Wat willen partijen doen aan ongelijkheid? Deel 1: onderwijs

Het thema ongelijkheid kon in de afgelopen jaren op veel belangstelling rekenen. In aanloop naar de verkiezingen kijk ik wat partijen beloven te doen aan het verminderen van ongelijkheid. Deel 1: onderwijs.

Het boek van econoom Thomas Piketty en zijn bezoek aan de Tweede Kamer, een serie onderzoeken van de WRR en het SCP, zorgen van de Onderwijsinspectie, onthullingen over belastingontwijking, ophef over etnisch profileren, protest tegen bezuinigingen op de rechtsbijstand, en zo nog wat zaken: er werd in de afgelopen jaren weer volop gesproken over ongelijkheid en gepleit voor meer gelijkheid.

Ongelijkheid in verkiezingsprogramma’s

In een korte serie kijk ik wat politieke partijen willen doen aan het verminderen van ongelijkheid. Aan de hand van een aantal concrete problemen en maatregelen op het gebied van onderwijs, inkomen (deel 2), vermogen en wonen (deel 3) en rechten (deel 4) kijk ik wat partijen erover zeggen en in hoeverre ze maatregelen willen nemen die ongelijkheid zouden kunnen verminderen. Het moge duidelijk zijn dat partijen aan linkerzijde meer aan ongelijkheid willen doen dan rechtse partijen, maar ook dan de vraag: wat willen ze precies?

Mijn analyse heeft betrekking op 16 partijen: de 12 zittende partijen (inclusief DENK) plus vier nieuwe partijen: Forum voor Democratie (FvD), Nieuwe Wegen, de OndernemersPartij en VoorNederland (VNL). De 12 partijen die niet in alle kieskringen deelnemen laat ik buiten beschouwing.

Ik kom niet met een conclusie over welke partij het meest doet voor gelijkheid, zoals Steeph heeft gedaan voor klimaat, maar per maatregel valt uit de volgorde waarin ik partijen bespreek wel iets af te leiden: partijen die het beter doen bespreek ik eerst. Als ik bij een maatregel een partij niet noem, dan betekent dat dat de partij er in het verkiezingsprogramma niets over zegt. Ik zeg dus weinig over de PVV, want zij zeggen niets over onderwijs en vermogen en heel weinig over inkomen (belastingverlaging voor iedereen zal ongelijkheid eerder vergroten dan verkleinen).

Kansenongelijkheid

De Onderwijsinspectie concludeerde in april 2016: kansenongelijkheid in het onderwijs is in de afgelopen jaren toegenomen. Of kinderen op het vmbo of vwo terechtkomen hangt niet alleen af van hun schoolprestaties maar ook van hun sociale afkomst. De RMO concludeerde overigens in 2011 ook al dat afkomst – opleidingsniveau van de ouders – nog steeds van belang is voor het schoolniveau van kinderen. Maar afkomst is niet alles. Ook de manier waarop we het onderwijs hebben georganiseerd speelt een rol.

De VO-raad analyseerde in oktober de conceptverkiezingsprogramma’s en stelt vast dat vrijwel alle politiek partijen aandacht vragen voor toenemende ongelijkheid in onderwijskansen. In dit overzicht van de raad staan alle maatregelen per (zittende) partij op een rij. Ik pik er een paar uit (en voeg enkele partijen toe).

Vroeg beginnen

Achterstanden in onderwijsprestaties ontstaan al vroeg, voordat kinderen naar school gaan. Het toegankelijk maken van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is een manier om kinderen met een achterstand klaar te stomen voor de basisschool. De SER pleit voor ‘een “universeel systeem” van kindvoorzieningen met extra ondersteuning van kinderen met een achterstand’. De raad adviseert een aanbod van 16 uur per week voor alle kinderen van 2 tot 4 jaar, ongeacht of ouders werken. Ouders betalen een bijdrage naar draagkracht.

