ACHTERGROND - Waarin de auteur zijn eerdere felbediscusieerde punt verder uiteenzet: als het op verduurzaming aankomt, hoeven we van consumenten niets te verwachten.
Van de 15 stellingen die ik uit 30 jaar duurzaam destilleerde, leverde stelling 11, ‘Van consumenten hoeven we niets te verwachten’ de pittigste reacties op. Van 100% eens tot fundamenteel oneens. Ik raakte blijkbaar een snaar. De kern is het dikwijls slecht begrepen onderscheid tussen de burger en de consument. Die begrippen worden voortdurend door elkaar heen gebruikt. Ten onrechte. De burger handelt maatschappelijk, in de samenleving, de consument handelt economisch, op de marktplaats. Prof. Herman van Gunsteren legde de verschillende rollen briljant uit in de WRR-studie Eigentijds Burgerschap (1992).
Ik ben burger als ik mijn stem uitbreng, actief ben in een maatschappelijke organisatie of in mijn wijk, de krant lees of een ingezonden artikel instuur, of de toestand in de wereld bespreek met de buurman.
Ik ben consument als ik boodschappen doe, me verplaats, een nieuwe mobiele telefoon koop en de oude afdank, op vakantie ga, de verwarming hoger zet en het licht aan doe, kortom als ik – zoals de economische definitie luidt – mijn behoeften bevredig, gegeven de schaarste van middelen.
Waarom zal de consument geen rol van betekenis spelen bij verduurzaming? In essentie omdat de consument die zijn (haar) eigen voorkeuren heeft, zich geconfronteerd ziet met prijzen die – als het goed is – de relatieve schaarste weerspiegelen, en dan zijn afweging maakt. ‘Als het goed is’ – maar het is niet goed: de prijzen weerspiegelen de schaarste namelijk niet correct: de schade die productie en consumptie veroorzaken, zoals klimaatverandering of verlies aan biodiversiteit, zit niet of nauwelijks in de prijzen.