Closing Time | Boozoo Bajou
Boozoo Bajou is een duo uit Neurenberg dat lome dance, tegen triphop aan, maakt met een zuidelijk sfeertje. Night over Manaus, waarmee ze doorbraken, is hun bekendste nummer, maar mij bevalt bovenstaand nummer beter.
De dagelijkse afsluiter met muziek en heel soms wat anders
Boozoo Bajou is een duo uit Neurenberg dat lome dance, tegen triphop aan, maakt met een zuidelijk sfeertje. Night over Manaus, waarmee ze doorbraken, is hun bekendste nummer, maar mij bevalt bovenstaand nummer beter.
Dat kon toen allemaal gewoon: rare kleren dragen bij een televisie-optreden. En dat je haren in je ogen hingen. En je liedje zingen met je handen in je zakken. Dat je verder geen danspasjes had, en gewoon op je plek bleef staan. Andere Tijden. Jo Lemaire had in 1981 een hit met dit liedje van Serge Gainsbourg. Een chanson over een voorbije liefde waarin een dichtregel van Paul Verlaine geciteerd wordt.
Dan lees je over een beetje een blufferige lawaaiband die bij je in de buurt optreedt. En je bent die avond nog vrij ook. Dan ga je erheen, ik, in ieder geval. Plus nog je broer en wat vrienden die nog nooit van Carter The Unstoppable Sexmachine hadden gehoord, (‘Carter the what?’) maar die afgingen op de suggestie die hing om de bandnaam, en ook vrij waren. En ook wel een biertje en vertier wilden. En dan maak je een optreden mee van wat dan de nieuwste sensatie zou zijn aan de andere kant van Het Kanaal: veel geluid, veel lichten en rook ook. En veel bier. Maar in het repertoire van Carter The Unstoppable Sexmachine lag een pareltje verscholen: Prince In A Paupers Grave. Dat bleek onder alle rook en alle stroboscopen gewoon een mooi walsje en een goed liedje ook.
Gisteren klikte ik een muzieksite aan, zo eentje die nieuw uitgekomen platen bespreekt. Onder elke bespreking staan dan een paar muziekfragmentjes van die plaat. Soms, als de bespreking daar aanleiding toe geeft, luister ik naar zo’n fragmentje, om dan meestal na een paar maten gehoord te hebben, alweer op stop te drukken. Dan komt het te traag op gang, dan pakt het me niet. Dat kan dan aan de muziek liggen, maar ook aan mijn stemming van dat moment. En gister bleef ik wel luisteren naar die song met dat jankende orgel en dat luchtige ritme, met daarover heen die lichte zangstem van die voor mij onbekende Canadese band. Ik heb, ik wilde mijn stemming niet verstoren, de andere songs van Changing Faces niet beluisterd.
Richard Janssen doet een Beatles song. Eentje die nog niet bestond dan. Solo, met zijn gitaar en een paar zeemeeuwen aan het eind. Een klein intiem liedje waarin hij wat melancholisch terugkijkt op een voorbije liefde. Zij heeft inmiddels een nieuwe. Maar voor hem blijft zij nog steeds zijn meisje. Richard Janssen stopte met zijn band The Fatal Flowers, waarin het allemaal wat ruiger aan toe ging, en maakte een intieme plaat onder de naam Rex. De enige cd van Rex zat in plastic hoesje waarin behalve de cd, als extra attentiewaarde, ook suikerhartjes verpakt zaten. Op de hartjes de woorden: Ready, Okay, Love en Baby.
“I’m Not Right” van de band Tetrarch klinkt als een Linkin Park clone. Liefhebbers van laatstgenoemde zullen ook deze nu metal band wel kunnen waarderen.
Ze zijn al even bezig, maar Tetrarch uit Los Angeles heeft er momenteel de vaart in zitten. Ook omdat de band deel uitmaakt van een golf aan hippe en catchy nu metal, die je met een beetje fantasie nu nu metal zou kunnen noemen. Want de inspiratie komt uit de jaren nul en van bands als Linkin Park en Slipknot, die experimenteerden met pop en elektronische bijgeluiden. En dus van die frisse refreintjes, die ook op Unstable van Tetrarch domineren. Ze overheersen wat te veel, want de hese metalcorezang van Josh Fore begint na een track of vier eenvormig te worden.
