‘Geen spoor van beschaving’

Het dagboek van Kolonel Willem de Veer, die in 1913 op een internationale vredesmissie Albanië bezocht, geeft niet alleen een beeld van de politieke situatie op de Balkan aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog maar ook van de culturele kloof tussen Nederland en Albanië. Een boekbespreking van gastauteur Raymond Detrez (op de foto de Brug van de Vezier bij Kukës in Noord-Oost Albanië). Albanië wordt over enkele jaren ongetwijfeld de zoveelste volwaardige lidstaat van de Europese Unie, maar toen het land in 1912 als onafhankelijke staat onstond leken zijn overlevingskansen niet bijster groot. Griekenland, Servië, Montenegro en Bulgarije hadden eerder een militair bondgenootschap gesloten om de Osmanen definitief van de Balkan te verdrijven en meteen ook in grote lijnen afgesproken hoe ze het veroverde gebied onder elkaar zouden verdelen. Daarbij claimden Servië en Montenegro het noorden van Albanië (met Kosovo); Griekenland wilde het zuiden. Mochten ze hun zin krijgen, dan waren de Albanezen als volk tot verdwijnen gedoemd. Om dat te voorkomen riepen Ismail Qemali en enkele andere Albanese leiders op 28 november 1912, kort na het uitbreken van de Eerste Balkanoorlog, in Vlorë de onafhankelijkheid uit. Gelukkig bleken de Grote Mogendheden van die tijd in mei 1913 bereid om met het Verdrag van London die onafhankelijkheid te erkennen. De Albanezen hadden het Osmaanse Rijk decennia lang beschouwd als de beste bescherming tegen de expansiedrift van hun buren (al hadden ze wel geijverd voor meer autonomie binnen dat rijk), maar toen de Osmanen van de Balkan werden verdreven, was onafhankelijkheid de enige overlevingskans. Kibbelende politici De nieuwe staat stond op wankele benen. De Albanezen waren altijd goed in het Osmaanse Rijk geïntegreerd geweest, ze hadden de sultans vezieren, militairen, ambtenaren en geleerden geleverd. Velen van hen namen dan ook tegen hun zin afscheid van de Osmanen. Pro-Osmaanse groeperingen bleven actief. Het gezag van premier Ismail Qemali werd buiten Vlorë en omstreken niet erkend. In Centraal-Albanië zwaaide, met Servische steun, Essad pasja Toptani de plak. Het noorden werd gedomineerd door krijgslustige en vrijheidlievende katholieke clans. De Osmanen hadden altijd een grote mate van lokaal zelfbestuur toegestaan en dat had een stempel gedrukt op de politieke cultuur. Lokale potentaten hadden vooral oog voor lokale – of eigen – belangen en als er dan toch iemand aan het hoofd van de staat de plaats van de sultan moest innemen, dan vond ieder zichzelf daarvoor de aangewezen persoon. De buurlanden erkenden de grenzen van de nieuwe staat niet; ze bleven Albanees grondgebied claimen en zochten onder de kibbelende Albanese politici naar handlangers om alsnog hun slag thuis te halen. De Grote Mogendheden vonden het dan ook verstandig om een Internationale Controlecommissie in het leven te roepen, bestaande uit vertegenwoordigers van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Rusland, Oostenrijk-Hongarije en Duitsland, met de bedoeling een oogje in het zeil te houden. Ook binnen de Controlecommissie werd veel geruzied. De Eerste Wereldoorlog wierp zijn schaduw vooruit. Hoe dan ook, ze belastte een Nederlandse missie, bestaande uit kolonel Willem De Veer en majoor Lodewijk Thomson, met de taak om een Albanese gendarmerie