Een opmerking vooraf: een aantal partijen zegt in hun programma alleen iets over ‘kinderopvang’ en bedoelt daarmee hoogstwaarschijnlijk vroege educatie, maar strikt genomen is dat niet hetzelfde. Voor de analyse geef ik ze het voordeel van de twijfel.

Enkele partijen lijken de aanbeveling van de SER min of meer te hebben overgenomen. D66 lijkt het advies letterlijk te hebben gekopieerd: ‘vroeg- en voorschoolse educatie voor iedereen’, ongeacht of ouders werken, vier dagdelen (16 uur?) voor kinderen ouder dan 2 jaar, met een ‘eigen bijdrage voor ouders die dat kunnen betalen’.

PvdA noemt het expliciet ‘voor- en vroegschoolse educatie’ en wil dat alle kinderen tussen 2 en 4 jaar een ‘aanbod krijgen van minimaal 16 uur per week’. Onduidelijk wie de kosten dragen.

Sommige partijen gaan verder dan het SER-advies. SP wil gratis ‘kinderopvang’ van vier dagdelen voor kinderen van 2 tot 4 jaar. GL wil dat ‘kinderopvang’ weer een ‘publieke voorziening’ wordt. Alle kinderen tussen 6 maanden en 4 jaar krijgen recht op drie dagen (24 uur?) gratis kinderopvang, voor kinderen van alleenstaande ouders geldt dit vanaf 3 maanden. PvdD pleit voor ‘kinderopvang tot 4 jaar’ wat weer onderdeel moet worden van het ‘door de overheid aangeboden onderwijs, naar Scandinavisch model’. Dat impliceert gratis opvang, hoewel diensten die door de overheid worden aangeboden ook een eigen bijdrage kunnen vragen; is dus wat onduidelijk. Hierbij moet ook worden opgemerkt dat gratis kinderopvang vanuit het oogpunt van toegankelijkheid natuurlijk goed is, maar dat het niet noodzakelijk de ongelijkheid tussen arme/laagopgeleide ouders en rijke/hoogopgeleide ouders vermindert.

CDA idem: wil kinderopvang voor kinderen van 2 tot 4 jaar en samenvoegen peuterspeelzalen en kinderopvang tot een voorschool, zodat ‘kinderen samen spelen en leren’, maar zwijgt over dagdelen en kosten. VVD wil ‘experimenteermogelijkheden’ voor samenwerking tussen voorschoolse voorzieningen en basisschool en verlaging leerplicht naar 4 jaar.

Vroege selectie  

Tal van adviesorganen – de Onderwijsinspectie, de Onderwijsraad, de NRO, het CPB – zijn het erover eens: kansenongelijkheid wordt versterkt door de vroege selectie van leerlingen voor het voortgezet onderwijs. Nederland kent met 12 jaar een relatief vroeg selectiemoment; er zijn landen waar leerlingen kiezen als ze 14 of 15 zijn. Onderzoek suggereert dat vroege selectie een rol heeft in het ontstaan van ongelijkheid in latere schoolprestaties. Vooral voor ‘leerlingen die om wat voor reden dan ook niet optimaal presteren op de basisschool (‘laatbloeiers’) is het beter om de schoolniveaukeuze nog even uit te stellen’, aldus de Onderwijsinspectie. (Overigens tempert socioloog Dronkers de verwachtingen van latere selectie: geen enkel onderwijsstelsel is in het voordeel van alle leerlingen ongeacht hun ouderlijk milieu en vroege prestaties.)

Hoe kan het selectiemoment worden uitgesteld? Scholen geven volgens de Onderwijsinspectie steeds vaker enkelvoudige schooladviezen (zoals een havo-advies in plaats van een havo/vwo-advies). Eenmaal op de middelbare school zitten steeds minder leerlingen in een brede brugklas. In een twee- of driejarige brugklas is het makkelijker voor leerlingen om over te stappen naar een ander niveau. Gemengde schooladviezen en brede brugklassen zijn dan ook manieren om kansenongelijkheid te verminderen. Scholen moeten dan wel een breed aanbod aan opleidingen bieden, zoals scholengemeenschappen doen.

