OPINIE - Het nieuws dat de Europese Unie weer ontwikkelingssteun aan ‘het democratischer geworden’ Zimbabwe gaat geven, deed de wenkbrauwen van Lennaert Rooijakkers, journalist, fronsen.
Deze week was ik het zowaar eens met een uitspraak van een PVV-politicus. Ik kon mij niet heugen wanneer dat voor het laatst het geval was. Het had allemaal te maken met het bericht dat de Europese Unie heeft besloten om Zimbabwe weer financieel te gaan steunen. Voor het eerst sinds 2002. De komende vijf jaar geeft Brussel in totaal een bedrag van 234 miljoen euro uit aan hulp voor het land van president Robert Mugabe. Het geld moet zorgen voor een verbetering van de gezondheidssector en de landbouw een nieuwe impuls geven.
Heel nobel, zeker omdat de agrarische sector van Zimbabwe floreerde voordat Mugabe er een potje van maakte, maar dat neemt niet weg dat de vraag die de Brusselse PVV-fractie stelde – ‘Waarom wordt er geld gegeven aan een land dat dictatoriaal wordt bestuurd door een man met een geschat vermogen van meer dan tien miljard Amerikaanse dollar?’ – ook door mijn hoofd spookte.
Ngo’s hebben hun werk in Zimbabwe de afgelopen jaren voortgezet, maar steun vanuit de EU heeft ruim een decennium stilgelegen. De gereserveerde 234 miljoen euro gaat de komende jaren niet rechtstreeks naar de Zimbabwaanse regering, maar naar organisaties als de Wereldbank en het Development Programme van de Verenigde Naties die in het land projecten zullen uitvoeren. Maar, als alles straks goed gaat worden directe transacties aan Harare in de toekomst niet uitgesloten, geeft Brussel te kennen.