Gezocht: Europese waakhond burgerrechten m/v
In de reeks gastbijdragen vanuit de politiek, vandaag weer een artikel van D66 Europarlementariër Sophie in ‘t Veld.
Op 10 december van dit jaar is het zestig jaar geleden dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd uitgeroepen door de Verenigde Naties. Twee jaar later werd het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) ondertekend in Rome, waarmee een internationaal instrument werd geschapen voor de juridische verdediging van de mensenrechten en burgerrechten. Sindsdien is er ook door de Europese Unie en de voorlopers daarvan een uitgebreid pakket aan verdragen, richtlijnen en jurisprudentie ontwikkeld ter bescherming van mensenrechten en burgerrechten, en als het nieuwe EU Verdrag (Verdrag van Lissabon) wordt aangenomen, zal de EU zelfs toetreden tot het EVRM. Er zijn allerlei instanties ter verdediging van de mensenrechten en de burgerrechten, waaronder het Hof in Straatsburg. En sinds kort heeft de Europese Unie een Agentschap voor de Grondrechten. Naast de gewone rechtspraak is er voor elk afzonderlijk burgerrecht wel een instantie of toezichthouder waar burgers terecht kunnen met hun klachten. Na de gruwelen van de twee wereldoorlogen kregen Europese burgers dus uitgebreide mogelijkheden om hun rechten juridisch af te dwingen, en om zich te verdedigen tegen willekeur en machtsmisbruik door de staat.
Maar hoe zit het met de praktijk van de burgerrechten? Met zo’n veelheid aan wetten en instanties ter bescherming van de burgerrechten zou je zeggen dat het in Europa wel snor zit. Maar het lijkt er op dat de burger zèlf een beetje verloren loopt in het woud aan regels en instellingen. Er zijn veel moedige, vastberaden burgers die hun zaak bevechten tot aan het Hof in Straatsburg, of het Hof van Justitie in Luxemburg. Dat heeft veel uitspraken opgeleverd waarmee de burgerrechten grote sprongen vooruit hebben gemaakt, bijvoorbeeld op het terrein van gelijke behandeling. Maar voor veel mensen is de gang naar de rechter te ingewikkeld, of ze voelen er – begrijpelijkerwijs – niet veel voor om in hun piere-eentje voor een zaak te vechten met alle mogelijke negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld hun privé-leven of hun baan.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld Amerika, blijft het in Europa veelal een zaak van individuele burgers en officiële instanties. Er zijn talloze maatschappelijke organisaties die de belangen behartigen van specifieke groepen, of staan voor een “single issue”. Heel veel organisaties houden zich bezig met publiekscampagnes of het belobbyen van beleidsmakers, maar veel minder met procederen en het voeren van proefprocessen. Afgezien van een paar wereldwijde bewegingen als Human Rights Watch en Amnesty International zijn de meeste organisaties bovendien nationaal georganiseerd. Vaak worden ook politici geacht de burgerrechten en mensenrechten te bewaken. De burgerrechten zijn als het ware geïnstitutionaliseerd, een zaak van de overheid geworden. Terwijl burgerrechten eigenlijk een zaak moeten zijn van burgers, van onszelf.
Het gaat bij burgerrechten en mensenrechten voor een groot deel om de verhouding tussen de burger en de staat, of zelfs het beschermen van de burger tegen de staat. Dat maakt precies het verschil tussen een democratie en een dictatuur: zowel in democratieën als in dictaturen heeft de staat de neiging de burgerrechten en de mensenrechten te schenden, maar in een democratie kan een burger zich daartegen verweren, en kan een regering ter verantwoording worden geroepen.
Voor individuele burgers is het vaak een onhaalbare kaart om het in hun eentje tegen de staat op te nemen. Officiële instanties zijn weliswaar onafhankelijk, maar zijn geneigd bureaucratisch te opereren en zich strikt binnen de gebaande paden te begeven terwijl soms juist een luis in de pels nodig is om de grenzen van de wet op te zoeken en waar nodig op te rekken.
De geschiedenis van Europa is een aaneenschakeling van gewelddadige, autoritaire regimes. Nog maar heel kort geleden waren dertien van de huidige 27 EU Lidstaten een dictatuur. Je zou zeggen dat Europa een vruchtbare bodem zou zijn voor een levendige burgerrechtenbeweging. Maar merkwaardig genoeg heeft Europa nauwelijks een cultuur of traditie van een beweging die de rechten en vrijheden van burgers beschermt. Daarnaast is het bestaan van een Europese bestuurslaag – en daarmee dus de noodzaak voor een burgerrechtenbeweging op Europees niveau – eigenlijk ook van relatief recente datum, vooral omdat de EU zich pas de laatste jaren begeeft op terreinen die raken aan de burgerrechten en de mensenrechten. Bijvoorbeeld immigratie- en asielbeleid, buitenlands- en veiligheidsbeleid en politie- en justitiesamenwerking. Maar ook op andere terreinen gaan de grondrechten een rol spelen: vrij verkeer van personen, wetenschappelijk onderzoek of grensoverschrijdende gezondheidszorg bijvoorbeeld.