Afgaande op bovengenoemd onderzoek en advies kijk ik in hoeverre partijen latere selectie willen bevorderen via 1) een gemengd schooladvies, 2) brede brugklassen en 3) brede scholen. Voor alle drie de maatregelen pleiten is beter dan voor een. Een gemengd schooladvies impliceert dat er brede brugklassen zijn of moeten komen, maar aangezien er een tendens is naar minder brede scholen, en we ervan uit kunnen gaan dat categorale scholen minder vaak (of nooit?) een brede brugklas aanbieden, heeft het de voorkeur dat de partij naast een gemengd schooladvies ook pleit voor meer brede scholen die vervolgens brede brugklassen aanbieden.

DENK pleit expliciet voor zowel een gemengd schooladvies als voor meer brede brugklassen en meer brede scholen. DENK is voor zowel het ‘automatisch omhoog bijstellen van een schooladvies als de eindtoets hoger uitvalt’ als voor het ‘wegnemen van barrières voor gemengde adviezen’.

PvdA en GroenLinks willen beide een gemengd schooladvies en brede brugklassen; PvdA wil een 3-jarige brugklas en GL een 2-jarige. Voor GL is de brede brugklas een ‘optie’ en moet het aangeboden worden door ‘scholen met een divers aanbod’. Onduidelijk is dus of GL zich wil inzetten voor meer brede scholen. Ook PvdA is onduidelijk over waar de brede brugklassen vandaan moeten komen.

Dat geldt ook voor D66 en SP: zij willen ook brede brugklassen. D66 wil 3-jarige brugklassen maar hint over het schooladvies alleen dat scholen beloond worden voor ‘twijfelleerlingen’. Ook SP is wat vaag over het schooladvies, dat moet rekening houden met de ‘potentie’ van de leerling.

CDA wil wel brede brugklassen maar alleen voor de ‘huidige brede scholen’. De VVD besteedt aandacht aan het schooladvies maar zegt hierover alleen dat het ‘hoogste schooladvies leidend wordt’ in geval van verschil tussen CITO en advies van de leraar.

Forum voor Democratie meldt dat het onderwijs wil naar het ‘Fins model’ met ‘onderwijs op maat voor elk kind’. Dat zou kunnen inhouden dat alle leerlingen tot hun 16e op hetzelfde niveau werken en een individueel lesprogramma krijgen. In deze ‘talentgerichte’ opzet zijn brede brugklassen niet nodig, legt FvD hier uit.

Doorstromen

Steeds meer scholen kiezen voor een smal aanbod van opleidingen, signaleert de Onderwijsinspectie. Het aantal scholengemeenschappen lijkt af te nemen, mogelijk doordat scholen hun vmbo-afdelingen afstoten om aantrekkelijk te blijven voor (witte, hoogopgeleide) ouders. Dat maakt het moeilijker voor leerlingen om door te stromen naar een volgend niveau of opleidingen te ‘stapelen’. Als scholen een smal aanbod hebben, moeten leerlingen van school veranderen om bijvoorbeeld van vmbo naar havo te kunnen. Dat werpt een drempel op. Onderzoek wijst uit dat scholengemeenschappen vooral voor kinderen met lager opgeleide ouders brede gunstiger zijn voor de doostroming. Doorstroming of stapelen kan ook worden bemoeilijkt door regels, zoals die omtrent het aantal vakken.

