De politiek-economische sfeer van het internet

Op 17 augustus 1982 werd de eerste Compact Disc gemaakt, door Polygram, een bedrijfsonderdeel van Philips. Daar was decennia aan onderzoek voor nodig geweest, onder andere in het NatLab van Philips in Waalre. Er was veel tijd en geld geïnvesteerd en dat resulteerde uiteindelijk in een vernieuwend product dat z’n weg vond op de consumentenmarkt. De CD werd een succes. Het werd de nieuwe standaard als opslagmedium voor muziek. De CD was op dat moment een belangrijke innovatie en de investeringen die daaraan vooraf gingen moesten natuurlijk terugverdiend worden. De adviesprijs van één CD, met meestal een klein uur aan muziek, was bijna veertig gulden. Twee keer zoveel als de LP. Een speler kosten vele honderden guldens. Consumenten moesten daar dus wel iets voor willen neerleggen. Gezien het succes van de CD waren ze daar echter graag toe bereid. In 2007, 25 jaar na de introductie, waren er zo’n 200 miljard CD’s verkocht. De CD heeft zich op de consumentenmarkt dus ruimschoots terugverdiend. Het is daarmee ook een illustratie van hoe het kapitalisme in die jaren werkt. Innovatieve technologiebedrijven investeren in onderzoek en productiefaciliteiten en ontwikkelen nieuwe technieken. Dat leidt tot nieuwe producten die op de consumentenmarkt verkocht kunnen worden. Daarmee worden de investeringen terugverdient en wordt er, als het mee zit, nog jaren winst gemaakt. Een andere economische sfeer Dan de wereld van vandaag. Hebben we het tegenwoordig over high-tech en innovatie, dan denken we vooral aan de wereld van Big Tech. Een wereld waarin duizenden programmeurs werken, maar die vooral draait op wereldwijde netwerken en talloze datacenters. Dat is waar techbedrijven in investeren. Daar draaien duizenden computers, op grote hoeveelheden stroom die samen de fysieke infrastructuur vormen die het internet draaiend houdt. De hardware die de software mogelijk maakt waarmee we e-mailen, chatten, videobellen, zoekopdrachten geven, schrijven, filmpjes kijken, berichtjes doorsturen en hartjes uitdelen. Als de economische sfeer van het internet hetzelfde zou werken als dat jaren-80-kapitalisme, dan zouden consumenten voor het gebruik geld neerleggen. Een middelbare scholier zou een bijbaantje hebben, om tegen betaling TikTokfilmpjes te kunnen zien, om Google zoekopdrachten te kunnen geven en via WhatsApp berichten te kunnen sturen. Maar het kapitalisme van big tech werkt niet zoals het kapitalisme van toen. Een groot deel van de economische sfeer van het internet werkt heel anders, mede doordat het gebaseerd is op software waar je niet voor betaald. Privé-gegevens als betaalmiddel? Dàt het niet zo werkt weten we allemaal. Niemand betaalt voor het gebruik van TikTok, Google en WhatsApp. Toch moeten die investeringen terug worden verdiend. Dat gebeurt natuurlijk vooral door onze persoonlijke gebruiksgegevens met advertentie-inkomsten te gelde te maken.[1] Tot zover niets dat u niet al wist. De vraag is alleen, hoe werkt die economische sfeer van het internet dan? De conclusie die je in ieder geval niet kunt trekken is dat wij als consumenten onze privé-gegevens als betaalmiddel inzetten. Want stel je maar eens voor hoe het eruit zou zien als we met onze privé-gegevens zouden betalen. Je wilt TikTok gebruiken en bij het starten van de app wordt je gevraagd met welke gegevens je wilt afrekenen. Je kunt kiezen uit allerlei privé-gegevens die voor van alles zullen worden gebruikt. Je stemt in met het afstaan van drie dagen aan locatiegegevens, zodat TikTok en alle bedrijven die daarvoor willen betalen, je drie dagen mogen volgen. Of je verkoopt je zoekgeschiedenis, berichten aan bekenden, of foto’s. Vervolgens krijg je een uur de tijd om filmpjes kijken. In zo’n geval zijn je privé-gegevens betaalmiddel geworden. Er is een afweging van de consument die duidelijk weet wat betaald moet worden en wat hij daarvoor ontvangt. Als de consument akkoord gaat vindt de transactie plaats. Zo werkt het economisch contact met Big Tech echter niet. [caption id="attachment_370308" align="aligncenter" width="641"] Zo zou een betaalscherm voor transacties met privé-gegevens eruit kunnen zien[/caption]   Gebruiker is niet de consument maar het product Het kapitalistische model van de internet-economie en haar gratis software, is wel gebaseerd op privé-gegevens. Ze worden alleen niet door de gebruiker als betaalmiddel ingezet. We kunnen de activiteiten van Big Tech beter vergelijken met de activiteiten van de olie-industrie. Want zoals de olie-industrie olie oppompt, zo tapt Big Tech privé-gegevens af om deze vervolgens te verkopen. Voor dat aftappen van privé-gegevens heeft Big Tech spionage-infrastructuur [2] gebouwd, die aan de aardlagen van onze telefoons, pads en computers doorlopend gegevens onttrekt. Daar bovenop wint ze waar mogelijk nog gegevens uit ons privé-domein, via onze camera’s en