De laatste keer
– Ik denk dat ik het wel ga missen, Stef…
– Wat ga je denk je wel missen?
– Nou, dit…
– Dit?
– Dit ja.
– Dit.
– Ja. Dit.
– Ik begrijp niet wat je bedoelt, Mark.
– Onze fietstochtjes, Stef. Ik doel op onze fietstochtjes.
– Ah. Onze fietstochtjes.
– Ja, onze fietstochtjes. Hoeveel hebben we er gemaakt?
– Geen flauw idee. Ik heb ze niet geteld.
– Door weer en wind zijn we gegaan.
– Door weer en wind.
– Vooral door wind natuurlijk.
– Vooral door weer juist.
– Het is altijd weer.
– Dat bedoel ik. Het is altijd weer. Dus als je door weer en wind gaat, kun je niet zeggen dat je door meer wind dan weer gaat. Integendeel. Als het een keer niet waait, dan ga je wel door weer, maar niet door wind.
– Ach zo. Je blijft een precieze, Stef.
– Ik ben inderdaad graag accuraat.
– Waar denk je dat het mis is gegaan?
– Mis vind ik een groot woord. De uitdrukking is wat scheef. Weer en wind geeft het idee dat de twee woorden gelijkwaardig zijn. Maar weer is nu eenmaal wat veelomvattender dan wind. Als de uitdrukking ‘door regen en wind’ was geweest, dan had je dat probleem niet gehad.
– Nee, ik bedoelde: met Geert.
– Met Geert? Wat heeft die met weer en wind te maken?
– Stef, doe niet zo flauw. Ik bedoel: waarom denk je dat Geert Wilders de besprekingen heeft opgeblazen? We hebben ‘m toch altijd alles gegeven wat ie wilde? We hebben ‘m toch nooit iets ontzegd? Hij heeft bevriende staatshoofden beledigd, hele bevolkingsgroepen geschoffeerd, zijn partij werd bevolkt door schorem… zelfs over dat meldpunt van ‘m heb ik niks gezegd… waarom heeft hij…
– Omdat het een ondankbare hond is, Mark. Juist omdat je hem nooit op het matje hebt geroepen, kent hij zijn plaats niet. Hij voelt niet de minste behoefte om jou het hand boven het hoofd te houden, Mark. Als je zelf kinderen had gehad, dan had je dat begrepen.
– Ik vind het oneerlijk.
– Het leven is oneerlijk. Kom. Wie het laatst bij het torentje is, is een zak patat met mayonaise.
– Hey! Stef! Valse start! Valse start!
– Het leven is oneerlijk, Mark. Het leven is oneerlijk.