COLUMN - Afgelopen week kondigde justitie in Wenen een onderzoek aan naar een speech van PVV-leider Geert Wilders. De herhaaldelijke ophef over bestraffing van politieke uitspraken legt verdeeldheid bloot omtrent een kernvraag in onze democratie: hoe om te gaan met onwelgevallige politieke uitingen?
“Ten eerste omdat Moslims in Wilders’ speech algemeen als vijanden en als gevaar voor Europa afgeschilderd worden. Ten tweede omdat hij van mening is dat de Koran terrorisme zou bevorderen,” zo beargumenteerde activist Tarafa Baghajati zijn aangifte tegen Wilders, die leidde tot het onderzoek. Niet alleen is Baghajati het oneens met Wilders’ zienswijze en opinie, hij is ook politiek intolerant jegens hem.
Politieke intolerantie betekent het onthouden van politieke rechten aan bepaalde individuen of groeperingen. Baghajati bijvoorbeeld wil Wilders het recht ontzeggen om zijn ideeën te verkondigen. Het tegenovergestelde, politieke tolerantie, wordt in brede kring beschouwd als democratische kernwaarde. Democratie vereist enige bereidheid van burgers om een ander zijn politieke rechten te gunnen.
Politieke tolerantie kan ook op gespannen voet staan met democratie. Tolerantie jegens schadelijke groeperingen heeft democratieën in het verleden de das omgedaan, zoals de Duitse democratie in 1933. Tolerantie jegens onschadelijke groeperingen moet gecombineerd worden met intolerantie jegens schadelijke groeperingen. De vraag is natuurlijk: welke politieke groeperingen zijn schadelijk en welke onschadelijk?