op te richten. Verkenning van een ontoegankelijk land Om te beginnen moesten De Veer en Thomson overal in Albanië de diverse politieke leiders gaan opzoeken om ze te polsen over hun bereidheid om aan dat project mee te werken. Dat was geen sinecure, gezien de legendarische ontoegankelijkheid van het land (door de hoge bergketens), de verloederde of onbestaande infrastructuur, het gebrek aan informatie over land en volk, de taalbarrière enzovoort, maar ze speelden het klaar. We zijn goed ingelicht over hun wederwaardigheden dankzij het dagboek, dat kolonel De Veer over hun eerste verkenningsreis bijhield en dat naderhand is verschenen in De Nieuwe Courant. Hij rapporteerde ook aan de Nederlandse minister van Oorlog en schreef brieven aan zijn vrouw. Het dagboek, hier en daar aangevuld met fragmenten uit de brieven, werd onlangs heruitgegeven onder de titel Reisindrukken uit Albanië 1913 bij Skanderbeg Books. De reis van beide verkenners begon op zondag 10 november 1913 in de zuidelijke havenstand Vlorë, waar een jaar eerder de Albanese onafhankelijkheid was uitgeroepen. Op 11 november is De Veer al met zijn oordeel over Albanië klaar en dat oordeel zal in de loop van de volgende anderhalve maand die hun reis duurt nauwelijks veranderen: 'Er was geen spoor van beschaving; de bevolking maakte in hoge mate een apathische en indolente indruk. Alles, letterlijk alles wat men hier zag, was bouwvallig, oud en in hoge mate vervuild; niets werd hier onderhouden of opgeruimd, alles moest maar een natuurlijke dood sterven, nimmer werd een behulpzame hand uitgestoken om het verval ook maar enigermate te stuiten. Toch maakten de Albanezen met hun fantastische klederdracht hun residentie tot een schilderachtig geheel, dat evenwel toch in hoge mate vuil en weerzinwekkend oogde.' Een week voor zijn terugkeer naar Nederland, eind december, luidt het in een brief aan zijn vrouw: “Hoe meer ik de Albanees leer kennen des te meer begin ik het volk te minachten. Ze zijn allen te lamlendig om iets uit te voeren.” Schapenvlees De 19e eeuwse dichter Lord Byron noemde de Albanezen “brave, rigidly honest, and faithful”, “the most beautiful race”, maar De Veer had nu eenmaal niet zo’n romantische ziel als de Engelse poëet. De Veer komt uit zijn reisindrukken naar voren als een gewetensvol man, die niet terugdeinst voor de ongemakken en gevaren die de ritten te paard over de grotendeels onbestaande wegen door het Albanese hooggebergte met zich meebrachten, maar ook als iemand die op zijn strepen staat en overal met de nodige egards wil worden behandeld. De twee onderofficieren-oppassers die hij en Thomson hebben meegekregen, worden al enkele dagen na aankomst in Albanië teruggestuurd wegens hun familiair gedrag. Het liefst verkeert De Veer in het gezelschap van de Italianen en de Oostenrijkers die in Albanië verblijven en vooral in dat van hun dames. Hij is ook vol lof voor de gerechten die hij, bij hen op bezoek, voorgeschoteld krijgt en die hij beschrijft als een echte gourmet. De Albanese keuken vervult hem, wegens het overvloedige gebruik van schapenvet, met afkeer, al laat hij de enkele keren dat een Albanese gastheer hem culinair verwent niet onvermeld. De Veer ontmoet op zijn pad ook wel vriendelijke, behulpzame en efficiënte Albanezen. Hij staat er echter nooit bij stil dat hij in hun ogen een even curieus fenomeen