Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Dag krant

DATA - Het nakende einde van de krant is meermalen aangekondigd en tevens net zo hard onderuit gehaald. Op zoek naar de trend voor Nederland zijn media-onderzoeker Piet Bakker (UvA en HU) en Sargasso in de actuele en historische data gedoken. Daaruit komt een weinig rooskleurig beeld naar voren. De tijd dat bijna iedere Nederlander een krant las, ligt ver achter ons. De oplage daalt gestaag.

Als eerste hebben we de oplage van alle betaalde kranten, landelijk en regionaal, van Nederland vanaf 1946 tot en met 2011 op een rijtje gezet (klik voor groter).


De glorietijd van de betaalde krant ligt zo te zien tussen eind jaren zeventig en eind jaren negentig. Tussen 1980 en 1997 is de oplage vrijwel altijd boven de 4,5 miljoen. Daarna zet de daling in. Op dit moment zit het op hetzelfde niveau als begin jaren zestig. Verontrustend voor kranten is vooral dat de daling de laatste 15 onverbiddelijk doorzet met zo’n 3% per jaar gemiddeld. In 2011 en 2012 lijkt die daling zelfs groter te worden.

Vertekende cijfers

Maar dit overzicht geeft een enigszins vertekend beeld. Het gaat hier immers alleen om de absolute oplage. De Nederlandse bevolking is bijna verdubbeld sinds 1946.

We hebben daarom twee reeksen erbij gehaald. Ten eerste het aantal huishoudens. Dit omdat een krant in Nederland voor het grootste deel via de brievenbus op de mat valt. En ten tweede het aantal inwoners van Nederland van 15 jaar en ouder.

We delen nu de krantenoplage door die twee getallen. Dan krijg je twee lijnen die, uitgedrukt in procenten, de verspreiding per huishouden en per (volwassen) inwoner weergeeft.

Dat geeft een ander beeld. Afgezien van de bijzondere piek na de oorlog, liggen de hoogtijdagen van de krant tussen begin jaren zestig en eind jaren zeventig. Tot 1970 wordt in vrijwel elk huishouden een krant gelezen; vlak voor de eeuwwisseling is dit nog in 75% van de huishoudens. Maar eind jaren negentig zet de daling onverbiddelijk in. Zowel qua huishoudens als qua 15-plussers is de verspreiding nu ongeveer de helft van wat het op het hoogtepunt was. Voor de advertentie-inkomsten is een lage ‘dekking’ een probleem. De krant is veel minder massamedium dan vroeger.

De trend

De trend van de laatste 15 jaar is onmiskenbaar. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze ontwikkeling plots zal veranderen. Qua oplage zijn er verschillende scenario’s denkbaar. Als de daling van 3% gewoon door blijft gaan, zakt de totale oplage in 2034 onder de 1.5 miljoen (minder dan 50% van wat het nu is). Voor veel kranten zal dat fataal zijn. De kosten voor bezorging, drukken en redactie moeten over minder lezers verdeeld worden, advertentie-inkomsten dalen ook. Dat zal tot prijsverhogingen leiden en wellicht tot een nog snellere uittocht.

Als er niet 3 maar 5% wordt verloren per jaar, of als de daling langzamerhand groter wordt (oplopend van 3% naar -7% in 2030) zakt de oplage in 2034 onder het miljoen.

 
Een verscherpte daling

Een andere manier om naar de trend te kijken is via de jaar-op-jaar mutaties. Hieronder de weergave voor zowel de absolute oplage als het aandeel binnen de groep 15+. De laatste 30 jaar is er, vrijwel zonder uitzondering, alleen maar sprake van daling.

De extreme uitschieters worden veroorzaakt door aanpassingen in de meetmethoden.

De factoren

Bij de veranderingen spelen een aantal factoren mee. Ten eerste is er de opkomst van televisie. De televisie was eind jaren zeventig voor vrijwel ieder huishouden beschikbaar. Maar wie naar de ontwikkeling van de huishoudens met een krant kijkt, zal zien dat de daling eigenlijk pas inzet als iedereen allang tv heeft. Het lijkt erop dat mensen niet de krant de deur uitdeden vanwege de tv, maar dat de generatie die opgegroeid is met het nieuwe medium geen krant meer nam toen ze zelfstandig gingen wonen.

Toen kwam er halverwege de jaren negentig nog internet bij. Aanvankelijk voor slechts een beperkt aantal mensen, maar na 2000 voor vrijwel iedereen beschikbaar. Naast dagelijks gratis nieuws waren daar ineens vele bronnen beschikbaar voor de actieve gebruiker. Ook hier geen abrupte vervanging maar wel een versnelde daling.

En tot slot is er nog de introductie van de gratis krant in 1999. We hebben voor deze laatste factor de cijfers ook even op een rij gezet. Het effect van het verdwijnen van De Pers een paar maanden geleden kunt u nog niet te zien. De opkomst (en het verdwijnen) van DAG wel.