microfoons. [3] En zoals de olie-industrie olie raffineert voor ze die verkoopt, zo vindt er ook een soort data-raffinage plaats. Gegevens die gebundeld en geordend worden, alvorens ze te gelde worden gemaakt. Essentieel daarbij is dat die gegevens-winning onze rol in het economische spel verandert. We zijn wel de gebruikers van de gratis producten van big tech, maar we zijn niet de consumenten. Ons gebruik van die gratis producten is de grondstof waar het winningsproces om draait. Het levert Big Tech de gegevens op die ze na bewerking verkoopt aan adverteerders. Dat onderscheid, tussen gebruiker en consument is in de oude economie ongebruikelijk. De gebruiker van de CD was ook de consument die de CD aanschafte. De consumenten van Big Tech zijn echter de adverteerders. Door ons gebruik van alle gratis software zijn wij het product geworden dat door die adverteerders wordt geconsumeerd. Deze veranderde rol van het grote publiek dat voorheen altijd de consument was en de verreikende spionage-infrastructuur die daar de basis voor vormt, zijn bepalend voor de inrichting van de economische sfeer van het internet. Dat heeft allerlei gevolgen. Drie daarvan, elk van een andere orde, wil ik verkennen. 1. Anti-trust en mededinging Het eerste gevolg heeft te maken met economische macht en hoe die ingeperkt kan worden. In de economisch orde van voor de jaren tachtig waren er twee belangrijke machten waar bedrijven mee te maken hadden. De eerste was de macht van de consument. Als een bedrijf een product maakte dat de consument niet beviel, dan kon de consument ‘met z’n voeten stemmen’ door te vertrekken naar de concurrent. Dat kan echter niet bij een monopolist, omdat er geen concurrenten (meer) zijn. Daarom was er die andere macht, de overheid met haar anti-monopoliewetgeving. Op basis van die wetgeving kon de te grote macht van monopolisten aangepakt worden. Deze tegenmachten werken niet meer zo. Om te zien hoe dat is veranderd en te begrijpen wat dat betekent voor de door Big Tech ingerichte economische sfeer van het internet, hebben we enige historische context nodig. Een blik in de geschiedenis van de anti-monopoliewetgeving. Deze begint, in de V.S., rond het aannemen van de Sherman Act in 1891. Dat was een reactie op de macht van de robberbarons, de bazen van grote bedrijven als Standard Oil. Het luidde het begin in van een strijd tegen die macht en kreeg handen en voeten met het instellen van The Bureau of Corporations in 1903. Dat onderzocht de olie-industrie en op basis van dat onderzoek werd Standard Oil, het zakelijk imperium van Rockefeller, in 1911 opgesplitst. In 1915 werd The Bureau of Corporations onderdeel van de in dat jaar opgerichte Federal Trade Commission (FTC), die nog steeds bestaat. De FTC onderzoekt monopolistisch machtsmisbruik en waar ze dat aantreft worden bedrijven voor de rechter gedaagd. Na Standard Oil volgde er in de twintigste eeuw verschillende grote zaken, zoals tegen Alcoa (eind jaren 30, begin jaren 40) en AT&T (jaren 70). [4] Die zaken werkten vooral ook preventief. In de woorden van Matt Stoller over Thurman Arnold - de ‘trustbuster’ die eerst werkte voor de FTC en vanaf 1938 de anti-trustdivisie van het Amerikaanse ministerie van Justitie leidde - "As Congress publicly exposed how monopolies acted in the economy, Arnold didn’t even have to prosecute cases.” [5] — — — Dit artikel is onderdeel van de substack Workshop Nieuw Kapitalisme. Geïnteresseerden kunnen zich daar inschrijven voor een nieuwsbrief. Nieuwe artikelen ontvang je dan per mail. — — — In de loop van de jaren 70 veranderde echter het denken over de macht van grote bedrijven. Onder het neoliberale gesternte werden de criteria voor problematische monopoliemacht aangepast. Cruciaal daarbij werd - en daarmee zijn we terug waar we begonnen - de consument. In navolging van het boek The Antitrust Paradox (1978) van Robert Bork, werd het probleem van monopoliemacht teruggebracht tot de vraag of een monopolie het consumentenwelzijn aantastte. Dat was het geval wanneer een monopolie leidde tot hogere consumentenprijzen. Als dat niet kon worden aangetoond, dan was er volgens deze neoliberale uitleg van de antitrustwetten, geen probleem. [6] Kijken we vervolgens naar Big Tech, dan bestaat de indruk dat wij als gebruikers ook de consumenten zijn. Aangezien het grootste deel van de software kosteloos is, zou je daarom tot de conclusie kunnen komen dat de consument überhaupt niet hoeft te betalen aan Big Tech en gratis is natuurlijk nooit te duur. Daarmee vervalt, volgens het criterium van Bork, de grond om de macht van Big Tech aan te pakken. We weten nu echter dat dat niet is hoe de economie van Big Tech werkt, omdat niet het grote publiek, maar adverteerders de consumenten zijn. Zij betalen veel geld aan de weinige aanbieders die deze markt van persoonsgegevens domineren. Een oligopolistische markt met slechts enkele spelers die mede daardoor immense macht in handen hebben en hoge prijzen kunnen vragen. Prijzen die de adverteerder ophoest en via andere wegen aan het grote publiek doorberekent. Laten we in meer detail kijken naar die verhouding tussen Big Tech en de gebruiker. 