is – iemand die geen schaap lust! – als de Albanezen dat voor hem zijn. Al begrijpen de gesprekpartners van De Veer en Thomson wel dat het onafhankelijke Albanië zijn bestaan te danken heeft aan de Internationele Controlecommissie, ze moeten die twee Nederlanders toch ook beschouwd hebben pottenkijkers, van wie ze niet precies konden weten wat ze uiteindelijk met het land voorhadden. Terug bij af De Veers reisindrukken bestaan hoofdzakelijk uit beschrijvingen van ontberingen onderweg. De vele door Thomson gemaakte foto’s die in het boek zijn opgenomen, vormen een kostbare aanvulling. Soms lees je het reisverslag zelfs als een boeiend commentaar bij de foto’s. De Veer houdt ons ook op de hoogte van zijn hobbies. Zo is hij voortdurend op zoek naar Albanese postzegels – Osmaanse postzegels overgedrukt met de Albanese adelaar –, die hem blijkbaar ook een goede investering lijken. “Ik denk dat de serie die wij voor ± 4 francs kochten op het ogenblik misschien reeds meer dan 100 francs waard zijn.” Beide militairen ontmoeten ook een aantal belangrijke Albanese leiders: de reeds genoemde Ismail Qemali, in de ogen van De Veer een zwakke figuur; Essad pasja Toptani, heer en meester van Centraal-Albanië, die beide heren in Durrës ontvangt in “een gouvernementsgebouw, door de inrichting en het decorum dat er gehandhaafd werd, meer overeenkomstig de waardigheid van een staatshoofd” dan de loods aan het strand in Vlorë, waarin de regering van Ismal Qemali onderdak had gevonden; de charismatische Prenk (prins) Bibë Doda, leider van de katholieke stam van de Mirdieten in Noord-Albanië, “die een bijzondere voorliefde lijkt te hebben om alles van een belachelijke zijde te bezien”. Wat beide militairen precies bespreken met hun Albanese gesprekspartners overlegden komen we niet te weten. Vermoedelijk was de informatie daarover enkel bestemd voor de leden van de Controlecommissie of de Nederlandse minister van Oorlog. Op de politieke situatie in Albanië, het beleid van de Controlecommissie en de oprichting van de Albanese gendarmerie gaat De Veer pas tegen het einde van het boek wat dieper in. Hij had van de gendarmerie een erezaak gemaakt, maar vreesde dat de Controlecommissie de Albanese staat als niet levensvatbaar zou beschouwen en niet bereid zou zijn de nodige financiële middelen te leveren voor de organisatie van de gendarmerie. Curieus genoeg was het beeld dat hij in zijn reisindrukken van de Albanezen gaf eerder koren op de molen van degenen die Albanië een doodgeboren kind waanden. Zijn gendarmerie is er uiteindelijk wel gekomen, maar aan de samenwerking met de Nederlandse militairen kwam aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een einde. Beide heren hadden ondertussen ruzie met elkaar gekregen, nadat koning Wilhelm zu Wied Thomson en niet De Veer promoveerde tot hoofd van het Albanese leger. In juni 1914 sneuvelde Thomsom bij Durrës; een maand later verliet De Veer Albanië voorgoed. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hief de Internationale Controlecommissie zichzelf op. Het grootste deel van Albanië werd bezet door Oostenrijk-Hongarije; het zuiden werd gecontroleerd door Italië en Frankrijk. Na de oorlog begon Albanië terug bij af. Raymond Detrez was tot zijn emeritaat hoogleraar geschiedenis van Zuidoost-Europa aan de Universiteit Gent [boeklink]9789076905402[/boeklink]

