ACHTERGROND - Er is nogal wat boeiend gespeculeer ontstaan over de vraag naar de politieke betekenis van het Europese lijsttrekkerschap, dat dit jaar voor het eerst bij de Europese Parlementsverkiezingen wordt beproefd.
De grote partijen in het parlement hebben ieder een Europese ‘lijsttrekker’ aangewezen. Iets preciezer gezegd, ieder van de partijen heeft een kandidaat-voorzitter van de Europese Commissie ingezet. De afspraak in het Europees Parlement is dat de kandidaat van de partij die bij de verkiezingen als de grootste eindigt voorzitter van de Europese Commissie en dus opvolger van José Manuel Barroso moet worden.
Deze opzet is op zijn minst gewaagd. Doordat de kandidaten (ook de Groenen hebben zo’n Europese lijsttrekker, tevens de enige vrouw) alleen in eigen land meestal bovenaan de lijst staan, is er geen mogelijkheid om in heel de Europese Unie daadwerkelijk één lijsttrekker te laten ‘winnen’. Dat beperkt de legitimiteit van de voordracht als Commissievoorzitter. De kiezers oefenen er immers alleen indirect invloed op uit door hun partijkeuze.
Het Europese Parlement, of liever: de daarin vertegenwoordigde grote fracties, hebben het zichzelf niet gemakkelijker gemaakt door alleen politici uit het noorden van Europa als kandidaten naar voren te schuiven. Het moge zo zijn dat, na de Portugees Barroso, een Noord-Europese Commissievoorzitter in de rede ligt, maar dat is toch een iets te zwak argument. Dat geldt temeer, nu de eurocrisis de rivaliteit tussen zuid en noord eerder groter dan kleiner heeft gemaakt. Voorts zijn de kandidaten allen overtuigde federalisten.