COLUMN - Een heel jaar lang ben ik ermee bezig geweest, in de trein op weg van en naar mijn werk: een beginnerscursus spijkerschrift. Nou ja: Akkadisch dus, dat is de taal. De spijkers zijn alleen maar het schrift. Met enige regelmaat werd ik door medereizigers aangesproken over wat ik nu aan het doen was en dat leidde altijd tot leuke gesprekken.
Sinds 24 juni 2016 doe ik hetzelfde, maar dan met Arabisch. Ik ben nu bij les 32 van de 40, dus u ziet hoe gestaag de vooruitgang is in de afgelopen bijna drie jaar. In al die tijd ben ik zegge en schrijve twee keer in gesprek geraakt met een medereiziger, in beide gevallen gehoofddoekte jongedames. Eén daarvan was zelf ook bezig, de ander was het van plan. De eerste heb ik mijn medeleven betuigd, de tweede heb ik van harte van haar plan af proberen te houden.
Niet dat mijn activiteiten niet zichtbaar zijn: ik heb een lesboek, een dik schrift (hardcover), een antwoordenboek en drie vulpennen nodig die ik steevast op het tafeltje uitstal. Ik ga dus ook vrijwel altijd in een vierzits-zitplaats zitten, medereizigers genoeg.
De steekproef is inmiddels groot genoeg om een conclusie te trekken: treinreizigers spreken Arabischlerenden significant minder vaak aan dan spijkerschriftstudenten.