Foto: Clivid (cc)

Dekolonisatie in de geschiedschrijving

RECENSIE - Objectiviteit zal in de geschiedschrijving altijd een discussiepunt blijven. Wat er vroeger gebeurd is en welke betekenis we daaraan moeten geven zal door diegenen die er bij waren moeilijk anders dan vanuit hun subjectieve beleving kunnen worden weergegeven. En degenen die er niet bij waren en er later op terugkomen kunnen zich moeilijk volledig losmaken van hun eigen tijdgebonden denkkader. Waar het dus bij de beoordeling van geschiedkundig werk om zou moeten gaan is de vraag of de auteur zich rekenschap heeft gegeven van zijn of haar handicap en of er op z’n minst een goede poging is gedaan om de nodige afstand te bewaren om in de richting van de -helaas onhaalbare- objectiviteit te komen. Tegen deze achtergrond ben ik altijd geïnteresseerd in kritische beschouwingen over geschiedenisboeken. Die zijn doorgaans nuttig en leerzaam. Soms zijn ze ook vermakelijk.

Het valt me echter moeilijk een kritische beschouwing serieus te nemen als de criticus mij al vanaf de allereerste pagina ervan probeert te overtuigen dat hier geen sprake is van wetenschappelijk verantwoord werk, ‘maar van manipulatie en geschiedvervalsing’. Dat schrijft Bauke Geersing in de tweede alinea van zijn inleiding op De Nederlandse krijgsmacht tijdens de dekolonisatie van Nederlands-Indië 1945-150; hoe het NIMH deze geschiedenis manipuleert en vervalst. In dat boek bekritiseert hij een uitgave van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, onderdeel van een door de regering geïnitieerd onderzoeksprogramma waarvan de resultaten op 17 februari 2022 zullen worden gepresenteerd. Dit deel heet: ‘Krijgsgeweld en Kolonie – Opkomst en ondergang van Nederland als koloniale mogendheid 1816-2010‘ en Geersings kritiek richt zich met name op hoofdstuk 11 van dit boek ‘De oorlog met de Republiek Indonesië 1945 -1950/1952‘. Nog voordat de inleiding met beschuldigingen aan het adres van de auteurs en uitgever ten einde komt confronteert Geersing mij vervolgens op p. 16/17 al met zijn conclusie over de wetenschappelijke ondeugdelijkheid van het besproken boek:

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: Richard Scoop (cc)

Historische excuses

COLUMN - Wat of ik als historicus en als Amsterdammer nou vond van de historische excuses die burgemeester Halsema onlangs maakte voor het slavernijverleden? Ik had de vragensteller graag een wijs en diepzinnig antwoord gegeven, maar ik heb geen uitgekristalliseerde mening. Dat wil niet zeggen dat ik niet een paar losse, half uitgewerkte gedachten zou hebben.

Kentheorie

Om te beginnen zit er aan zo’n historisch excuus een kentheoretisch aspect. Niemand zal ontkennen dat het geweldig goed was toen Willy Brand door de knieën ging voor het monument voor de Getto-opstand in Warschau, want zowel hijzelf als de andere aanwezigen hadden de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Het maken van een excuus voor iets dat lang geleden is gebeurd veronderstelt dat er zoiets zou zijn als een overerfbaarheid in slachtofferschap en daderschap. Ik weet niet goed hoe ik zoiets zou kunnen onderbouwen.

Begrijp me niet verkeerd: er bestaan historische continuïteiten en die zijn met het sociaalwetenschappelijke instrumentarium te onderbouwen. Maar ik weet gewoon niet goed hoe ik slachtofferschap na het verstrijken van tijd nog kan documenteren. Als ik lees dat een intelligent en gewaardeerd schrijver als de Libanees Amin Maalouf oppert dat het Westen zich moet verontschuldigen voor de Kruistochten, bekruipt mij een zekere ergernis. In de eerste plaats omdat “het” Westen niet bestaat en in de tweede plaats omdat naar mijn idee de Ottomaanse periode de historische continuïteit heeft gebroken.

Foto: Bob Leckridge (cc)

De ondergang van de geesteswetenschappen

COLUMN - Ach ja, de geesteswetenschappen. Deze week is het de Martin-Luther-universiteit in Halle-Wittenberg en dit keer zijn het classici wier instituut wordt bedreigd. Twee weken geleden waren de archeologen in Sheffield de pineut. Er is een petitie hier en er is een petitie daar. U moet ze maar even tekenen, als u denkt dat het nog zin heeft.

Die laatste acht woorden zijn insinuerend. Natuurlijk heeft het wél zin er wat van te zeggen als universiteiten iets waardevols mollen. Dat ik die acht woorden toevoeg, is echter om diezelfde reden. Het is zinvol te noteren dat het geen verrassing is. Een jaar of zes geleden documenteerde ik in een stukje “Ex oriente nox” hoe het traditionele onbegrip voor de humaniora steeds vaker overging in sloop.

