Post-atheïst | Wie was er eerst: God of de staat?
COLUMN - Geloof – heb je daar wat aan? Gelovigen zouden iets gelukkiger zijn dan ongelovigen, blijkt uit onderzoek. Maar ja, wie zich uitverkoren waant, is vanzelf blijer dan de atheïst voor wie slechts de wormen wachten. En verder spelen bij dat soort enquêtes zó veel andere factoren een rol dat het resultaat lastig te interpreteren is.
Verlichtingsfilosofen meenden op het ene moment dat het geloof de gelovige disciplineert, en even later dat geloof verleidt tot moord en doodslag. Locke meende dat je atheïsten hard moest aanpakken, want die waren immoreel. Tegelijkertijd werd Pierre Bayle er een beetje moe van gelovigen steeds maar weer te wijzen op hun eigen hoogstaande ethiek, die in de praktijk zo slecht tot zijn recht kwam.
In de negentiende eeuw, onder invloed van idealistische filosofen als Hegel, ontstond het idee dat het geloof in een Grote God de staatsvorming start en versterkt. Een samenleving bestaande uit stammen gelooft in vele goden (ieder zijn eigen godje), maar als daaruit op een goede dag een geloof in één enkele god ontstaat, dan leidt dat inzicht tot morele verheffing (‘God ziet alles!’) en kan er een centrale staat ontstaan met één heerser (die niet alles ziet, maar dat doet God dus wel).
Anders geformuleerd: zodra er in de hemel één god zit die de morele wetten vaststelt, met daaronder een uitgebreid apparaat voor administratie en bestraffing, kan er op aarde, dankzij de disciplinering van de gelovigen, een centrale staat ontstaan waarbij iedereen zich zich min of meer vrijwillig aan de ene heerser onderwerpt. Zo moet het immers zijn. Zo beneden, zo ook boven.


