opriep om terug te keren tot het ware geloof, tot een man die zichzelf beschouwde als de nieuwste door God gezonden profeet, vergelijkbaar met Mozes, Jesaja en Jezus.

Mohammed moest Mekka verlaten maar slaagde erin een machtige stammencoalitie bijeen te brengen die, geïnspireerd door het geloof in de ene God (en zijn Profeet) westelijk Arabië veroverde. En na zijn dood stroomden de Arabische legers oost- en noordwaarts, en schiepen een nieuw wereldrijk.

De stinkende scharrelpapegaai

Lucas Wenniger schreef het boek De stinkende scharrelpapegaai. Hierbij een voorproefje.

De kakapo is een bizar beest. De kakapo stinkt. Hij kan niet vliegen. Hij heeft een plompgroen pluizig lijf, waardoor hij eruitziet als een gevederde theemuts. Hij stapt statig door de bossen, vorsend rondkijkend met de kraaloogjes boven zijn gedecideerde snavel. Hij is extreem zeldzaam: de vogel is op 129 dieren na uitgestorven.

Deze sympathieke scharrelpapegaai is de groene draad door dit boek. Hij neemt u mee op een verkenningstocht door de meest obscure uithoeken van de biologie.

Hoe kan het dat evolutie ooit zo’n onhandige, aan de grond gekluisterde tweevoeter heeft opgeleverd? Waarom is die stinkende scharrelpapegaai niet al duizenden jaren gele­den uitgestorven? En belangrijker: heeft de kakapo nog een kans om te overleven, of laat de evolutie hem nu echt in de steek?

Dit boek is een ontdekkingstocht in vijf delen, waarbij ie­der deel naast de geschiedenis van de kakapo ook het verhaal van andere opvallende beesten vertelt. De tocht begint met een paar van de meest bizarre aanpassingen die het product zijn van vier miljard jaar evolutie, zoals de blindheid van de grotzalm en de onverwoestbare natuur van het beerdiertje. In het tweede deel volgt de kracht van natuurlijke selectie, geïl­lustreerd door onder andere de buidelduivel en de fopmier. De rivierdolfijn, de pangolin en andere soorten laten in het deel daarna zien hoe de evolutionaire dood ze in de ogen staart, en deel vier toont hoe voor bijvoorbeeld het creatieve lieveheersbeestje een winnaarsfase in zijn bestaan aanbreekt. Het slotdeel blikt vooruit, naar de hobbels die de evolutie nog niet genomen heeft.

De dichter en de dood

Voor het eerst is in Nederland een boek verschenen met alle gedichten van de Argentijn Jorge Luis Borges (1899-1986). Op de linkerpagina het Spaanse origineel en op de rechter de vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Omdat mijn eigen Spaans gebrekkig is, wil ik de vertalers bescheiden mijn compliment geven; ik kan over de Nederlandse versies alleen zeggen dat ze boeiend zijn en vaak niet onderdoen voor originele Nederlandse gedichten.

Borges was een Argentijn. Het grootste deel van zijn kindertijd bracht hij door in Europa. Toen hij als jonge man met zijn ouders terug kwam in Argentinië, schreef hij enkele bundels gedichten om zijn geboorteland te bezingen. De bundels verschenen in de jaren twintig van de vorige eeuw. Toen zijn jonge jaren voorbij waren was het op, zoals dat bij dichters vaak gebeurt.

Maar laat in zijn leven begon hij opnieuw. Zelf vond Borges dat in zijn vroege gedichten de kiemen aanwezig zijn van zijn late. Er was echter in Borges’ leven iets beslissends gebeurd: hij was blind geworden, Misschien daardoor, of misschien door het ouder worden, zijn de latere gedichten filosofischer dan de vroege, al zijn ze nog levendig en zintuiglijk genoeg.

Alle dingen in Borges’ gedichten zijn op hun eigen manier vergankelijk. Wat hij ook als onderwerp neemt, een bloem, zichzelf, iemand anders- hij legt er de tijdelijkheid van bloot, niet alleen van het ding zelf maar van ieder spoor, iedere herinnering die het achterlaat. Je zou kunnen denken: dit is dus de zoveelste dichter die alsmaar melancholiek aan het klagen is. Maar zo simpel ligt het niet. Als je bij Borges al van melancholie kunt spreken, is het een soort omgekeerde, opgewekte melancholie. Dat we allen moeten sterven vond Borges juist een zegen voor de mensheid. In het prozagedicht Drietal (blz. 1093) spreekt hij, een jaar voor zijn dood, van

Lezen: Het wereldrijk van het Tweestromenland, door Daan Nijssen

In Het wereldrijk van het Tweestromenland beschrijft Daan Nijssen, die op Sargasso de reeks ‘Verloren Oudheid‘ verzorgde, de geschiedenis van Mesopotamië. Rond 670 v.Chr. hadden de Assyriërs een groot deel van wat we nu het Midden-Oosten noemen verenigd in een wereldrijk, met Mesopotamië als kernland. In 612 v.Chr. brachten de Babyloniërs en de Meden deze grootmacht ten val en kwam onder illustere koningen als Nebukadnessar en Nabonidus het Babylonische Rijk tot bloei.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Volgende