Transport in zenuwcellen: over John op blauw-roze badslippers

Wetenschapscommunicatie kan heel leuk zijn, laat de co-promotor van Eva Teuling zien. In 2003 begon ik aan een promotieonderzoek bij het ErasmusMC in Rotterdam. Mijn onderzoek richtte zich op een ziekte van de zenuwcellen: Amyotrofe Laterale Sclerose (ALS). Bij deze ziekte gaan de zenuwcellen die de spieren in het lichaam aansturen, de motor-neuronen, dood, waardoor spieren verlamd raken. De patiënt overlijdt uiteindelijk door verlamming van de ademhalingsspieren. Hoe ALS precies ontstaat is nog steeds grotendeels onbekend, en er is ook nog geen medicijn beschikbaar. Mijn promotie-onderzoek richtte zich op het transport van stoffen in de zenuwcellen. Een motor-neuron kan namelijk enorm lang worden: het centrum van de zenuwcel bevindt zich in het ruggemerg, terwijl de uitlopers, de axonen, tot in de uiterste puntjes van de tenen en de vingers komen om de spieren aan te kunnen sturen. De hypothese was dat een verstoring van dit transport zou kunnen leiden tot de dood van zenuwcellen, en dit zou kunnen bijdragen aan het ontstaan van de ziekte ALS.

Door: Foto: Sue Clark (cc)

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: Photos et Voyages (cc)

Voor de leider geldt: elke centimeter telt!

ANALYSE - Een recente studie van Melvyn Hamstra laat zien dat de lengte van een leider positief correleert met hoe charismatisch hij – het geldt niet voor een zij – gevonden wordt. Dit suggereert dat lange politici succesvoller zijn. Young and French vinden inderdaad dat de vier beste presidenten van de VS (bepaald via een survey) maar liefst tien centimeter langer zijn dan de vijf slechtste presidenten. Wikipedia wijdt een pagina aan een vergelijking tussen presidentskandidaten en hun lengtes. Sinds 1900 heeft in 19 gevallen de langste kandidaat gewonnen, in twee gevallen waren ze even lang en in slechts acht gevallen won de kleinste kandidaat. Een studie in Polen laat zien dat kiezers verliezers van verkiezingen groter inschatten voor de verkiezing en winnaars van verkiezingen groter inschatten na de verkiezing.

Lengte doet er dus toe. Geen wonder dus dat op deze foto Sarkozy met z’n 1 meter 65 de hulp van een hak en een hups inroept om bij Obama (1.85m) in de buurt te komen.

Maar hoe doen de Nederlandse politici het? Hoe lang zijn ze? Met dank aan ome Google en vooral veel navraagwerk kom je een eind. Maar in sommige gevallen blijft het gissen; de ‘miezerige’ Pechtold is naar schatting 1.84m. Ik dacht dat hij veel kleiner was (dankzij Wilders?). Het figuur hieronder laat op de y-as de schattingen van de lengtes van de politici zien (laat een bericht achter als de schatting verkeerd is). Wilders is dus het langste (1.95m). Sowieso zijn de heren politici (1.84m) langer dan de gemiddelde Nederlander (1.81m). Ik heb geen recente meting van charisma gevonden, in plaats daarvan gebruik ik het rapportcijfer dat mensen aan politici hebben gegeven in een onderzoek van TNS-Nipo. Ik heb ook naar andere datasets en factoren gekeken (leiderschap, bekwaamheid en sympathie uit de UvA/VK dataset van Philip van Praag over de verkiezingen van 2012, sympathie uit de LISS data). Het beeld is min of meer hetzelfde als in figuur 1.

Foto: Fabio Bruna (cc)

Kinderarbeid bestaat in Nederland, maar daar word je hard van

ACHTERGROND - Tegenwoordig wordt het kind opgevoed als jonge autonome consument die zijn eigen broek ophoudt. Dat hij daarvoor hard moet werken onder slechte omstandigheden nemen we met z’n allen zonder morren voor lief. Dat het kind zich sociaal verplicht voelt om luxe gadgets aan te schaffen, ook.