Ik had niet de verwachting of hoop dat het iets zou uithalen. De geesteswetenschappen zijn te verdeeld om nog gered te worden. Illustratief is dat maar weinig classici de petitie over archeologie in Sheffield onder de aandacht brachten en dat weinig archeologen de petitie voor de classici in Halle-Wittenberg delen. Zo gaat het altijd in de geesteswetenschappen. Wie wordt bedreigd, kan alleen terugvallen op zijn allernaaste collega’s. Ook in Nederland. Toen de Vrije Universiteit de studierichting Nederlands ophief, maakten vooral de neerlandici reuring. Ze hadden meer bijval verdiend van andere geesteswetenschappers.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: cc Maria Theresia im Kreise ihrer Familie Martin van Meytens, Public domain, via Wikimedia Commons.

Beter wordt het niet

RECENSIE - ‘Zo schrijf je geschiedenis’, zegt Geert Mak bij wijze van aanprijzing op de cover van dit boek. Maar ‘Beter wordt het niet’ is geen geschiedenisboek. Althans, not on my watch. Of zou Mak bedoelen dat Caroline de Gruyter met dit boek ‘geschiedenis schrijft’? Dat lijkt me uiterst onwaarschijnlijk. De ondertitel luidt ‘Een reis door de Europese Unie en het Habsburgse rijk’. Maar dat klopt ook al niet. Verreweg de meeste hoofdstukken spelen zich af in Wenen. Wat is ‘Beter wordt het niet’ dan wél? De beste omschrijving is waarschijnlijk: ‘Op zoek naar herinneringen aan het Habsburgse rijk’. Want dát is wat De Gruyter doet. De oude Otto van Habsburg, de zoon van de laatste Oostenrijkse keizer (Karel) en tevens Europarlementariër tot 1999, die heeft ze helaas nooit mogen ontmoeten maar verder komen er heel wat mastodonten voorbij. Grote namen die vertellen hoe schön het vroeger eigenlijk was.

De Gruyter, bekend vanwege haar bijdragen in de NRC, schrijft normaliter over de Europese Unie. Omdat ze tot voor kort in Wenen woonde (van 2013 tot 2017 om precies te zijn), meent ze een bijzondere kijk op Europa te hebben ontwikkeld: ‘Door mijn tijdelijke onderdompeling in de Habsburgse wereld ben ik mezelf allerlei vragen gaan stellen over Europa die ik waarschijnlijk niet – of anders – gesteld had als ik niet vier jaar in Wenen was neergestreken.’ Ze ziet interessante overeenkomsten tussen de EU en het Habsburgse rijk: ‘De Habsburgers, ontdekte ik, werden gedreven door dezelfde constante queeste naar compromissen die ik uit Brussel kende. Wat me al even bekend voorkwam: het bijvijlen, het aanpassen en hervormen dat nooit ophoudt omdat de ene hervorming nu eenmaal tot de andere leidt.’

Foto: Blind Walls Gallery, Clowns, animals and freaks © Johan Moorman © foto Wilma Lankhorst.

Kunst op Zondag | verkent Blind Walls Gallery

RECENSIE - Blind Walls Gallery is het buitenmuseum van de stad Breda. Het museum op straat is gratis toegankelijk en omvat ruim 90 muurschilderingen. Te voet of met de fiets kun je de geschilderde geschiedenis van de Baronie van Breda ontdekken. Voor details over de werken is er de Blind Walls Gallery website én sinds kort een rijk geïllustreerde jubileumcatalogus.

“Elke muurschildering is weer een nieuw avontuur op zich,
dankzij de kleurrijke makers die eraan meewerken
en dankzij ons gedreven team.“

Uitspraak Dennis Elbers in Blind Walls Gallery, het museum op straat (2020).

Blind Walls Gallery Maria Hemelvaartkerk #105 © Isakov © foto Wilma Lankhorst

Blind Walls Gallery, Maria Hemelvaartkerk © Isakov © foto Wilma Lankhorst.

Waar gaat Blind Walls Gallery over?

