Recensie | 1914. Het trauma van Europa
RECENSIE - Max Hastings’ nieuwe boek ‘1914. Het trauma van Europa’ beschrijft de eerste dodelijke maanden van de Eerste Wereldoorlog.
Het is dit jaar precies honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Het was zodoende onvermijdelijk dat dit sleutelmoment in de Europese geschiedenis herdacht zou gaan worden door een hele reeks aan boeken en nieuwe studies over het conflict dat tot zestien miljoen militaire en burgerdoden zou leiden (plus nog eens twintig miljoen – soms ernstig – gewonden).
Max Hastings’ 1914. Het trauma van Europa concentreert zich op de periode van eind juli 1914 tot de daaropvolgende kerstmis. Hoewel ons beeld van de Eerste Wereldoorlog wordt gedomineerd door modder, loopgraven, prikkeldraad en gifgas, behoorden juist deze eerste maanden tot de dodelijkste van het conflict. Alleen al de Fransen verloren in deze periode ruim een miljoen soldaten, waaronder 329.000 doden. De Duitsers verloren in totaal 800.000 man (een hoger verliespercentage dan in enige andere periode van de oorlog). De Oostenrijkers 1,3 miljoen. De verliescijfers van de Russen zijn moeilijker te achterhalen, maar zullen niet veel lager zijn geweest.
Het beeld dat oprijst van deze eerste maanden is dat van reusachtige, dicht opeengepakte colonnes soldaten die op elkaar botsen, bij gelegenheid zelfs nog onder wuivende vaandels en begeleid door helder klaroengeschal, om vervolgens bij bosjes te sneuvelen door geweervuur, van extreem korte afstand afgevuurde granaten en wanhopige bajonetcharges. En dit een paar maanden achter elkaar, totdat – aan het westelijk front, althans – een min of meer continue linie van loopgraven tot stand was gekomen.

De Eerste Wereldoorlog staat traditioneel geboekstaafd als een langdurig conflict in de loopgraven van West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk plus op vele andere plaatsen in Europa en in heel de wereld. De luchtgevechten tussen Belgen, Fransen en Britten enerzijds en Duitsers anderzijds kregen altijd veel minder aandacht. Toch is er al genoeg over gepubliceerd blijkt uit de gespecialiseerde bibliografie, waarmee Bernard Deneckere zijn studie Luchtoorlog boven België afsluit.
De eerste vlucht met een vliegtuig werd verwezenlijkt door de gebroeders Wright in 1903, dus nauwelijks 11 jaar voor het grote conflict. De eerste oversteek van het Kanaal vond plaats in 1908. Het Belgische leger startte in 1913 met luchtvaart in Brasschaat. Ballonvaart had men al sinds 1887. België begon de oorlog met circa 20 vliegtuigen, waarvan de helft eigendom was van de (al dan niet adellijke ) piloot. Duitsland had circa 250 toestellen, meer dan Frankrijk, Engeland en België samen.