2. Transactieloze keuze-arme gebruikerservaringen In een klassieke economie heeft de consument een belangrijke functie in die zin dat zijn aankopen sturend zijn voor wat er geproduceerd wordt. We zijn allemaal consument en met onze aankopen bepalen we dus het succes, of falen van producten die de industrie levert, zoals de CD. Dat draait om een hele basale economische mechaniek, namelijk de afweging die plaatsvindt rondom een (mogelijke) transactie. De consument zoekt een product, maakt een inschatting over de kwaliteit, weegt de kosten af en neemt uiteindelijk een beslissing die soms tot aankoop leidt. Die transacties tussen gebruikers en Big Tech bestaan binnen het ecosysteem van gratis software niet. De vraag hoeveel het iemand waard is om van Whatsapp en TikTok gebruik te maken, wordt nooit gesteld. Terwijl die afwegingen in het klassieke kapitalisme richtinggevend waren. Dat betekent dat de macht die de consument heeft, door ‘met de voeten te stemmen’ en naar de concurrent te gaan, niet op die manier werkt. Producten waar je niet voor betaalt zijn nooit te duur, dus dat is nooit een reden om naar een andere producent te gaan. Een belangrijke overweging daarbij is dat voor veel van de gratis producten van Big Tech er nauwelijks alternatieven bestaan. Op de meeste I-Phones draait alleen het besturingssysteem IO/S van Apple. Andere telefoons worden standaard geleverd met Android (van Google/Alphabet). Alternatieven zijn nauwelijks bekend en omdat Android al geïnstalleerd staat, ingewikkelder om te gaan gebruiken. Voor YouTube van Google bestaan alternatieven, maar die bieden maar een fractie van het filmmateriaal van wat op Youtube te zien is. Dus ben je toch op YouTube aangewezen. Belangrijker nog is het fenomeen dat het netwerk-effect wordt genoemd. Dat geldt met name voor software als Whatsapp en TikTok. Als al je familie en vrienden gebruik maken van zo’n app, dan val je buiten dat netwerk op het moment dat jij kiest voor een alternatief. Het zorgt voor een soort sociale binnensluiting, waar je als individu niet uitkomt. Kortom, de consument in de klassieke economie maakt altijd een afweging, over of het product de prijs wel waard is. Hij heeft keuzevrijheid en kan dus ook ‘met z’n voeten stemmen’ en bij een andere fabrikant aankloppen. Zo oefent hij de macht uit die hij als consument heeft. De gebruiker in het ecosysteem van gratis software maakt die afweging om tot aankoop over te gaan helemaal niet. Zijn keuzevrijheid is grotendeels gecompromitteerd door het functioneren van dat ecosysteem dat op allerlei manieren obstakels opwerpt om alternatieve keuzes te maken. Tegenover het gratis gebruik staat dus minder tegenmacht en minder keuzevrijheid. We hebben gezien dat het loskoppelen van gebruiker en consument, in combinatie met de antitrustwetten die sinds de jaren 80 op consumentenprijzen focussen, een immense machtsconcentratie bij Big Tech heeft mogelijk gemaakt, die nauwelijks wordt aangevochten. Mede doordat gebruikers het probleem niet zien. Verder is duidelijk geworden dat het grote publiek niet meer uit consumenten bestaat die en masse met hun voeten stemmen. De gebruiker is geen consument, sluit geen transacties met Big Tech af en wordt zoveel mogelijk binnengesloten in het door Big Tech ingerichte ecosysteem van gratis software, die de winning van persoonsgegevens mogelijk maakt. Die alomvattende spionage-infrastructuur zelf heeft ook gevolgen, waar ik mee wil besluiten. 3. De (on)persoonlijke economie Milton Friedman dichtte een eigenschap aan de klassieke economie toe, waar niet vaak bij wordt stilgestaan, maar die door de infrastructuur van Big Tech weleens ongedaan zou kunnen worden gemaakt. “The essence of a competitive market is its impersonel character”. [7] Dat onpersoonlijke heeft te maken met het transactionele karakter van de economie en de rol van prijzen daarin. Prijzen zijn neutraal in die zin dat ze geen onderscheid maken tussen soorten mensen. Het maakt niet uit wie de mensen zijn die een product maken, welke politieke opvattingen ze hebben, of wat hun culturele achtergrond is. Op de markt gaat het om de prijs en de kwaliteit van het product. Dat is waar het om draait in een vrije markt economie. Dat onpersoonlijke karakter van de economie vormt ook een fundament voor politieke vrijheid. Dat zien we het best als we begrijpen hoe dat in een dictatuur werkt, waar economie en politiek niet van elkaar gescheiden zijn. De economische productie is er of in handen van de overheid, of is onderwerp van vergaande overheidsbemoeienis. In zo’n situatie is kritiek op bijvoorbeeld een politieke leider niet mogelijk zonder het risico op vergaande economische consequenties. Want die kritiek wordt opgemerkt binnen het bedrijf en gerapporteerd aan de staat, of andersom. De staat noteert de kritiek in de media, of tijdens een demonstratie en geeft dat door aan de werkgever van de criticus. Het bedrijf weet wat te doen. De persoon die z’n mond open durfde te doen is z’n baan kwijt en vindt geen nieuwe, omdat alle bedrijven onder toezicht van de staat staan. Inkomen weg, huis weg, bestaan weg. In een liberale democratie wordt politieke vrijheid mede mogelijk gemaakt doordat politiek en economie gescheiden zijn. Dus zelfs als een politiek leider het niet zo op heeft met zijn critici, zal dat niet leiden tot economische consequenties. De communicatie tussen bedrijven onderling en met de overheid is transactioneel, waarbij prijzen leidend zijn. Dat betekent dat je niet weet of het brood dat je eet is gemaakt van graan dat is geoogst door iemand met een andere politieke overtuiging, een ander geloof, of een andere kleur. Dat illustreert, in de woorden van Friedman “how an impersonal market separates economic activities from political views and protects men from being discriminated against in their economic activities for reasons that are irrelevant to their productivity - whether these reasons are associated with their views or their color.[8] Binnen de democratie bestaat er een scheiding van machten, de zogenaamde trias politica, die te grote machtsconcentraties voorkomt en de vrijheid van burgers waarborgt. In het verlengde daarvan draagt ook de scheiding tussen economie en politiek daaraan bij en zorgt voor het voortbestaan van onze vrijheid. Die scheiding tussen politiek en economie en het onpersoonlijke karakter van de economie zelf dreigen verloren te gaan. De basis voor die verandering is de spionage-infrastructuur van Big Tech, die een omvang heeft die geheime diensten in de koude oorlog niet voor mogelijk hadden gehouden. Die infrastructuur wordt, zoals we weten, gebruikt voor het verzamelen van immense hoeveelheden persoonlijke gegevens, waaruit bijvoorbeeld duidelijke politieke profielen kunnen worden afgeleid. Wat die infrastructuur echter ook doet is het op allerlei manieren verweven van economische organisaties, met elkaar en met de politiek. Dat gebeurt op het moment dat data als product op de markt wordt verkocht, of als overheden data toe-eigenen, bijvoorbeeld op basis van anti-terrorismewetgeving. Dan worden werelden samengebracht, die om goede redenen gescheiden zouden moeten blijven. Een ogenschijnlijk onschuldig voorbeeld zijn bedrijven die bij het zoeken naar personeel hun uitingen op social-media doorlichten. De infrastructuur van Big Tech, geeft toegang tot politieke opvattingen, soms van lang geleden, en maakt dat doorlichten mogelijk. Het zal dus voorkomen dat sollicitanten vanwege hun (vroegere) politieke opvattingen economisch worden benadeeld. Dat het veel verder kan gaan illustreert de installatie van DOGE direct na de inauguratie van Donald Trump in januari 2025. Dit door zakenman Musk geïnitieerde Department of Government Efficiency krijgt een vrijgeleide van Trump om alle overheidsonderdelen die iets met diversiteit, gelijkheid en inclusie te maken hebben (DEI) te ontmantelen en medewerkers te ontslaan. Musk betrekt daarbij technici van zijn eigen bedrijven, die de computersystemen van de overheid overnemen, koppelen en doorlichten, op zoek naar afdelingen en mensen die dit gedachtegoed onderschrijven of uitdragen. Dit teneinde de overheid te zuiveren van dit gedachtegoed en deze praktijken.[9] Kortom, een versmelting van politieke en economische macht, waarbij de digitale infrastructuur en medewerkers van bedrijven worden ingezet om bepaalde politieke opvattingen van mensen in overheidsdienst economisch te bestraffen. Het levert terecht geschokte reacties op, maar maakt vooral goed zichtbaar, wat in andere gevallen onzichtbaar zal blijven. Dat de infrastructuur van Big Tech economie en politiek met elkaar verweeft en daardoor onze politieke vrijheid vergaand kan ondermijnen. — — — [1] Ter illustratie de advertentie inkomsten van Meta tot 2024 [2] Het woord spionage kan in deze context wat ongepast klinken, omdat we daarbij eerder denken aan de activiteiten van de staat. Maar laat je de praktijken van Big Tech tot je doordringen, dan kan de conclusie geen andere zijn dan dat het woord spionage de lading uitstekend dekt. [3] Denk aan de Facebook-pixel en Alexa van Amazon. [4] Matt Stoller, Goliath. The 100 year war between monopoly power and democracy, Simon & Schuster Paperbacks, 2019. Pagina 135 [5] Ibid. Pagina 150 [6] Tim Wu, The Curse of Bigness. Antitrust in the new gilded age, Columbia Global Reports, 2018. Pagina 88 [7] Milton Friedman, Capitalism and Freedom, The University of Chicago Press, 2002. Pagina 119 [8] Ibid. Pagina 21 [9] Meer informatie is bijvoorbeeld te vinden op deze gearchiveerde pagina van de Washington Post.

Foto: klimkin on Pixabay

De erfenis: de populairste subsidie van Nederland

Het merkwaardige aan erfbelasting is hoe snel het debat verandert in een soort natuurrechtelijke paniek. Alsof de staat plotseling je tandenborstel komt opeisen zodra oma overlijdt. “Er is al belasting over betaald”, klinkt het dan verontwaardigd. Een argument dat meestal wordt uitgesproken terwijl dezelfde persoon zonder morren btw betaalt op een broodje, accijns op benzine en loonbelasting over salaris waarmee vervolgens opnieuw van alles wordt gekocht waar alweer belasting op zit. Geld beweegt door de economie en wordt voortdurend opnieuw belast. Dat is geen uitzonderlijke communistische terreurdaad speciaal gericht tegen nalatenschappen. Dat is gewoon hoe belasting werkt.

De bijzondere emotionele status van erfenissen verraadt iets anders: veel mensen ervaren dat geld eigenlijk al als van henzelf voordat ze het hebben gekregen. Alsof de spaarrekening van hun ouders een soort extensie is van die van henzelf. Een toekomstig bezit waar de overheid vanaf moet blijven. Alleen is dat juridisch, economisch en moreel nogal een vreemde redenering. Dat geld was van degene die het verdiende. Daarna sterft die persoon. Vervolgens krijgt iemand anders plotseling een enorme som geld puur door geboorte, familiebanden en ander toeval.

Maar een erfenis is geen prestatie. Geen beloning voor arbeid, risico of ondernemerschap. Het is in essentie een gelukje. Sommige mensen erven een huis in Amsterdam. Anderen erven schulden, trauma’s of een verzameling vergeelde Donald Ducks. De samenleving accepteert inmiddels vrij breed dat extreme ongelijkheid op basis van afkomst problematisch kan zijn, behalve wanneer die ongelijkheid letterlijk via afkomst wordt overgedragen. Dan heet het ineens “van de familie afblijven”.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Quote du Jour | Marktconform

“We moeten naar de markt kijken en we bevinden ons in een wereld waarin de entertainmentmarkt zich het meest heeft ontwikkeld. […] Dus moeten we marktconforme tarieven hanteren.”

Infanto legt het ons even uit: je wordt wel gedwongen woekerprijzen te vragen voor tickets, omdat anderen dat ook doen. Het is het argument van de huisjesmelker die “ook gewoon marktconform” verhuurt, van de supermarkt die inflatie nét iets enthousiaster interpreteert dan noodzakelijk, van ieder kartel ooit dat zichzelf liever een natuurverschijnsel noemt. Niemand kiest ervoor, iedereen doet slechts gehoorzaam mee. De markt wordt zo een soort hogere macht: een god die toevallig altijd het hoogste vraagt en die niet mag worden tegengesproken.

Kijktip: Tegenlicht met Varoufakis

ANALYSE - We moeten nadenken over hoe onze economie werkt, maar ook over de termen die we gebruiken wanneer we over economie praten. Vinden er grote veranderingen plaats, dan moeten we op zoek naar taal die beter in staat is te beschrijven wat we zien gebeuren. Dat was een belangrijke reden om daar, onder de noemer Workshop Nieuw Kapitalisme, over na te denken.

Die zoektocht wordt ook door anderen ondernomen, zoals Yanis Varoufakis, econoom en voormalig minister van financiën van Griekenland. In Tegenlicht, vertelde hij naar aanleiding van zijn boek Technofeudalism, hoe hij de economie ziet veranderen en hoe we dat volgens hem onder woorden moeten brengen. Hij haalt daarbij een onderwerp aan waar ik eerder een artikel over schreef. We komen, zoals ik zal laten zien, echter niet tot dezelfde conclusies.

