Het geweldsmonopolie vraagt om meer dan collegiale loyaliteit
Een zwangere vrouw die in mei tijdens een politieoptreden in een asielzoekerscentrum in Zeist hard tegen de grond werd getrokken, doet aangifte tegen de betrokken agenten. Volgens haar advocaat gaat het om mishandeling of poging tot zware mishandeling en schending van de geweldsinstructie. De vrouw stelt dat zij na het incident vroegtijdige weeën kreeg en psychisch letsel opliep.
Die aangifte is belangrijk, los van de vraag hoe een rechter uiteindelijk over deze zaak zal oordelen. Ze legt namelijk een fundamenteler probleem bloot: de manier waarop de politie reageert wanneer er serieuze vragen worden gesteld over het eigen geweldsgebruik.
Vrijwel direct na het incident volgde de boodschap dat het geweld “noodzakelijk” was. Later bleek dat een interne geweldscommissie tot dezelfde conclusie was gekomen. Op de vraag of het geweld ook proportioneel en volgens de regels was toegepast, gaf de politie geen inhoudelijk antwoord. Dat zou onderdeel zijn van een interne procedure die niet openbaar wordt gemaakt.
En dat is gek. De politie beschikt als enige organisatie over het wettelijke geweldsmonopolie. Dat is een uitzonderlijke positie, gebaseerd op vertrouwen. Burgers accepteren dat agenten geweld mogen gebruiken omdat zij ervan uit mogen gaan dat elk gebruik van geweld onafhankelijk, kritisch en transparant wordt beoordeeld.