ANALYSE - Waar ligt de grens tussen islamofobie en authentieke islamkritiek? Die valt vaak helemaal niet zo gemakkelijk te trekken, meent arabist Brian Whitaker, oud eindredacteur Midden-Oosten voor de Guardian. Islamcritici lopen vaak het risico hand- en spandiensten te verlenen voor extreem-rechts. Toch moet er ook ruimte zijn voor echte kritiek en polemiek.
Afgelopen maandag opperde ik in een tweet dat ex-Moslims (en andere critici van Islamitische leerstukken en gebruiken) wegen moeten vinden om dit te doen zonder brandstof te verlenen aan islamofobie. Dit riep de volgende reactie op:

Het idee dat de term “Islamofobie” uitgevonden is door islamisten in het Westen, is inmiddels wijdverbreid op rechtse websites in de Verenigde Staten. Een daarvan zegt bijvoorbeeld:
Het neologisme ‘Islamofobie’ is niet zomaar ex nihilo opgekomen. Het is moedwillig uitgevonden door een façade-organisatie van de Moslimbroederschap, het International Institute for Islamic Thought, die is gesitueerd in Noord-Virginia.
Verhalen van deze aard zijn pure fictie, maar ze staan radicaal-rechtse elementen toe om te beweren dat islamofobie eigenlijk niet werkelijk bestaat, en dat de islam en moslims in het algemeen aldus ‘fair game’ zijn voor verguizing.
Herkomst van de term
Het vroegst bekende gebruik van de term op schrift was in het Frans – als “islamophobie” – in 1910. Het verscheen in een boek, La politique musulmane dans l’Afrique Occidentale Française van Alain Quellien, waarin deze de wijzen besprek waarop Franse koloniale bestuurders de culturen van de diverse Afrikaanse koloniën bekeken. De term verscheen ook in academische recensies van het boek, en kort daarna, in een biografie van de Profeet Mohammed door een Franse bekeerling tot de islam, die zijn boek opdroeg aan de nagedachtenis van de moslimsoldaten in het Franse leger die waren gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog .