Bloed in de rivier

Na weken opgesloten te hebben gezeten in een donker hok moest Hercules dan eindelijk voor de rechters verschijnen. Dat gebeurde in het hoofdhuis van Plantage De Dageraad, een van de weinige plantages die tijdens de slavenopstand niet in handen was gevallen van de rebellen. Hier zetelden nu de rechters die de opstandelingen hun verdiende straf moesten geven. En Hercules was een bijzonder geval. Met hem  hadden ze zonder twijfel een van de leiders van de opstand te pakken! Het recht zou zegevieren – maar dan moesten natuurlijk wel eerst een handjevol bewijzen op tafel komen. En dat was lastig. Opstandelingen werden wreed gestraft. Wie een Europaan had vermoord, kon rekenen op de doodstraf. En dus schoven de gevangenen voortdurend de schuld af, ze wezen naar elkaar, naar deelnemers die al dood waren, en naar de leiders waarvoor ze vreselijk bang waren geweest, zeiden ze. Mensen als Hercules. En het moest gezegd: de gevangene die nu voor de rechters verscheen maakte, ondanks de beestachtige behandeling, indruk. Hercules had geen tolk nodig. Hij sprak Nederlands. De plantages langs de rivier de Berbice stelden niet veel voor. Die in Suriname, ten westen van de Berbice, waren veel winstgevender. Berbice draaide marginaal – wat betekende dat de plantages door hun aandeelhouders verwaarloosd werden, dat de planters betrekkelijk arm waren en dat er daardoor ook een chronisch gebrek aan slaven was. En dus werden de slaven die daar werkten, extra hard uitgebuit. Niet alle plantagehouders waren sadisten – maar vooral dankzij hen barstte in 1763 langs de hele rivier een opstand uit. Tientallen plantages gingen in vlammen op. Er vielen honderden doden. De Nederlanders vluchtten naar plantages aan de monding van de rivier, en stuurden wanhopige alarmbrieven rond. Het duurde maanden voordat de opstand onderdrukt kon worden. Maanden waarin de opstandeling zélf elkaar ook vaak voor de voeten liepen, of gewoon overhoop schoten. Want de opstand was misschien gelukt, de opstandelingen vormden een bont allegaartje en niemand wist wat er moest gebeuren. In december 1763 arriveerden er twee schepen uit Nederland, met soldaten. De Hertog van Brunswijk, de Pruisische ‘sterke man achter de troon’ van stadhouder Willem, had eigenlijk helemaal geen zin gehad om daar manschappen naartoe te sturen – de tropen waren synoniem met koorts, met sterven – maar moest uiteindelijk toch iets doen. Hij had in de schepen zelfs nog grote gaten laten zagen, voor frisse lucht. Maar nu kon Wolphert van Hoogenheim, gouverneur van Berbice, eindelijk in de tegenaanval. Hij kon, zoals hij schreef, ‘onze trouw gezinde negros slaaven van de dwang en woede der rebellen redden, verlossen en teregt brengen.’ Een paar maanden later was de ‘rust’ teruggekeerd en kon het recht zijn loop hebben. Of iets wat daarop leek. We weten redelijk veel over de Atlantische slavenhandel, over schepen en aantallen. Het ging immers om geld, dus dat alles werd nauwgezet geadministreerd. Ook over het (economisch) reilen en zeilen van plantages kunnen we een goed beeld opbouwen. Veel minder weten we over slavenopstanden en over hoe ze werden neergeslagen. Er zijn er tientallen, zo niet honderden geweest. Vrijwel tegelijk met de invoer van slaven, ontstonden er in de binnenlanden van vooral Midden-  en Zuid-Amerika gemeenschappen, dorpen, van gevluchte slaven die buiten het bereik van de Europeanen wisten te blijven. Opstanden, die moesten zo snel mogelijk worden onderdrukt en daar sprak of schreef men liever niet over. Een opstand was immers slecht nieuws voor investeerders en potentiële investeerders, en het kon andere slaven alleen maar op verkeerde gedachten brengen. Na afloop werd er hard afgerekend, en daarna zand erover. Het was dan ook een bijzondere ontdekking toen Marjoleine Kars een paar jaar geleden in het Nationaal Archief bij toeval op een stapel rechtbankverslagen stuitte over de vergeten opstand aan de Berbice. Op basis daarvan kon ze een gedetailleerde reconstructie schrijven van het leven aldaar vóór, tijdens en na de opstand. Een fascinerend maar ook bloedig verhaal. Hercules, zo werd van vele kanten gezegd, had de vrouw van ‘zijn’ plantagehouder vermoord. Hij mocht niet ontkomen. Maar eenmaal staande voor zijn rechters hield hij het hoofd koel. De moord? Hij noemde andere namen. De rol van zijn eigen vrouw? Die had er niks mee te maken. Maar, zo vertelde hij triomfantelijk, en de klerk zal het met verachting hebben genoteerd: ‘naderhand, doen sijn Heer naar [plantage] de Zeekant was vertrokken heeft hij wel met zijn vrouw en kinderen aan de tafel van sijn Heer gegeeten.’ Hij dacht er vast met genoegen aan terug. Voor zijn rechters was het een duidelijk teken dat hij een van de leiders van de opstand was geweest. Het verhoor werd voortgezet. Was hij daar en daar geweest? Had hij meegevochten op de Dageraad, en hij was toch op de Peereboom gezien, tijdens die moordpartij? Hij had toch al die tijd wapens gedragen? Hercules bleef ontkennen, eromheen draaien, anderen aanwijzen. Hij vocht voor zijn leven. Na afloop dacht hij wellicht dat hij zijn hoofd had gered. Maar een week later volgde een tweede, fataal verhoor. Dit keer was als getuige de slaaf Cornelis aanwezig, van de plantage Petite Bayonne. Cornelis was een ‘terugkeerder’. Gedreven door de honger, en mogelijk door het onderlinge geweld, had hij de rebellen achter zich gelaten en was teruggekeerd naar de Europeanen. Zulke terugkeerders vertelden uiteraard dat ze door de rebellen gedwongen waren om mee te doen. Ze hadden niks niemand vermoord, ook nooit echt geplunderd – maar ze konden natuurlijk veel bruikbare informatie leveren. Op die manier hoopten ze aan een al te zware straf te ontkomen. Cornelis bleek een bruikbare getuige. Hem werd gevraagd ‘of dat die Hercules is die een Christen heeft vermoord & sig schuldig gemaekt aan veel quad?’ Zijn antwoord luidde: ‘Ja, het is deselfde, die Heers vrouw heeft dootgemaekt en segt hun sulx in fasie aan.’ Hij zei het de verdachte dus recht in het gezicht – wat in die tijd beschouwd werd als een teken dat de getuige de waarheid sprak. Daarmee was Hercules’ lot bezegeld. En zo werden tientallen tot de doodstraf veroordeeld. Het ‘recht’ zegevierde. De processtukken verhuisden naar Den Haag, om daar onder het stof te komen liggen. De slavernij zou nog een eeuw stadhouden. [boeklink]9789045041926[/boeklink] De foto boven deze recensie: Monument voor Cuffy in Georgetown, Guyana. Cuffy was een van aanvoerders van de slavenopstand in Berbice.

Foto: Citra Pramadi (cc)

Wanneer een school niet meer de naam wil dragen van ‘de Slachter van Banda’

Veel ophef dinsdag op sociale media en woensdag in De Telegraaf over de aankondiging van de Amsterdamse J.P. Coenschool om van naam te willen veranderen. Er wordt gesproken over een ‘beeldenstorm’ en ‘geschiedvervalsing’. Is dat zo?, vraagt Ewoud Butter zich af.

Het begon met een artikel op de website Napnieuws.nl waarin directrice Sylvie van den Akker liet weten dat de Amsterdamse J.P. Coenschool in de Indische Buurt haar naam gaat veranderen.

Kritiek op de naam kwam de afgelopen tijd eerst van ouders en later ook van leerkrachten, vertelt Van den Akker. Het hele team staat achter de naamverandering.

Aan De Telegraaf liet Van den Akker weten dat een andere reden is dat de school de ‘eerste Unesco-school’ is in Amsterdam. ‘We vinden dat Coen daar niet bij past. (…) Hij heeft natuurlijk veel mensen vermoord. Daar voelen wij ons niet meer senang bij.’

Jan Pieterszoon Coen was de vierde gouverneur-generaal van Oost-Indië en wordt vaak gezien als de grondlegger van de Nederlandse heerschappij in de Indische archipel. Hij stichtte de handelspost Batavia, het latere Jakarta. J.P. Coen staat ook bekend als ‘De Slachter van Banda’. Historiek schrijft hierover:

In 1621 trad Coen hard op tegen de Bandanezen die onder druk van de Engelsen hun specerijen-contract niet nakwamen. Hij reisde met een grote vloot naar de Banda-eilanden. Hoewel de bevolking vluchtte ontkwamen slechts weinigen. Naar schatting overleefden slechts zeshonderd van de 15.000 Bandanezen de aanval. Bekend is dat de VOC tijdens deze volkerenmoord Japanse samoerai-beulen die in dienst waren van de VOC, opdracht gaven tientallen dorpshoofden te onthoofden. Jan Pieterszoon Coen, die het monopolie op de handel in nootmuskaatnoten en foelie veilig had gesteld, kreeg door deze gebeurtenis de bijnaam: Slachter van Banda.

Lezen: De wereld vóór God, door Kees Alders

De wereld vóór God – Filosofie van de oudheid, geschreven door Kees Alders, op Sargasso beter bekend als Klokwerk, biedt een levendig en compleet overzicht van de filosofie van de oudheid, de filosofen van vóór het christendom. Geschikt voor de reeds gevorderde filosoof, maar ook zeker voor de ‘absolute beginner’.

In deze levendige en buitengewoon toegankelijke introductie in de filosofie ligt de nadruk op Griekse en Romeinse denkers. Bekende filosofen als Plato en Cicero passeren de revue, maar ook meer onbekende namen als Aristippos en Carneades komen uitgebreid aan bod.

Foto: Stefano Cannas (cc)

Zelfhaat

COLUMN - Vroeger had ik een collega die ooit woonde in de Jan Pieterszoon Coenstraat in Utrecht. Al in de jaren ’70 hadden bewoners van die straat de gemeente verzocht om wijziging van de straatnaam, want wat die Jan Pieterszoon Coen allemaal in de Oost had uitgespookt, daar zou je tegenwoordig linea recta voor bij een oorlogstribunaal eindigen. Ik weet het niet zeker, maar in die jaren hadden we volgens mij alleen nog maar de Neurenberg-tribunalen gehad. De rest moest nog komen.

Diezelfde discussie is de laatste tijd weer boven komen drijven, onbedoeld veroorzaakt door het gebruik van de term ‘VOC-mentaliteit’ door een paar politici, als aanbeveling over hoe het met het land verder zou moeten. Wat moeten we met een standbeeld van de Slachter van Banda op het dorpsplein? Wat moeten we met die roofstaat aan de Noordzee, en met Multatuli’s Max Havelaar? Wat moeten we met Rawagede? Meer in het algemeen: wat moeten we met vaderlands erfgoed dat staat voor het foute, het slechte, het lelijke?

Het is de laatste tijd niet meer zo ‘in’ om te wijzen op de kwalijke kanten van de vaderlandse geschiedenis of de schaduwzijden van de huidige Nederlandse samenleving. Wie dat doet, krijgt al snel het verwijt een ‘zelfhater’ te zijn of een ‘weg-met-ons-mentaliteit’ te bezitten. In plaats daarvan zouden we eens wat positiever moeten staan tegenover dat ‘ons’ en dat ‘zelf’, niet altijd van dat negatieve.

Lezen: Het wereldrijk van het Tweestromenland, door Daan Nijssen

In Het wereldrijk van het Tweestromenland beschrijft Daan Nijssen, die op Sargasso de reeks ‘Verloren Oudheid‘ verzorgde, de geschiedenis van Mesopotamië. Rond 670 v.Chr. hadden de Assyriërs een groot deel van wat we nu het Midden-Oosten noemen verenigd in een wereldrijk, met Mesopotamië als kernland. In 612 v.Chr. brachten de Babyloniërs en de Meden deze grootmacht ten val en kwam onder illustere koningen als Nebukadnessar en Nabonidus het Babylonische Rijk tot bloei.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.