Ja, ik vond Björk toen leuk. Misschien is schattig een beter woord. Vertederend. Alsof er een grote kleuter achter de microfoon stond. Lag ook aan haar motoriek en haar mimiek. Aandoenlijk. En misschien ook wel haar manier van zingen. Meisjesachtig. Toch niet de beste motivaties om een artiest te waarderen, best een beetje bedenkelijk. Het leidde af van de muziek, die goed was. Zoals dit nummer bijvoorbeeld. Intrigerend, geen alledaagse instrumentatie, geen alledaagse pop.
Hagel in mei heb ik wel gezien, verleden week was dat. Het roffelde ineens tegen de ramen. Blijft toch een sensatie zo’n fenomeen, dat je grasveldje ineens groen/wit is. Sneeuw heb ik nog niet gezien. Wel zag ik de bloesems van de bomen door de lucht wervelen toen het zo waaide. Het wordt dan zo’n plakkerige kledderdrab op de stoep, niets sierlijks meer aan, toch net als echte sneeuw. Waar wou ik ook alweer heen, o ja, naar Adamo die Tombe La Neige zingt. Over echte sneeuw die valt. Een witte wereld terwijl zijn hart zwart is (het zal een keer niet over een vrouw gaan die er niet is). En dan doet Adamo parlando. En hij praat over kou en gemis, wanhoop en eenzaamheid. En de sneeuw die maar blijft vallen.
In de Closing Time van gisteren werd al naar haar verwezen: Françoise Hardy. En Tous les garçons et les filles is natuurlijk een enorme nostalgische kneiter, een romantische klassieker van jewelste. De chanson heeft na bijna 60 jaar nog niets van zijn aantrekkelijkheid verloren. Een lief zoet wiegend weemoedig stemmend zomers walsje. Ik zit hier als vanzelf zachtjes meedeinend achter het toetsenbord. En ja we worden ouder, we laten de jeugd achter ons, we worden sterfelijk. En Françoise Hardy is nu ziek. Klik je nu een artikel over haar aan, dan is het eerste dat je leest: kanker en euthanasie. Dat is wel een erg bruut slotakkoord.
Waar heb ik nou naar zitten kijken, een genrestukje, een parodie, een historiserend flauwekulletje, een eerbetoon, of de lentehit van dit jaar? Een aanstekelijk nummer blijft het sowieso. En je vraagt je af hoe de Franse pop van nu had geklonken als Françoise Hardy niet zou hebben bestaan. April March en Olivia Jean geven hun eigen dansbare draai eraan met jaren zestig invloeden maar ook met een jaren tachtig Nile Rogersgitaartje. Curieus duo wel, Olivia Jean is van 1990 en April March is 25 jaar ouder.
Townes Van Zandt ken ik eigenlijk helemaal niet zo goed. Ik heb zijn muziek nooit zo gevolgd. Ik weet eigenlijk ook niet precies wat zijn status is in het country/blues/folk-wereldje, en ik weet ook niet of hij er nog toe doet tegenwoordig. ‘Townes Van wie? Ik heb geen verstand van wielrennen’. Ik ben dus vast niet de meest aangewezen persoon om iets over deze singersongwriter te schrijven. Want ik ken maar één plaat van hem, een live-opname. Maar die is heerlijk om naar te luisteren. Voor de muziek? Ja ook, maar ik beleef het meeste plezier aan het geklets van Townes om zijn songs heen. Zijn inleidingen, zijn perfect getimed vertelde anekdotes. Onderkoeld gebracht, met een grap aan het eind en dan zet hij de bewuste song in, als het publiek nog lacht. En het stomme is, ik ken die plaat nu inmiddels wel natuurlijk. En ik weet wat er gaat komen als hij begint te kletsen. Ik ken de clou van de verhaaltjes. Sterker nog, ik denk dat als Townes even niet zou weten hoe het verhaal verder ging, dat ik het wel verder af kon maken, met dezelfde intonatie ook nog. En elke keer moet ik er nog om grinniken.
Ja mensen, wat kan ik er van zeggen? Ik heb nu eenmaal een zwak voor zingende Vlaamse dames. En Caro Tanghe van het Belgische Oathbreaker zingt de sterren van de hemel (en de verloren zielen uit de put van de hel), terwijl de rest van band het op perfecte wijze muzikaal begeleidt. Het geheel is, inclusief het clipje, af en toe een beetje beklemmend, maar daarom niet minder mooi (wellicht juist daardoor).