Achtbaan
COLUMN - ‘We gaan wel in de achtbanen toch, mam? Ahhhhh?’
‘Nou, dat zien we wel hoor, eerst gaan we naar het sprookjesbos.’
‘Sprookjesbos?! Naar die muntenpoepende ezel? Maham! We zouden in Joris en de Draak gaan! Die heel snelle snoeiharde achtbaan. Jij had vorig jaar beloofd dat je dit jaar mee zou gaan en nu is het dit jaar. Dus…’
‘Maar je broertje dan? Die is daar toch veel te klein voor?’ Ik keek hoopvol naar de jongste. Hij keek mij met grote ogen aan.
‘Nee hoor,’ zei hij, ‘ik wil er wel in. Dat durf ik best. Ik ga wel met papa.’ Papa stond mij keihard uit te lachen. Ik kwam er niet onderuit, dat was duidelijk.
We stonden in rij te wachten. Het ene wagentje na het andere kwam overvliegen. Gillende mensen alom. Dat deed ik nooit, gillen in een achtbaan. Voor alles komt blijkbaar een eerste keer. We stapten in. De man en de jongste zoon stonden in een langere rij en zij konden volgen hoe onze rit verliep. Het karretje begon te rijden. De oudste zat naast mij te glimmen. ‘Vet hard mam! Hij gaat vet hard! Woei!’ Ik werd al een beetje groen en ik moest naar de wc. Het hoogste punt hadden we nog niet eens bereikt. Uitstappen ging niet meer.