Met alternatieven als tv, internet en gratis dagbladen is het niet zo gek dat opgroeiende generaties de krant niet langer als vanzelfsprekend zien. De generaties die zijn opgegroeid met de krant, lijken daarentegen relatief trouw aan het medium.

Landelijk versus regionaal

Als we de totale oplage van de betaalde kranten uitsplitsen naar de landelijke en regionale kranten is goed te zien waar de grootste klappen vallen. Maakten de regionale kranten in 1980 nog 60 procent van de oplage uit, inmiddels is dat gedaald tot 40 procent.

Het gaat hier overigens weer over de absolute oplage. Het relatief stabiele beeld bij de landelijke kranten moet gecorrigeerd worden voor de bevolkingsomvang. Daarnaast is het AD in 2005 gefuseerd met een zevental regionale kranten.

Tot slot

Oplages dalen maar niet voor alle titels op dezelfde manier. Sommige regionale titels (Friesland, Groningen, Limburg) verliezen meer dan anderen. Bij de landelijke kranten heeft het AD relatief veel verloren en is De Telegraaf de laatste jaren in de problemen gekomen. Volkskrant, NRC en next doen het daarentegen de laatste jaren relatief goed.

De cijfers gaan over papier. Digitaal maakt nog maar een klein deel (2% in 2012) van de oplage uit, maar vertoont wel een zeer grote groei. Als dit patroon zich doorzet ziet de toekomst er voor kranten al een stukje fleuriger uit. En als alle bezoekers van de websites van kranten ook nog voor de informatie gaan betalen is er geen vuiltje aan de lucht.

Gebruikte bronnen
CBS Statline database
CBS Statistiek jaarboeken (papier)
HOI
Cebuco
Diverse naslagwerken.

Onder Creative Commons licentie bieden we u hierbij ook de ruwe data aan:
Detailgegevens over de dagbladen 1937 tm 2011
Gegevens over kranten versus bevolkingsomvang en huishoudens

Foto Flickr cc Thomas Leuthard

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Postmoderne recensie

Ik lees de stukken in VN’s Republiek graag, even graag als de stukken op De Contrabas of op Achille van den Branden, maar waar ik in die stukken niet goed tegenkan is wanneer er gesproken wordt van bijvoorbeeld ‘dit postmoderne meesterwerk’. Dan lees ik dat stuk niet uit, want ik weet dat ik me teveel ga ergeren. Dan ga ik verder met een bericht uit de Volkskrant of de NRC over wederom ‘een uitslaande brand in een bedrijfspand’ te Nuenen of Schinveld of Koog aan de Zaan, zoals we bijna dagelijks kunnen lezen. Het betreft bijna steeds branden in bedrijven die – maar blijf bij je onderwerp, jongen.

Ik wil wel eens weten wat een postmoderne roman is. Welke van de 1001 definities men gekozen heeft. Als je praat over gotische architectuur of barokmuziek of kubistische schilderkunst, dan weet je bij benadering wat er wordt bedoeld. Het begrip ‘postmodern’ wordt gebruikt voor van alles: beeldende kunst, filosofie, films, architectuur, muziek, psychologie, literatuur, dans, zelfs moeten er op deze wereld postmoderne christenen bestaan. Wat de schrijvers bedoeld hebben met die ‘postmoderne roman’, anders en meer dan dat die roman geschreven is na 1945, dat zeggen ze er nooit bij.

Catch-22 en American psycho en Enige defecten van Loesberg zijn drie romans die ‘postmodern’ zijn genoemd. Toch hebben ze niets gemeen, qua stijl of qua opbouw, ik kan althans niets ontdekken. Het postmoderne is in Amerika uitgevonden in het begin van de jaren vijftig, en is in het midden van de jaren zeventig in Nederland ontdekt. Ik weet niet waar. Ik denk dat er artikelen hebben gestaan in De gids en in Raster, maar ik las die artikelen nooit, want ik had wel iets beters te doen. Zo ongeveer het eerste boek in Nederland waar het etiket van de postmoderniteit op werd gelegd, was in 1974 dat boek van Loesberg.

Wat moet je Wobben?

Een van de lastigste problemen bij Wobben is: je weet niet wat er aan documenten ligt bij de overheid. Gericht vragen naar een bepaald stuk is lang niet altijd mogelijk. Dat vereist nadenken: wat zou er kúnnen liggen?

Lukraak dingen opvragen is niet de bedoeling, zo’n verzoek kan sneuvelen op het argument ‘onevenredige werklast’ voor de betrokken ambtenaren. Mede om die reden is de ‘bestuurlijke aangelegenheid’ in het leven geroepen. Een Wob-verzoeker moet aangeven over welke bestuurlijke aangelegenheid hij informatie wil. En dat is – soms – gemakkelijker gezegd dan gedaan, zo blijkt uit een lopend Wob-verzoek van Sargasso.

