Wanneer wordt ‘het is AI’ zeggen voldoende?
De dood van Renee Good, 37 jaar, door kogels van een ICE-agent is op zichzelf al een schokkende tragedie. Een vrouw doodgeschoten door gemaskerde ‘handhavers’ van de staat, vastgelegd door omstanders, verspreid via nieuwsmedia en sociale netwerken. Er is geweld, er zijn beelden, er is publieke woede, en er is een officiële lezing die meer dan schuurt met wat zichtbaar is. Tegelijk, het is iets waar we de afgelopen jaren bijna gewend aan zijn geraakt. Maar de tijden veranderen: het geweld niet, maar de vraag hoe lang beelden nog tellen wordt steeds meer relevant.
Want we bewegen ons richting een moment waarop de reactie van Donald Trump niet langer hoeft te zijn dat beelden uit context zijn gehaald, of dat journalisten liegen, of dat demonstranten opruiers zijn. De volgende stap is tegelijk eenvoudiger én radicaler: hij zal gaan roepen dat de beelden niet echt zijn. Dat het AI is, of erger nog, dat er alternatieve beelden worden gefabriceerd die beter passen bij het gewenste verhaal.
Tot nu toe functioneerden beelden als laatste anker van de werkelijkheid. Je kon discussiëren over intentie, framing en context, maar wat er te zien was, stond min of meer vast. Dat anker begint los te raken, omdat de mogelijkheid om ze te ontkennen steeds geloofwaardiger wordt gemaakt. AI biedt niet alleen de techniek om te vervalsen, maar ook het excuus om alles wat ongemakkelijk is als vervalsing weg te zetten.