Eerst de aflevering van Tegenlicht:

Airbnb en Amazon

Waar we het over eens zijn is dat bedrijven als Airbnb en Amazon, geen gewone bedrijven zijn. Maar wat zijn het dan? Het antwoord dat ik in het artikel Wat is Airbnb? geef: Airbnb is een geprivatiseerde markt – één van de zuiverste voorbeelden van dit fenomeen – in het juridische lichaam van een bedrijf. Een belangrijke reden om Airbnb als voorbeeld aan te dragen, was ook die zuiverheid van het voorbeeld. Er zijn namelijk meer bedrijven die marktachtige kenmerken hebben, zoals bijvoorbeeld Deliveroo, maar doordat ze hybride zijn, is dat moeilijker te zien. Airbnb is evident een markt, waardoor het verschil met een gewoon bedrijf sneller duidelijk is.[1]

Foto: Xavi Cabrera on Unsplash

VVD-realisme: beleid vermomd als natuurwet

De VVD heeft op haar partijcongres weer eens ontdekt dat ondernemers de oplossing zijn, vakbonden lastig doen en links de economie vooral in de weg loopt. Dilan Yeşilgöz en Ruben Brekelmans richtten zich tot vakbonden en linkse partijen: zij moesten “meedenken” en de economische groei vooral niet “tegenwerken”. Ook moest de sociale zekerheid op de schop, anders zou die onbetaalbaar worden.

Daarna kwam de zin die het hele VVD-denken in één keurige vitrinekast zette: “Het grootste verschil tussen links en rechts is: wij kijken naar de wereld hoe die is, niet hoe die had moeten zijn.”

Die formulering is bedoeld om nuchterheid te suggereren, alsof de VVD slechts constateert wat ieder verstandig mens allang zou moeten zien. In werkelijkheid worden politieke keuzes voorgesteld als feiten waar niemand onderuit kan. Lage lonen, uitgeklede sociale zekerheid, belastingvoordelen voor bedrijven en een economie die vooral om aandeelhoudersvertrouwen draait, verschijnen zo als onvermijdelijke randvoorwaarden. Je kunt er boos over worden, je kunt er idealistisch over doen, je kunt met een bord op het Malieveld gaan staan, alleen verandert dat volgens de VVD niets aan de werkelijkheid.

Het is vooral handig: wie de eigen ideologie natuurwet noemt, hoeft die ook niet meer te verdedigen.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: Edu Raw on Pexels

Elon Musk: De biljonair, democratie en de armste vier miljard

Elon Musk is na de beursgang van SpaceX waarschijnlijk de eerste biljonair ter wereld geworden. Zijn vermogen zou door de notering boven de 1,1 biljoen dollar uitkomen, vooral door zijn belang in SpaceX. Het bedrijf haalde bij de beursgang 75 miljard dollar op en wordt nu gewaardeerd rond de 1,77 biljoen dollar. Ja, biljoen. Duizend miljard. Een miljoen miljoen. De Washington Post omschreef Musks nieuwe status terecht als rijkdom “op papier”, want het grootste deel van dat vermogen bestaat uit aandelenwaarde, verwachtingen en marktprijs.

De meest kaakzakkende vergelijking komt van Oxfam. In 2024 had de armste 46 procent van de wereldbevolking, 3,8 miljard mensen, samen een nettovermogen van 890 miljard dollar, omgerekend naar prijzen van januari 2026. Bij een vermogen van 1 biljoen dollar bezit Musk dus meer dan bijna de helft van de mensheid samen. Eén man boven bijna vier miljard mensen. Eén beursnotering boven het gezamenlijke bezit van complete continenten aan armen, schuldenaren, huurders, flexwerkers, landlozen en mensen die vooral worden meegeteld wanneer economen een grafiek over armoede nodig hebben.

De beursgang van SpaceX gaat daarmee minder over ruimtevaart dan over een economie waarin fictieve waardering echte macht produceert. Musks biljoen ligt nergens in een kluis. Het is geen stapel geld die hij morgen zonder gevolgen kan opnemen. Het bestaat grotendeels uit aandelen die alleen deze waarde houden zolang beleggers, banken, analisten, indexfondsen en markten blijven geloven dat SpaceX later nog meer waard wordt. De armste 3,8 miljard mensen leven met materiële tekorten.

Foto: Jannik on Unsplash

Het WK hoeft van de FIFA helemaal niet uitverkocht te zijn

Bij berichten over mogelijke lege stoelen tijdens het WK gaat de discussie meestal over de hoogte van de ticketprijzen. Die prijzen zijn hoog, en volgens de FIFA wordt de organisatie daartoe gedwongen. Dat weten we inmiddels wel. Interessanter is een andere vraag: wat als volle stadions simpelweg geen prioriteit zijn?

Dat klinkt misschien vreemd voor een sportorganisatie. Je zou verwachten dat het grootste voetbaltoernooi ter wereld er alles aan doet om iedere beschikbare stoel te vullen. Volle tribunes zorgen voor sfeer, betere televisiebeelden en een overtuigend bewijs dat het WK leeft onder supporters. Toch is dat alleen logisch als het doel daadwerkelijk een vol stadion is, en voor de FIFA hoeft dat niet zo te zijn.