Fokke en Sukke besloten kortgeleden op de achterpagina van de NRC de Veiligheidsraad bijeen te roepen: ‘De Albert Heijn heeft kindvakkenvullers ingezet … in de supermarktoorlog’!  Het zou zomaar een oproep kunnen zijn die gebaseerd is op ons boek over werkende kinderen in Nederland. Voor dit boek deden we onderzoek onder ongeveer 2600 leerlingen tussen de twaalf en vijftien jaar oud op vwo-, havo- en vmbo-scholen, met een ruime spreiding over het land. Wat wij ons niet realiseerden bij de opzet van het onderzoek en bij het verzamelen van het materiaal, bleek bij de analyse. Ongeveer 300.000 pubers van de circa 750.000 in die cohorte werkt voor geld. Het meest opmerkelijke van de gegevens is dat ongeveer een derde daarvan de wetgeving op kinderwerktijden en arbeidsvoorwaarden overtreedt. Formeel kan men dan ook concluderen dat Nederland om en nabij de 100.000 kindarbeiders heeft.

Joop van de Ende werkte ook als kind en kijk eens hoe ver die het heeft geschopt

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: Michael Linden (cc)

Nobelprijs voor de natuurkunde: Higgs

ACHTERGROND - In de gangen en op de social media gonsden de namen al langer rond en vandaag werd het officieel: François Englert en Peter Higgs krijgen de Nobelprijs voor de Natuurkunde. In 1964 waren zij één van de eersten die het bestaan van de Higgs boson voorspelden, een missend stukje in de puzzel die natuurkunde heet.

Alles wat we zien is opgebouwd uit kleine bouwstenen, de zogenaamde elementaire deeltjes, en verschillende krachten die deeltjes elk op een andere manier beïnvloeden. Onderzoekers bundelden deze kennis in een theorie, genaamd het Standaardmodel. Met dit model konden onderzoekers alles in de wereld uitleggen, van de vorming van sterrenstelsels tot de wisselwerkingen in atomen. Totdat in de jaren zestig bleek dat een aantal van deze elementaire deeltjes een massa had, terwijl de theorie dat niet voorspelde. Het Standaardmodel leek nog niet compleet.

Higgs en Englert bedachten een theorie voor het missende puzzelstukje. Het universum zou gevuld zijn met een uniform krachtenveld. Alle deeltjes zouden door dit alom aanwezige krachtenveld bewegen. Sommige van de elementaire deeltjes, afhankelijk van hun eigenschappen, zouden extra massa krijgen dankzij het Higgs boson. Je kunt het zien als de avondvierdaagse. Stel, een vriend van je loopt mee met de avondvierdaagse. Je besluit de laatste dag langs de kant te gaan staan voor support. Als je daar aankomt, lijken meer mensen hetzelfde idee te hebben: het ziet zwart van de toeschouwers. De lange rij met toeschouwers stelt het constante Higgs veld voor. Je ziet de wandelaars gestaag voorbij komen, als een stroom elementaire deeltjes. Als je vriend langsloopt, ziet hij je in de massa staan en komt even een praatje maken. Het valt hem zwaar: het is nog een eindje en zijn laatste chocoladereep is al op. Maar jij zag dat al aankomen, dus je hebt er eentje extra meegenomen. Je geeft de reep aan je vriend. Hierbij veranderen alleen zijn eigenschappen, niet die van de andere wandelaars. In het Higgs scenario krijgen dus ook alleen bepaalde elementaire deeltjes massa.