We willen weten hoeveel enkele grotere gemeenten – waaronder Eindhoven – uitgeven aan extern ingehuurd advies. Niet de (salaris-)kosten van interim-managers, maar de kosten van buiten de deur bestelde adviesrapporten. Dat lijkt een simpele vraag. Als bestuurlijke aangelegenheid wordt aangegeven: ‘kosten extern advies’.

Maar dan de praktijk.

Eindhoven meldt dat ze geen lijst heeft van bestelde rapporten. ‘Wel zijn in de archieven over alle bestuurlijke aangelegenheden waar Eindhoven zich mee bezig houdt ongetwijfeld rapporten of andere stukken te vinden die door externen zijn opgesteld’, zo meldt de gemeentelijke juriste. Het gaat echter om een ‘onbegrensde hoeveelheid onderwerpen’ en Eindhoven verzoekt dan ook om ‘het verzoek te preciseren en de bestuurlijke aangelegenheden te noemen waarover u de informatie wenst te ontvangen’.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: Riccardof (cc)

Vicieuze cirkel: water en energie

Terwijl wij zorgen hebben over de stijgende zeespiegel, kampt het Middellandse Zeegebied met toenemende droogte. De toenemende vraag naar water leidt ook tot een grotere behoefte aan energie. Hoe kan een catastrofe voorkomen worden?

Volgens Plan Bleu, het regionale centrum van de VN-milieuprogramma UNEP, neemt de vraag naar water in het zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeegebied tussen 2005 en 2025 met een derde toe: van 150 naar 200 km3 per jaar. Tegelijk groeit de energiebehoefte van 20 naar 200 TWh per jaar.

Het grootste deel van het water, 180 km3 per jaar, wordt gebruikt voor irrigatie. Dat water moet dan wel eerst naar de velden vervoerd worden, over steeds grotere afstanden. Dat vergt veel energie. Ook de industrie heeft veel water nodig, vooral de elektriciteitsproducenten. En ook huishoudens en de rioolzuivering gebruiken water. Het toenemend aantal waterkrachtcentrales gebruikt veel rivierwater. Er worden dammen en kanalen voor aangelegd, wat weer ingrijpende gevolgen heeft voor het waterleven en de morfologie van rivieren.

Het is duidelijk, stelt François Guerber, dat water en energie een vergelijkbare ontwikkeling doormaken en steeds meer onderling afhankelijk zijn. Simpel gesteld: voor de waterproductie heb je energie nodig en voor de energieproductie water, en beide worden schaarser. Willen we in de toekomst duurzame steden hebben, dan is beter watermanagement en verlaging van de energieconsumptie noodzakelijk.

Tijd voor grote schoonmaak in de wetenschap

Laten we de laatste affaire rondom wetenschapsfraude gebruiken voor een fundamentele discussie over kennisvergaring.

Diederik Stapel, Roos Vonk, Don Poldermans. In het buitenland Karl-Theodor zu Guttenberg, Philippe Gugler en Raphael en Norman Golb. De lijst opzichtig falende wetenschappers begint verontrustend lang te worden en het ergste aan de affaire rond de Rotterdamse hoogleraar Dirk Smeesters is haar godvergeten voorspelbaarheid.

Ik ben niet de enige die de indruk heeft dat er iets mis is met de wetenschap. Er zijn al onderzoekers die proberen deze indruk te onderbouwen met harde cijfers. Er wordt bijvoorbeeld vaak verwezen naar het onderzoek van Daniele Fanelli, die op tafel kreeg dat onderzoekers vaker rommelen met gegevens dan goed is. In Nederland constateerden Bakker en Wicherts dat psychologen moeite hadden met statistiek. Ik heb zelf een boek gepubliceerd over de problemen in de oudheidkundige disciplines. Het valt te verwachten dat er ook in de toekomst pijnlijke onthullingen zullen zijn.

Die voorspelbaarheid is al erg genoeg. Wat we nu vooral moeten vermijden, is dat het toch al slinkende vertrouwen nog verder vermindert doordat de bestuurders van de wetenschappelijke instellingen de problemen blijven bagatelliseren.

Dat doen ze immers al maanden. KNAW-president Robbert Dijkgraaf zei op 9 september dat de Stapel-affaire niet-representatief was. Hij legde uit hoe wetenschap behoorde te zijn en nam gemakshalve aan dat ze ook werkelijk zo is, hoewel dat nu juist ter discussie staat. De voorzitter van de VSNU, Sijbolt Noorda, verklaarde op 2 december dat het aanzien van de Nederlandse universiteiten niet was geschaad. Ook de directeur van NWO, Jos Engelen, meende dat het wel meeviel. Getuige de discussie die volgde in de wetenschapsbijlage van hetHandelsblad, laat niet iedereen zich nog door alle geruststellende woorden overtuigen.

Vorige Volgende