GL spreekt expliciet over een ‘doorstroomrecht’ (conform het advies van de VO-raad). CDA, D66, GL, Nieuwe Wegen, PvdA en VVD doen (minder of meer gedetailleerde) voorstellen voor het vergemakkelijken van doorstroming, zoals het schrappen van extra toegangseisen (GL, Nieuwe Wegen), verbeteren van de aansluiting of leerlijn tussen niveaus (GL, D66), zomerschool (PvdA), schakelprogramma’s (GL, CDA) het mogelijk maken dat leerlingen vakken op verschillende niveaus afronden (GL, VVD), of het schrappen van de kernvakkenregeling (D66).

Steeds meer opleidingen, vooral in het hoger onderwijs (HBO/WO), selecteren aan de poort (zie ook deze discussie), signaleert de Onderwijsinspectie, waardoor doorstroming moelijker wordt en het hoger onderwijs dus minder toegankelijk is. GL, PvdA en SP zeggen geen selectie aan de poort te willen. D66 wil een evaluatie van selectie aan de poort.

Sociaal leenstelsel

Tot slot enkele woorden over de toegang tot het hoger onderwijs. Bij invoering van het sociaal leenstelsel vreesden een aantal partijen dat het hoger onderwijs weer enkel voor de elite wordt. Vooralsnog is er geen zicht op mogelijke gevolgen van het sociaal leenstelsel op de toegankelijkheid voor arme studenten. De studentenaantallen namen dit jaar in elk geval weer toe. D66 en PvdA, die beide voor het leenstelsel stemden, wijzen terecht op de noodzaak de effecten van invoering van het leenstelsel op de toegankelijkheid voor lage inkomens te ‘monitoren’ of ‘evalueren’. DENK wil dat de hele studiebeurs inkomensafhankelijk wordt – ook een optie.

De invoering van het sociaal leenstelsel is niet noodzakelijk een probleem in termen van ongelijkheid, als een aanvullende beurs beschikbaar is voor studenten uit arme gezinnen. Die bestaat al, en mogelijk zeggen de meeste partijen er daarom niets over. GL wil het wettelijk collegegeld halveren en een aanvullende beurs voor studenten met lage inkomens. SP wil een grotere beurs voor arme studenten. SGP wil een aanvullende beurs voor middeninkomens.

Puur ter info, dus: 50PLUS, CDA, CU, FvD, Nieuwe Wegen, OndernemersPartij en PvdD willen de basisbeurs terug.

Gelijkere uitkomsten

‘Gelijke toegang tot onderwijs is niet voldoende. Het garandeert geen eerlijke en harmonieuze verdeling van inkomen en vermogen’, aldus Piketty. In het volgende deel kijk ik dan ook naar wat partijen willen doen aan inkomensongelijkheid.

  1. 1

    “Het moge duidelijk zijn dat partijen aan linkerzijde meer aan ongelijkheid willen doen dan rechtse partijen”

    Vooringenomen auteur is vooringenomen. Ik denk niet dat je ter rechterzijde nog veel mensen vindt die denken dat het geniale kind van de buschauffeur niet het allerbeste onderwijs zou moeten krijgen dat er is, om geheel meritocratisch naar de top te kunnen rijzen. Ook denk ik dat, ter rechterzijde, er toch wel iets heerst van: onderwijs-aandacht is enigszins een zero-sum game, dus de vraag is ook, of we niet met meer gelijkheid onszelf collectief naar beneden toe nivelleren. Ik denk dus dat aan de probleemstelling van dit stukje twee vragen vooraf gaan, namelijk: is gelijkheid altijd een nobel doel? En: gelijkheid, ten koste van wat?

    Tenslotte zou ik willen poneren: ongelijkheid/gelijkheid op welke termijn? Is het niet zo dat het cultiveren van ongelijkheid (het onderwijzen naar beste kunne van het geniale kind van de buschauffeur) niet later juist veel meer gelijkheid als gevolg heeft (het kind tilt zijn familie uit relatieve armoede). En andersom (het nivelleren heeft als effect een grotere, dommere, onderklasse)?