Foto: copyright ok. Gecheckt 09-02-2022

Na het conflict

Al sinds jaar en dag pogen universiteiten de wereld van de wetenschap dichter bij het volk te brengen door de zogeheten studium generale. Hoewel het begrip aanvankelijk stond voor een minimale verscheidenheid aan faculteiten en studies waardoor een instituut zich een universiteit mocht noemen, wordt het tegenwoordig meestal gebruikt om een verzameling lezingen en debatten aan te duiden, waarbij verschillende vakgebieden aan de orde komen. Zo biedt ook de universiteit van Utrecht zo’n reeks lezingen aan. Tijdens openbare bijeenkomsten krijgen wetenschappers een podium, waarop ze op toegankelijke manier mogen vertellen over hun onderzoek, waarna de bezoekers vragen kunnen stellen of debatteren over het thema van de avond.

Op 1 oktober was het thema ‘Na het conflict’. Tijdens het symposium, wat mede werd georganiseerd door de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen (SIB) en ontwikkelingsorganisatie Oikos, konden bezoekers aan verschillende tafels in debat gaan met wetenschappers en ervaringsdeskundigen, aan de hand van evenzovele invalshoeken – zoals de rol van kunst, journalistiek en internationaal recht in een postconflictsituatie.

Naming the Dead

De avond werd geopend door prof. dr. Beatrice de Graaf, hoogleraar “Conflict en Veiligheid in Historisch Perspectief” aan de Universiteit Leiden, bij het Centre for Terrorism and Counterterrorism. En daarnaast sinds dit jaar ook officieel Zomergast, wat zeker voor een wetenschapper een mooie “beloning” is en vooral ook een uitgelezen kans om eigen onderzoeksinteresses onder de aandacht te brengen.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Behandel geweld als een besmettelijke ziekte

VERSLAG - Gary Slutkin begon als in Somalische vluchtelingenkampen met het bestrijden van besmettelijke ziektes als cholera en TBC. Daarna werkte hij voor de WHO aan de bestrijding van epidemieën zoals AIDS in Oeganda.

Toen hij na jaren terugkeerde in de VS, zag hij een grote gelijkenis tussen besmettelijke ziektes en geweld in met name de achterstandsbuurten van de grote Amerikaanse steden. Vervolgens stelde hij een vergelijkbare aanpak voor de bestrijding van geweld voor als bij de bestrijding van epidemieën. Met verbluffend resultaat: in elke buurt waar zijn aanpak werd ingevoerd, daalde het geweld aanzienlijk.

Inmiddels wordt zijn model in  meer dan 15 Amerikaanse steden en in verschillende andere landen toegepast.

Foto: Sebastiaan ter Burg (cc)

Samenleving snakt naar correctie van hebzucht aan top

ANALYSE - Voor het eerst sinds begin 2008 worden Nederlanders meer in beslag genomen door economische problemen dan door de problemen van het samenleven ofwel de omgangsvormen. Hoe weten we dat en wat betekent het? Paul Dekker en Josje den Ridder van het Sociaal Cultureel Planbureau onderzochten het.

Begin 2008 startten we ons Continu Onderzoek burgerperspectieven. Sindsdien wordt elk kwartaal aan een representatieve steekproef van Nederlandstaligen gevraagd: ‘Wat vindt u op dit moment de grootste problemen in ons land? Waar bent u zeer negatief of boos over of waar schaamt u zich voor als het om de Nederlandse samenleving gaat? Wilt u met enkele trefwoorden de belangrijkste problemen aangeven?’ Door te verwijzen naar boosheid en schaamte vermijden we dat mensen de vraag als een kennisvraag gaan beantwoorden (‘wat was ook alweer het grootste probleem?’).

Negen op de tien ondervraagden kan minstens één onderwerp bedenken op de vraag naar wat goed gaat in het land. Dat lukt minder goed als de respondenten gevraagd wordt waar ze trots of blij over zijn; ongeveer twee derde geeft dan één of meer onderwerpen aan. De zorgen over omgangsvormen en samenleven groeperen we in één categorie, hetzelfde doen we met zorgen over economie en inkomen.

