Oude bekenden vinden onderdak bij het Stedelijk

Dutch girl Na de stormloop tijdens de Warhol-tentoonstelling lijkt de rust weer enigszins te zijn wedergekeerd in het Stedelijk. Daar is namelijk vanaf 19 januari de expositie Eyes wide open van start gegaan die een overzicht toont van de aanwinsten van het museum en de aankopen in de zogenaamde Monique Zajfen collectie. Het laatstgenoemde is een fonds dat wordt gefinancierd door de Broere Stichting waarbij de werken tot 2020 in bruikleen worden gegeven. De jaarlijks terugkerende overzichtstentoonstelling geeft tevens een beeld van het beleid van de directeur, altijd een belangrijke graadmeter voor het succes van het Stedelijk.

Bij binnenkomst loop je eigenlijk al meteen tegen het topstuk van de aanwinsten aan, het zogenaamde Drei Häuser mit Schlitzen van de inmiddels overleden Martin Kippenberger (1953 – 1997). Het is een drieluik met afbeeldingen van gebouwen waarin correctie wordt afgedwongen, respectievelijk de Betty Ford kliniek, de Stammheim gevangenis en de Jüdische Grundschule. Hierbij vermengt Kippenberger zijn persoonlijke leven van verslaving met de geschiedenis en dat maakt het volgens velen tot een weergaloos stuk, maar eigenlijk zijn de afbeeldingen nogal saai en spreken ze weinig tot de verbeelding.

Geheel anders is dat bij Der Vorhang (2005) van Neo Rauch (Leipzig, 1960), één van de protagonisten van de Neue Leipziger Schule, een stroming van schilders die zich vooral met narratieve schilderkunst bezighoudt. De werken van Rauch worden ook wel sociaalsurrealistisch genoemd en in der Vorhang komt dit tot uiting in de verschillende taferelen die het geheel vormen. Het stuk wordt opgedeeld in twee delen door een toneeldoek dat door een militair wordt dichtgetrokken; links staan twee vissers met een vers gevangen zwaardvis, terwijl rechts een soort museum lijkt te zijn waarin met het bloed van een ander zwaardvis wordt geschilderd, een bezoeker rustig rond loopt en ergens onderin ook nog een kleine berechting plaatsvindt. Het is een combinatie van historische en hedendaagse beelden die leidt tot zinsbegoocheling bij de toeschouwer. Hetzelfde geld voor Matthias Weischer (1973, Westfalen), ook van de Neue Leipziger Schule, maar hij gebruikt daarvoor meer stillevens van huizen, o.a. in Korridor (2006).

Lisa Yuskavage (Philadelphia, 1962) schildert haast op het kitscherige af, veelal vrouwen in karikaturale erotsiche poses. In Dutch Girl (2006) zien we een naakt kanteklossend meisje met de parels in de weer die als enige schitteren in een rode gloed. Uiteraard is het een vette knipoog naar Het meisje met de parel van Vermeer, maar dan een uitvoering die vooral vervreemding oproept. Haar Persimmons is wat dat betreft nog een graadje erger en komt qua kitscherigheid dicht in de buurt van het geschilderde zigeunermeisje dat je in sommige huiskamers nog wel eens tegen komt. Maar toch roepen de beeelden een bepaalde fascinatie op waardoor je blijft kijken.

Ook is er dit jaar veel oog voor talent. Tjebbe Beekman (Leiden, 1972) schildert stadslandschappen op basis van foto’s die hij digitaal bewerkt. Zijn Bonus Malus (2006) laat een winkelcentrum zien dat eigenlijk inwisselbaar is met een ander en daarin schuilt volgens hem de middelmatigheid die te maken heeft met de angst voor alles wat buiten ons zelf ligt en het vreemde in het algemeen. Maaike Schoorel (Santpoort, 1973) heeft met The Cyclists (2006) een minimalistisch werk gemaakt waarin pas op enige afstand de silhouetten van twee fietsers kunnen worden gezien, hetgeen niet echt goed uit de verf komt door de belichting. Martha Colburn (Pennsylvania, 1971) maakt animatiefilms waarin de Amerikaanse burgeroorlog genadeloos overloopt in de oorlog in Irak.

Maar vooral zijn er werken van een aantal grote namen aangeschaft die de hiaten in de collectie moeten opvullen. Een aantal foto’s van de Zuid-Afrikaanse veteraan David Goldblatt (Randfontein, 1930) uit zijn serie Intersections (vorig jaar nog te zien in Huis Marseille) worden aangevuld met de reportage The transported of Kwa Ndebele (1984), over de reizigers tussen de thuislanden en de blanke steden waar ze werkten. De serie Olivier (2002-2003) van Rineke Dijkstra (Sittard, 1959) is aangeschaft waarbij de vrijwilliger Olivier zich aanmeldt voor het vreemdenlingenlegioen en we hem zien veranderen van een onzekere puber tot een zelfverzekerde volwassen man. Ook is er een werk van Erik van Lieshout aangeschaft, om wie we zo langzamerhand niet echt meer heen kunnen.

Veel van de werken waren vorig jaar al eens te zien in het Stedelijk en daardoor wordt Eyes wide open een feest der herkenning en toont het weinig durf in het aankoopbeleid. Maar gezien de keuzes die zijn gemaakt, is dit goed te rechtvaardigen.

Eyes wide open is nog tot 1 juni te bezoeken in het Stedelijk

Stedelijk Museum