  2. 2

    @1: “Ik denk niet dat je ter rechterzijde nog veel mensen vindt die denken dat het geniale kind van de buschauffeur niet het allerbeste onderwijs zou moeten krijgen dat er is”
    Ik denk van wel. Of op zijn minst: Maar dat moet die buschauffeur dan wel betalen. Helaas is het in Nederland* een feit dat goed onderwijs te koop is en dat dus het iets bovengemiddeld intelligente kindje van de buschauffeur het aflegt tegen het iets ondergemiddeld intelligente kindje van de bankdirecteur. Jij beschrijft de gelijkheid in de verkeerde richting: Het gaat niet om intelligentie, maar om kapitaal als oorzaak van onderwijsongelijkheid.

    *Dat geldt uiteraard ook (vaak zelfs in sterkere mate) in grote delen van de rest van de wereld.

  3. 3

    @2: Maar dat moet die buschauffeur dan wel betalen.

    heb je het hele verhaal van de aanvullende beurzen gemist?

    overigens vind ik het veel interessanter om te weten hoe effectief het extra geld is geweest dat de laatste jaren naar het (basis)onderwijs is gegaan, dan om vooruit te blikken hoeveel extra geld er bij kan

    https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/primair-onderwijs/financienpo/uitgaven-ocw

    toch weer bijna 15% per leerling erbij de laatste 5 jaar.

  4. 4

    @3 aanvullende beurzen die er als het aan een (bijvoorbeeld) VVD zou liggen waarschijnlijk niet zouden zijn. Ze hoefden van hen in ieder geval niet verhoogd te worden, toen ze de stufi afschaftte, dat is afgedwongen door anderen.

  5. 6

    @5: ohja huilie huilie: tsja sommige ouders hebben een paar centen meer en geven dat liever uit aan bijlessen voor slome Pieter-Jan die VWO-3 niet kan bijbenen ipv twee pakjes Lucky Strike en een doos vuurwerk op Oud en Nieuw. Gaap….. je kan het ook overdrijven. 1 particuliere universiteit en een paar bijlesinstituten wegen niet op tegen de miljarden die jaarlijks worden gespendeerd aan het tegengaan van onderwijsongelijkheid (wat voor 90% een eufemisme is voor ouders die niet goed kunnen opvoeden)

    zie ook mijn link naar het CBS: naar *publiek* (!!!) onderwijs gaat 45 miljard per jaar: meer dan aan wegen, wetten, defensie en dijken tezamen. en zeker meer dan aan particulier onderwijs.

    @3 ok?

  6. 7

    @6: Particulier onderwijs is, in Nederland tenminste, en strikt naar mijn mening, iets wat eerder zijn kop serieus zal opsteken omdat de subsidie voor religieus onderwijs wordt afgeschaft, dan omdat een paar VVD-ers zich vervelen. Tot die tijd is iedereen blij met gesubsidieerd publiek onderwijs. Nee, het zijn eigenlijk de kinderlozen die zouden moeten protesteren tegen deze gedwongen herverdeling, maar enfin.

  7. 8

    @1 Hartstikke mooi als een partij zegt dat het kind van de buschauffeur ook excellent onderwijs moet krijgen, maar het is nog mooier als er dan concrete maatregelen worden voorgesteld, anders is zo’n belofte gebakken lucht. Daarom kijk ik niet naar vage beloften maar naar maatregelen zoals het selectiemoment uitstellen, waarover onder onderwijsexperts consensus is dat dat zin heeft.

    Overigens zet Sander Dekker (VVD) zich als staatssecretaris in voor een doorstroomrecht voor vmbo’ers (zie zijn opiniestuk in de Trouw vandaag), en wil de VVD inderdaad gelijk kansen voor kinderen – dat ontken ik ook niet – maar de maatregelen die de VVD in hun programma voorstelt zijn beperkt. De PVV is vast ook niet voor een klassenmaatschappij maar doet ook geen concrete voorstellen voor meer (kansen)gelijkheid.

