Narcostaat: van beschuldiging naar legitimatie
Het woord narcostaat klinkt alsof het een vastgestelde diagnose is. Een technisch oordeel, ergens tussen VN-resolutie en strafrechtelijk vonnis. Maar dat is het niet. Narcostaat is geen juridische categorie, geen internationaal erkend statuut en geen neutrale beschrijving. Het is een beschuldiging. En een beladen ook.
In de berichtgeving over Venezuela wordt dat onderscheid opvallend vaak weggepoetst. Het NOS-artikel over het Kamerdebat rond het Amerikaanse optreden neemt het begrip vrijwel probleemloos over. Venezuela is een narcostaat, en vanuit die veronderstelling wordt vervolgens besproken of begrip voor Amerikaans ingrijpen gepast is. De fundamentele vraag of die kwalificatie zelf overeind blijft, wordt nauwelijks gesteld.
Want juist over die term bestaat aanzienlijke discussie. Veel onafhankelijke onderzoekers, criminologen en Latijns-Amerika-deskundigen betwisten dat Venezuela voldoet aan wat doorgaans onder een narcostaat wordt verstaan. Niet omdat er geen corruptie of drugshandel zou zijn, maar omdat het bewijs voor structurele staatssturing van de internationale cocaïnehandel zwak, fragmentarisch en sterk gepolitiseerd is. De meeste drugs die Europa en de VS bereiken, lopen via landen die nooit dat etiket krijgen opgeplakt.
Die nuance verdwijnt zodra het woord eenmaal is uitgesproken. Narcostaat fungeert als morele snelkoppeling. Het suggereert totale morele ontwrichting, een staat die zichzelf heeft opgegeven, en dus ook het recht heeft verspeeld op normale behandeling. Soevereiniteit wordt daarmee voorwaardelijk gemaakt: geldig zolang Washington het ermee eens is.

