Op de kleuterschool leerde ik één gedichtje. Het ging over een ondeugend hondje. Fikje was zijn naam. Als vijfjarige was ik diep onder de indruk dat je met rijmende woorden zoiets grappigs kon vertellen. Ik leerde het versje helemaal uit mijn hoofd om het thuis op te kunnen zeggen voor de familie.
Vijf jaar later zat ik in de vierde klas van de lagere school, mijn leerprestaties werden steeds slechter, ik verveelde me suf in de klas. In een opwelling schreef ik in mijn werkschrift het gedicht over Fikje. Ik had jaren niet meer aan hem gedacht, maar blijkbaar verlangde ik op een moeilijk moment naar vrolijke taal in de klas. Toen de eerste regels me te binnen schoten, noteerde ik ze direct, ik was bang dat ze me weer zouden ontglippen. De meester vond mijn aantekeningen in mijn schrift en werd boos toen hij mijn ‘flauwekul’ over Fikje las.
Pas op mijn vijftiende maakte ik kennis met echte poëzie: Mei van Herman Gorter en De Akelei van Ida Gerhardt. Deze gedichten werden in de jaren zeventig op veel middelbare scholen behandeld. Ik