Blind Walls Gallery is de naam van ‘Het museum op straat’ in Breda. De rijke geschiedenis van de stad is hier de primaire inspiratiebron voor nationale en internationale street art kunstenaars. Het idee van Blind Walls Gallery is geïnspireerd door het oudste geschilderde stadsgezicht uit de Nederlands kunst: een zestiende-eeuws drieluik. Hierop staat onder andere de stadsmuur van het middeleeuwse Breda. Deze muur, die de stad bescherming en aanzien gaf, is nu grotendeels verdwenen. Talrijke blinde muren van huizen en kantoren, in zowel laag- als hoogbouw kwamen er voor in de plaats. Deze blinde muren geven de stad een grijs en grauw aanzien, ze dagen uit tot verwaarlozing van de publieke ruimtes. Blind Walls Gallery streeft er sinds 2014 na om Breda een nieuw stadsgezicht geven.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: aesop (cc)

Spinozaland

RECENSIE - De regen kwam met bakken uit de hemel. Maar de schipper stelt de reiziger gerust. ‘Springt u maar op de wal. En dan links, rechts en nog een keer rechts, daar is het huis van de chirurgijn.’ En korte tijd later vond hij inderdaad het gezochte huisje. De meid deed open en de bezoeker stelt zich in het latijn voor: ‘Oldenburg, nobili saxo. Ik wens de heer Spinoza te spreken…’

Was het écht slecht weer, die dag? De meid verstond de bezoeker niet, vertelt Maxime Rovere – verstond de schipper hem wél? Of voelde de schipper aan dat zulk hoog bezoek maar één doel kon hebben: Bento de Spinoza? Het is het eeuwige probleem bij ‘geromantiseerde’ non-fictie: de werkelijkheid is altijd verwarrend en chaotisch, en een roman moet nu eenmaal vaart maken.

Vaart, dat maakte Henri Oldenburg in elk geval, in die zomer van 1666. De wetenschapper/diplomaat reisde al geruime tijd door Europa, op zoek naar de belangrijkste vertegenwoordigers van de ‘Nieuwe filosofie’. Zo kwam hij ook in Amsterdam, waar hem werd verteld dat hij ook langs Rijnsburg moest gaan, het ballingsoord van Spinoza. Spinoza begreep onmiddellijk dat hij een voorname gast over de vloer had. De heren zetten zich op een bankje (p. 262/263):

Foto: ubberdave (cc)

Vuistrecht en wisselgeld

RECENSIE - Hij vertelde het graag. Hoe hij tijdens de overwinningsparade, achter de Duitse colonne aan, over de Champs-Élysées had gereden. Hoog te paard. Op de trottoirs had zich een menigte nieuwsgierige, uitgehongerde, woedende Fransen verzameld. Er werd geschreeuwd, gevloekt, gesist. Ze herkenden de gehate Bismarck, uiteraard. Er hoefde er maar één een schot te lossen, en de chaos zou uitbreken. Een van hen, zo zag Bismarck, keek wel héél woest. Bismarck verliet de colonne, reed op hem af, en vroeg om een vuurtje voor zijn sigaar. En hij kreeg een vuurtje. Bismarck bedankte (hij sprak perfect Frans), en reed door.

Waar gebeurd? De Pruisische kanselier was een ervaren leugenaar. Maar zo zag hij zichzelf graag: onafhankelijk opererend, nergens bang voor, altijd kalm. En die Franse woede, die was maar oppervlakkig. Die zou wel weer overgaan. Dat laatste was niet waar. En dat wist Bismarck donders goed.

De Frans-Duitse Oorlog van 1870/71 gooide het Europese machtsevenwicht volkomen overhoop. Dat Pruisen een opkomende macht was, dat begreep iedereen al vele jaren. Bismarcks superieure diplomatie was tot twee maal toe uitgemond in ‘gerechtvaardigde’ oorlogsverklaringen en eclatante overwinningen. Eerst op de Denen, om Sleeswijk Holstein. Daarna op het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk, om het gezag binnen de Duitse Bond. Beide keren toonde het Pruisische leger dat het superieur was aan alles wat verder een leger heette te zijn. En beide keken de andere grootmachten toe. Maar de spanning steeg. Met name de Fransen voelden zich bedreigd en vernederd. Iedereen begreep dat een Frans-Duitse oorlog een kwestie van tijd was. Het wachten was op de vonk die het kruitvat tot ontploffing zou brengen.

