Hulspas weet het | Het hart, een moordkuil
ACHTERGROND - Nu is het routine. Nu gebeurt het alleen al in Nederland enkele tientallen keren per jaar. En de overlevingskansen zijn prima. Maar een halve eeuw geleden waren de kansen nihil. Het was nog nooit gedaan. De kans dat de ontvanger de operatie zou overleven werd klein geacht; de kans dat het gedoneerde hart het daarna langer dan een paar minuten uithield, was even groot.
Maar chirurgen wisten dat het technisch mogelijk moest zijn. En hun handen jeukten. Over de hele wereld stonden tientallen artsenteams te springen om de eerste te zijn. Om als eerste een hart te transplanteren. Potentiële ontvangers waren er genoeg. Ze hadden hele lijsten met namen. Maar wie o wie zou het eerste gezonde, kloppende hart in handen weten te krijgen?
Dat geluk viel toe aan Christiaan Barnard, de hyperambitieuze chirurg van het Grote Schuur Ziekenhuis in Kaapstad. Hij was vast van plan Zuid-Afrika op de medische kaart zetten. Ook hij had een lijstje van namen van hartpatiënten die gegarandeerd snel dood zouden gaan. Hetzij mét hun huidige, falende hart, maar natuurlijk ook met een eventueel gedoneerd hart. Want de operatie móést wel misgaan, dat wist iedereen.
Bovenaan zijn lijstje stond groenteboer Louis Washkansky. En op 2 december 1967 (nu vijftig jaar en drie maanden geleden) kreeg Barnard de kans van zijn leven. De 25-jarige Denise Darvall raakte zwaar gewond bij een auto-ongeluk. Haar hersenen waren onherstelbaar beschadigd, maar haar jonge hart was intact. Bij aankomst in het ziekenhuis klopte het nog.
Omdat hij geen geld had voor een Apple, was het in die tijd, zo’n dertig jaar geleden, moeilijk joodse letters in te voeren. Dat lukte uiteindelijk alleen met een obscuur programma voor DOS (vraag aan je ouders wat dat ook weer was). Dat programma, EimsteinWriter, gebruikt hij nog steeds.