Foto: Patrick Rasenberg (cc)

Sociale wetenschappen tussen retoriek en werkelijkheid

OPINIE - Een opmerkelijk interview in de Volkskrant afgelopen donderdag met de drie leden van de commissie-Baud, die onderzoek deden naar de wetenschappelijke fraude van antropoloog Mart Bax. Met name de volgende opmerking van antropoloog Peter Pels viel me op:

Enige fictie is onvermijdelijk in de sociale wetenschap. De observatie van sociaal gedrag door een onderzoeker is altijd gebaseerd op een beperkt aantal waarnemingen, die alleen met retorische middelen – met de ficties van de statistiek of van de kwalitatieve generalisatie – tot een geheel kunnen worden gesmeed. Schaf je die af, dan schaf je de wijze waarop sociale wetenschap verhalen vertelt af.

Ook natuurwetenschappers vertellen verhalen en gebruiken retoriek, met name wanneer ze een populair-wetenschappelijk verhaal schrijven. Daar is op zich niets mis mee. De vraag is echter hoever dat mag gaan. In een populair-wetenschappelijk discours worden retorische instrumenten gebruikt om de werkelijkheid die uit de wetenschappelijke data “opdoemt” meer contouren te geven, om die duidelijker te laten uitkomen.

Maar antropoloog Peter Pels lijkt iets veel sterkers te beweren, namelijk dat ‘retorische middelen’ eigenlijk tot het fundament van de sociale wetenschap behoren. Die retorische middelen zijn blijkbaar de enige manieren om de fragmentarische en beperkte kennis die er is te bundelen en tot één verhaal te maken. Het lijkt erop alsof de retorische middelen binnen de sociale wetenschappen een hele andere rol spelen, namelijk dat daarmee een werkelijkheid geschapen wordt. Er wordt een eenheid in de data gesmeed die er blijkbaar van nature niet is. Vandaar ook dat binnen de antropologie – in het interview wordt het ook genoemd – soms gebruik werd (wordt?) gemaakt van literaire fictie als stijlmiddel. Zo wordt in het interview gerefereerd naar een proefschrift van ene Daniël Meijers dat een ‘duizend jaar levende rabbi [opvoert] om de ontwikkeling van het judaïsme te beschrijven.’

Stalins blauwe potlood

Historica Holly Case schreef een lang, maar fascinerend stuk over Stalin als eindredacteur:

Joseph Djugashvili was a student in a theological seminary when he came across the writings of Vladimir Lenin and decided to become a Bolshevik revolutionary. Thereafter, in addition to blowing things up, robbing banks, and organizing strikes, he became an editor, working at two papers in Baku and then as editor of the first Bolshevik daily, Pravda. Lenin admired Djugashvili’s editing; Djugashvili admired Lenin, and rejected 47 articles he submitted to Pravda.

Djugashvili (later Stalin) was a ruthless person, and a serious editor. […]

Being an author is well and good, […] but [Stalin] knew that editing was a higher power. Naimark argues that editing is as much a part of Stalinist ideology as anything he said or wrote. This insight warrants amplification. Under Stalinism, anyone could speak or write, but since Stalin was the supreme gatekeeper of the censorship hierarchy and the gulag system, the power to edit was power itself. […]

“We still lack a satisfactory theory of Stalinism,” writes Slavoj Žižek. Perhaps such a theory, when it comes, should take Stalin’s editorial mania seriously, not merely as a personal tic, but as a way of seeing the world and understanding history.

Nederlandse taal- en rekenvaardigheid top!

Een inkomende waan van Majava: Internationaal wordt er wel veel geschreven over de pas verschenen OECD test (PIAAC). In Finland met trots, in het VK met schande. In Nederland, die daar prachtig top3 noteringen neerzet, is het opmerkelijk stil in de media. Is het dat we niet de kans hebben om weer ‘schandelijk!’ en ‘zie je wel’ te kunnen zeggen? Omdat we zo lang hebben lopen zeuren dat ons onderwijs al lange tijd in verval is en deze resultaten niet stroken met die visie? Majava vind het in elk geval opmerkelijk dat het al 2 dagen stil is.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Vorige Volgende