Lezen: Venus in het gras, door Christian Jongeneel

Op een vroege zomerochtend loopt de negentienjarige Simone naakt weg van haar vaders boerderij. Ze overtuigt een passerende automobiliste ervan om haar mee te nemen naar een afgelegen vakantiehuis in het zuiden van Frankrijk. Daar ontwikkelt zich een fragiele verstandhouding tussen de twee vrouwen.

Wat een fijne roman is Venus in het gras! Nog nooit kon ik zoveel scènes tijdens het lezen bijna ruiken: de Franse tuin vol kruiden, de schapen in de stal, het versgemaaide gras. – Ionica Smeets, voorzitter Libris Literatuurprijs 2020.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: Abhi Sharma (cc)

Dit Amerika

RECENSIE - Laat ik beginnen met een waarschuwing. Wie ‘Dit Amerika’ van Jill Lepore koopt op basis van de ondertitel, ‘Pleidooi voor een betere natie’, komt bedrogen uit. Want dat pleidooi ontbreekt. Het boekje is wellicht een pleidooi te noemen, maar dan wel een warrig pleidooi voor heel iets anders. Namelijk dat de Amerikaanse liberal historici de geschiedenis van de Verenigde Staten niet langer moeten negeren. Want zoals de door Lepore geciteerde historicus Carl Degler 35 jaar geleden al opmerkte: als zij geen nationale geschiedenis meer willen schrijven, omdat dat idee hen tegenstaat, dan zullen anderen dat gaan doen. En dan zijn historici (en de hele Verenigde Staten) nog verder van huis.

Lepore’s pleidooi is in wezen een warrige beschrijving van hoe Amerikaanse historici of gewoon denkers van diverse pluimage zijn omgegaan met begrippen als natie en nationalisme. Het is geen gemakkelijk leesvoer. Lepore schrijft nogal ploeterend,  zoals we al wisten dankzij haar vorig jaar verschenen, vuistdikke geschiedenis van de Verenigde Staten, ‘Deze waarheden’. Daar komt bij dat ze veel te veel als bekend veronderstelt, en veel te vaak bronnen citeert zonder dat de lezer enig idee krijgt waaróm dat boek en dat citaat nu juist hier opduikt. Ze hanteert de omgevallen-boekenkast-stijl, kortom. En het gebodene maakt alles bij elkaar nu niet bepaald een doordachte indruk.

Foto: The Integer Club (cc)

Gods schaduw

RECENSIE - Plots lijkt er iets mis te gaan. Na honderd pagina’s over de voorouders en de jonge jaren van sultan Selim moet de lezer onverwacht 150 pagina’s tot zich nemen over Columbus, de val van Granada, de ontdekking van Amerika en ga zo maar door. Pas daarna, rond pagina 250, pakt Alan Mikhail de draad weer op en komt Selim ‘de Grimmige’ aan de macht. Wat Mikhail de lezer (klaarblijkelijk) duidelijk wil duidelijk maken is dat de ontdekking van Amerika niet los kan worden gezien van de strijd van de Europeanen tegen de islam. Hij zal uitleggen hoe dat écht zit.

Voor wie een beetje ingevoerd is in de geschiedenis van Europa rond 1500, is dat een open deur. Iedereen weet dat Columbus zijn gevaarlijke plan om naar het Westen te varen, om zo het oosten te bereiken, aan het Spaanse koningspaar Ferdinand en Isabella probeerde te verkopen door te stellen dat hij zo contact kon leggen met de tegenstanders van de islam in Oost-Azië, waardoor de aartsvijand van Spanje ingesloten zouden worden. Columbus werd daarbij, zo blijkt uit zijn overvloedige papieren, gedreven door zijn obsessie om in navolging van de Portugezen grote ontdekkingen te doen. Hij schreef over zeereizen, getuigenverklaringen, kaarten, astronomie – maar vrijwel geen woord over de islam. Maar volgens Mikhail was Columbus een echte moslimhater. Al in zijn inleiding noemt hij Columbus een matamoros, een ‘morendoder’, en voegt daaraan toe (p.12):

Vorige Volgende