Het kapitalisme mag dan uit de mode lijken, volgens The New York Times is Adam Smith helemaal terug van weggeweest. Keynes and zijn apostel Paul Krugman worden reeds onder vuur genomen en de enige twijfelachtige eer die hen toekomt is dat de ‘Grote Recessie’ waarschijnlijk geen Grote Depressie wordt. Ondertussen zit de Amerikaanse staat opgescheept met een stuntelige verzameling halve staatsbedrijven en een torenhoge schuld. Maar, “Big Goverment heeft ons, wel degelijk, gered!” roept Krugman schamper.
Dan liever terug naar Smith. “Hij was geenszins zo doctrinair een pleitbezorger van de onbelemmerde vrije markt als velen van zijn twintigste-eeuwse aanhangers hem hebben voorgesteld,” beweert econoom Alan B. Krueger. “Hij erkende dat het menselijk beoordelingsvermogen niet onfeilbaar is.” De ‘onzichtbare hand’ die de markt behoort te sturen wordt in The Wealth of Nations welgeteld eenmaal genoemd. Smith geloofde wel degelijk dat er een rol voor de overheid was weggelegd om bijvoorbeeld minimumlonen te garanderen en excessen tegen te gaan. Waar Smith echter niet voor pleitte was een overheid die de markt als zodanig beheert. Dat is precies wat de Keynesianen van na de Tweede Wereldoorlog wel trachtten te bewerkstelligen: door de juiste samenstelling van overheidsuitgaven, regulering en de rentestand te vinden poogde zij de economie aan te sturen om een einde te maken aan werkeloosheid.
“Dit was hoogmoed,” geeft zelfs Krugman toe in zijn boek, The Return of Depression Economics and the Crisis of 2008. De statistische technocraten van Keynes dachten banen te kunnen creëren zonder de inflatie aan te wakkeren. Iedereen die de zeventiger jaren heeft meegemaakt weet wel beter.