Een organisatie die vooral naar inkomsten kijkt, hoeft niet iedere stoel te verkopen. Sterker nog, het kan financieel aantrekkelijker zijn om minder kaartjes te verkopen tegen hogere prijzen dan een stadion tegen lagere tarieven vol te krijgen. In dat model vormen lege stoelen geen probleem. Ze zijn een geaccepteerd neveneffect van een strategie die op maximale opbrengst is gericht.

Dat maakt de berichtgeving over onverkochte kaarten en woekerprijzen ook minder verrassend. Het grootste voetbaltoernooi ter wereld kampt niet met een tekort aan belangstelling. Het kampt met een tekort aan mensen die bereid of in staat zijn de gevraagde prijs te betalen. Dat zijn twee heel verschillende dingen.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: SpaceX on Unsplash

SpaceX: Publieke raketten, private jackpot

Privatizing profits, socializing losses. De staat helpt bouwen, de markt mag applaudisseren, en zodra de waardering hoog genoeg is, schuift het risico door naar iedereen met een pensioenpot. Bij SpaceX wordt het principe tot het uiterste gerekt. Het bedrijf wil naar de beurs. Dat betekent dat een bedrijf dat jarenlang in private handen was, aandelen gaat aanbieden aan publieke beleggers. Voor vroege investeerders en insiders is een beursgang vaak het grote afrekenmoment: hun belang, opgebouwd in besloten kring, krijgt eindelijk een openbare prijs. SpaceX mikt op een beursgang waarbij het ten minste 75 miljard dollar wil ophalen, bij een waardering rond 1,75 biljoen dollar.

Bij SpaceX wringt dat extra. Het bedrijf is puur op zichzelf groot geworden. Het is groot geworden met publieke contracten, publieke infrastructuur, publieke afhankelijkheid en strategisch staatsbelang. NASA, defensie, vergunningen, lanceerlocaties, frequenties: de overheid staat overal in de machinekamer. Alleen verdwijnt die overheid uit beeld zodra de winst straks privaat verdeeld kan worden.

Een deel van de kritiek op de beursgang draait precies daarom. Deze prikt wel meteen een krankzinnig hoge prijs vast. Gewone beleggers en pensioenfondsen stappen straks via de index gedwongen in op dat niveau, en zodra de periode voorbij is waarin insiders nog niet mogen verkopen, kunnen zij en de vroege investeerders daar alsnog tegen uitstappen. En er speelt nog iets, gerelateerd aan die net genoemde index: aangepaste Nasdaq-regels. Vroeger moest een nieuw beursfonds normaal eerst een seasoning period doorlopen: maanden handelsgeschiedenis om prijs, liquiditeit en stabiliteit te laten ontstaan. Sinds 1 mei 2026 kan een extreem groot nieuw aandeel onder de fast-entryregel al na vijftien handelsdagen in de Nasdaq-100 belanden. En zodra zo’n aandeel in een grote index komt, moeten indexfondsen en passieve beleggingsproducten het volgen. Pensioengeld beweegt dan niet omdat SpaceX ineens een redelijke prijs heeft, maar omdat de index het zegt. En SpaceX zal direct het grootste fonds worden, en dus een significant deel van wat die fondsen moeten aankopen.

Foto: Jon Tyson on Unsplash

Accijnzen: ook de schatkist heeft een verslaving

Accijnzen zijn politiek een fascinerend verschijnsel. Zodra ze géén effect hebben, is het een inkomstenbron en verstandig ontmoedigingsbeleid. Zodra ze wél effect hebben, ontstaat paniek. Dan blijkt ineens dat mensen over de grens sigaretten halen, dat ondernemers omzet verliezen, dat de staatskas inkomsten misloopt. Het succes van de maatregel verandert daarmee direct in een argument tégen diezelfde maatregel.

Dat patroon zagen we bijvoorbeeld in 2003 bij de accijnsverhoging op sterke drank. Hogere accijnzen moesten consumptie ontmoedigen én geld opleveren. Vervolgens daalde de verkoop stevig. Precies het mechanisme waar deze accijnzen voor bedoeld zijn. Alleen bleek dat politiek ongewenst, zodra slijterijen begonnen te klagen en belastinginkomsten tegenvielen. Dus werd de verhoging een jaar later alweer teruggedraaid. De impliciete boodschap: ontmoediging is prima, zolang mensen het signaal eigenlijk niet of nauwelijks oppakken en de inkomsten op peil blijven. Dat zie je eigenlijk ook altijd met de raming van de inkomsten na een verhoging. Bijna altijd wordt er van uitgegaan dat de maatregel niet werkt en wordt de verhoging alvast één op één als extra inkomsten op de begroting gezet.

