Kabinet-Jetten: Gooi mensenrechten niet overboord om migratie te beperken
COLUMN - van Lize Glas, Jasper Krommendijk en Annick Pijnenburg
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermt ons al meer dan 70 jaar tegen bijvoorbeeld foltering en discriminatie en beschermt onder andere het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. Toch dreigen deze mensenrechten op een Europese top op 15 mei 2026 ten onrechte deels overboord gegooid te worden. Hieraan liggen twee motieven ten grondslag.
Allereerst zou het EVRM, zoals Tweede Kamerlid Boomsma (JA21) eind maart bij Nieuwsuur zei, ‘steeds verderstrekkend geïnterpreteerd’ worden ‘op een manier die nooit door politici zo bedoeld is’ dan toen zij het verdrag opstelden in 1950. Boomsma wees ter illustratie op de klimaatrechtspraak van het Europese Mensenrechtenhof die Zwitserland zou verplichten om miljarden aan klimaat uit te geven. In een motie uit juni 2025 wees onder anderen Boomsma ook met de vinger naar de migratierechtspraak van hetzelfde Hof dat “de ruimte voor het asielbeleid in verregaande mate” zou beperken.
Het EVRM interpreteren zoals in 1950 de bedoeling was, is duidelijk onwenselijk. De opstellers van het verdrag hadden ideeën die de meesten van ons als gedateerd of zelfs racistisch zouden zien. Zo verklaarde Nederland het verdrag niet van toepassing op Nieuw-Guinea omdat de bevolking onvoldoende ontwikkeld zou zijn en hadden de opstellers van het verdrag niet direct vrouwen voor ogen wanneer zij dachten aan mensenrechten. Bovendien voorzagen de opstellers niet in welke context het EVRM nu moet worden toegepast. Zo is het recht op privéleven van toepassing op ‘correspondentie’: brieven in de context van de jaren 50. Als het Mensenrechtenhof dit recht niet van toepassing had verklaard op mails en appjes, zou dit recht nu irrelevant zijn.