  8. 9

    @3 Wat betreft het extra geld dat al naar onderwijs gaat om achterstanden weg te werken: misschien heeft dat wel (meer) effect als dat selectiemoment wordt uitgesteld (van 12 naar 15 jaar). Dus je kunt er prima op wijzen dat het extra geld weinig heeft opgeleverd (als dat zo is) en tegelijk pleiten voor andere maatregelen, zoals de brede brugklas.

  9. 10

    @9: uitstellen van het selectiemoment leidt ertoe dat kinderen met verschillende leersnelheden in één klas blijven zitten. Zijn in groep acht al de verschillen groot tussen VWO kinderen en die voor VMBO IL, dat zal alleen maar groter worden in het voorgezet onderwijs. En les geven op één niveau op het voorgezet onderwijs is al lastig, laat staan lesgeven op verschillende niveaus aan pubers.

    Maak liever de stapelmogelijkheden beter. Zo kan een laat bloeier alsno doorstromen, terwijl anderen,les krijgen op hun niveau. Acht jaar les krijgen op de basisschool met verschillende niveaus is al lang genoeg. Daarna is maatwerk op één niveau effectiever

  10. 11

    @9: Wat betreft het extra geld dat al naar onderwijs gaat om achterstanden weg te werken:

    tsja. zou kunnen dat het was op achterstanden werk te werken. maar eerlijk gezegd weet niemand of het effectief is. Zie ook het onderzoek van de Rekenkamer:

    Het onderwijs kreeg 2,2 miljard extra. Waar is het gebleven? We weten het niet!

    Visser daarover: ‘De Algemene Rekenkamer, die een deelonderzoek hiervoor uitvoerde, concludeerde indertijd: hoewel Kamer en kabinet hadden afgesproken dat de onderwijsvernieuwingen budgettair neutraal zouden worden ingevoerd, bleken ze tussen 1990 en 2007 2,2 miljard extra te hebben gekost. Hoe scholen dat geld hadden benut, was niet te achterhalen. Wat als de volksvertegenwoordiging tóch wil weten of extra budget voor het onderwijs rendeert? De Algemene Rekenkamer onderzocht in 2015 wat er was gebeurd met de 1,2 miljard euro extra voor de professionalisering van leraren in het primair en voortgezet onderwijs. Conclusie: het is onbekend hoeveel extra geld schoolbesturen daadwerkelijk aan de professionalisering van leraren besteedden. Evenmin is vast te stellen welk effect dat had op de onderwijskwaliteit.’

    http://time2wakeup.me/?p=6951 (ok verder een wat domme website)

    ik vind het wat voorbarig om voor allerlei investeringen in het onderwijs te pleiten aangezien de uitgaven daaraan al flink zijn gestegen de afgelopen vijf jaar.

  11. 12

    @6: 1 particuliere universiteit? Onder welke steen heb jij gelegen? Los van de (uit mijn hoofd minsten 3) particuliere universiteiten, zijn er nog tig “schools” die weliswaar aan publieke universiteiten zijn verbonden, maar die vies hoge collegegelden vragen om met wat minder intelligentie maar wel een vette beurs bedeelden aan een masterdiploma te helpen en evenzovele initiatieven van (ook bacheloropleidingen) waar de publieke universiteiten een aanmerkelijk hoger tarief collegegeld voor vragen. En je wilt niet weten hoeveel geld er omgaat in de bijlesindustrie. Dat is big business, net zoals het anderen (tegen betaling) laten schrijven van je scripties dat ook aan het worden is. En onderwijsongelijkheid is in mijn ervaring vooral (en steeds meer) een gevolg van economische ongelijkheid.

  12. 13

    En onderwijsongelijkheid is in mijn ervaring vooral (en steeds meer) een gevolg van economische ongelijkheid.

    Aha. Dus het onderwijs is hier dus eigenlijk geen goed middel om onderwijsongelijkheid aan te pakken? My thoughts exactly.