In de Verenigde Staten is er wel een levendige burgerrechtenbeweging, en een sterke cultuur van burgerrechten en -vrijheden. De American Civil Liberties Union, opgericht in 1920, heeft inmiddels zo’n half miljoen leden. Door het voeren van rechtszaken, meestal tegen overheidsinstanties, heeft de ACLU baanbrekend werk verricht voor de burgerrechten. Zo heeft ACLU veel gedaan aan de strijd tegen rassendiscriminatie, voor het recht op abortus en voor het recht op vrije meningsuiting. De laatste jaren richt ACLU zich actief op schending van mensenrechten en burgerrechten in de strijd tegen terrorisme, en op de voortschrijdende schending van de persoonlijke levenssfeer van burgers door de overheid.
Ook allerlei andere organisaties zijn actief op dit terrein, en zorgen ervoor dat de Amerikaanse burgerrechten ook daadwerkelijk een concrete invulling krijgen en niet een dode letter blijven. Amerikanen staan veel kritischer ten opzichte van de overheid dan Europeanen. Het bewaken van burgerrechten is in de VS veel minder ingebed in de overheidsstructuren dan in Europa. In Europa zijn van overheidswege bevoegde onafhankelijke toezichthouders belast met het bewaken van de rechten van de burger en het toepassen van de wet. Maar daar waar het gaat om de verhouding tussen burger en staat is het soms nodig om actie te voeren, de barricaden op te gaan of zelfs in uitzonderlijke gevallen om de wet te breken. Deze waakhondfunctie kan niet of nauwelijks door officiële instanties worden uitgeoefend. Daarvoor moeten burgers zelf op de been komen.
De burgerrechten uit het EVRM zijn uiterst actueel. De vrijheid van meningsuiting, het recht op privacy, het recht op huwelijk, vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, het recht op vrijheid en veiligheid, het verbod op martelen, vrijheid van vergadering, het recht op een eerlijk proces en het verbod op discriminatie staan allemaal hoog op de politieke agenda.
Al die zaken zijn, zoals gezegd, in principe goed geregeld in wetten en verdragen. Maar we zien dat ze in de praktijk worden uitgehold en ondermijnd. Regeringen – ook in vrije, democratische landen – beroepen zich op noodsituaties om zich te onttrekken aan de regels. In de strijd tegen terrorisme zien we dat democratische regimes met bureaucratische middelen en legalistische trucs het verbod op martelen omzeilen, Er wordt ijskoud gesteld dat de normale wetten en verdragen niet meer voldoen in de huidige situatie. Maar die redenering klopt niet: regels en verdragen over mensenrechten zijn juist gemaakt voor conflictsituaties. De kracht van de rechtsstaat en van onze democratische principes wordt juist nu getest, in tijden van spanning en conflict.
De kwestie van de illegale uitleveringen en gevangenissen van de CIA zijn een goede illustratie daarvan. Hoewel de regels overduidelijk zijn geschonden met medeweten (en soms ook medewerking) van de Europese regeringen, blijkt het in de praktijk vrijwel onmogelijk om iemand daarvoor ter verantwoording te roepen. Er zijn weliswaar op nationaal niveau justitiële en parlementaire onderzoeken gestart, maar die kunnen de kwestie als geheel niet aanpakken. In de VS zien we dat acties van mensenrechtenorganisaties via het federaal gerechtelijk apparaat veel hebben kunnen uitrichten.
Het blijft in de praktijk moeilijk om het naleven van de regels af te dwingen, als de politieke wil ontbreekt. Zo is bijvoorbeeld een algemeen verbod op discriminatie niet genoeg, als een nationale regering of de Europese Commissie geen zin hebben om een discriminatieverbod strikt na te leven. In zo’n geval zou het heel effectief zijn om een Europese burgerrechtenorganisatie te hebben die naar de rechter stapt. Zo zou een Europese organisatie zich kunnen buigen over zaken met een duidelijke Europese dimensie. Bijvoorbeeld de erkenning van huwelijk, geregistreerd partnerschap of scheiding, het recht op (weigeren van) medische behandeling, strijd tegen alle vormen van discriminatie, of het recht om vreedzaam te demonstreren.
De noodzaak groeit van een gedegen bescherming van burgerrechten en mensenrechten op Europees niveau. Er wordt steeds meer beleid gemaakt in Europa waarbij burgerrechten en mensenrechten in het geding zijn. Dan zijn strikt nationale regels en instanties niet meer voldoende. Ook een nationale burgerrechtenbeweging kan dan niet veel uitrichten.
Het is de hoogste tijd voor een Europese burgerrechtenbeweging, die de rechten uit het EVRM en het Europese Handvest van de Grondrechten tot een realiteit gaan maken voor de Europese burgers. Een bottom up beweging waarbij burgers zelf invulling geven aan hun rechten en aan het Europees Burgerschap.