Bij sigarettenaccijnzen gebeurt exact hetzelfde. Hogere prijzen leiden aantoonbaar tot minder rokers. Vooral jongeren beginnen minder snel, bestaande rokers stoppen vaker of minderen. Vanuit volksgezondheidsperspectief werkt het beleid gewoon. Alleen ontstaat er tegelijk ook een voorspelbaar neveneffect: mensen rijden naar Duitsland of België voor goedkopere sigaretten. Experts zijn het erover eens, netto is het nog steeds een positief effect op de volksgezondheid, maar meteen verschuift het debat dan van “hoe krijgen we minder rokers?” naar “hoe beschermen we de staatsinkomsten?”.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: Mike Erskine on Unsplash

Aandeelhouderskapitalisme: schade als enige logische uitkomst

Sinds de opkomst van beurskapitalisme is kapitaal sneller gaan bewegen dan alles wat het zou moeten begrenzen. Arbeid zit vast, regels slepen zich voort, politiek onderhandelt tot de randen eraf zijn. Maar geld vertrekt op het moment dat het ergens een paar basispunten meer ruikt. Dat verschil in mobiliteit is de motor van het aandeelhouderskapitalisme. Tijd krimpt tot kwartalen, weken en soms zelfs uren of minuten, verantwoordelijkheid verdampt zodra zij buiten de balans valt, en besluitvorming buigt richting wat nú rendeert.

Een beursgenoteerd bedrijf hoeft geen kwaadaardige intenties te hebben om structureel schadelijke keuzes te maken. Het hoeft alleen braaf te doen wat het systeem voorschrijft: rendement maximaliseren onder permanente dreiging van kapitaal dat wegloopt. In zo’n omgeving fungeert moraal als zo snel mogelijk te schrappen kostenpost.

De opdracht is eenvoudig: maximaliseer aandeelhouderswaarde. Alles daarbuiten wordt bijzaak, randvoorwaarde of PR. Bestuurders die die hiërarchie niet volgen, liggen eruit. Soms luidruchtig via activistische aandeelhouders, vaker stil via koersen, targets en ‘herijkte verwachtingen’. Het systeem selecteert. Wie te ver vooruit kijkt, of belangen van werknemers en omgeving zwaarder laat wegen dan de concurrentie, wordt ingehaald of vervangen. The only way is down, vanuit maatschappijkritisch opzicht.

Kortetermijndenken verschijnt daardoor als rationele – zelfs de enige – strategie. De beurs reageert direct, bonussen volgen die cadans, analisten zetten de lat en rekenen af. De toekomst wordt iets dat je klein houdt. Investeringen die pas later renderen krijgen argwaan. Schade die buiten de boekhouding valt, wordt verplaatst. Na ons de zondvloed, en zelfs een waarschijnlijke zondvloed is in het heden een acceptabel risico.

Foto: "Droogte" by Raverken is licensed under CC BY-NC-SA 2.0

Water is de nieuwe olie

ACHTERGROND - door Bart Ossendrijver

Via een installatie wordt in een gortdroge woestijn water gevangen, zo uit de lucht. Het klinkt als een handige gadget uit een sciencefictionfilm, maar het instrument bestaat echt. Scheikundige en Nobelprijswinnaar Omar Yaghi maakte het vernuftige apparaat en legt in het NRC uit hoe het werkt. Het systeem bestaat uit MOF’s: metaal-organische raamwerken die een poreuze spons vormen en H2O moleculen uit de lucht trekken. De installatie voegt nog wat mineralen toe en klaar is kees: het water is geschikt om te drinken. Als het mogelijk is de installatie op te schalen, kan het duizenden liters schoon drinkwater per dag oogsten. Daarmee kan technologie als deze een rol spelen in het oplossen van het nijpende wereldwijde watertekort.

Ook in Nederland hebben we te maken met een groeiend (drink)waterprobleem. In 2023 doken we samen met geowetenschapper Michelle van Vliet (UU) in de complexiteit van het watersysteem. Dat er waterschaarste is, werd in 2018 door een grote droogte duidelijk. Maar het Nederlandse watertekort ontstaat door een ingewikkelde samenkomst van een historisch té snel waterafvoersysteem, een stijgende vraag door bevolkingsgroei en vervuiling van onze bronnen. Het is duidelijk dat de grootte van de tekorten zal toenemen. Een eenduidige oplossing is er niet, misschien is daarom zelfs in Nederland een technologie die water uit de lucht vangt een welkome uitvinding.

Foto: Mike MacKenzie (cc)

AI en kapitalisme: een structurele botsing

Er bestaat een hardnekkig verhaal dat kunstmatige intelligentie het huidige kapitalisme naar een nieuw niveau zal tillen. Efficiënter, productiever, innovatiever, voor iedereen. Alsof de machine eindelijk doet wat de spreadsheet altijd al beloofde, zelfs de aloude hypothetische 4-urige werkdag kwam weer eens om de hoek kijken. Tegelijk schuurt er iets fundamenteels. AI en dat soort kapitalisme versterken elkaar slechts tot op een bepaald punt. Daarna beginnen ze elkaar te ondermijnen.

De kern van het probleem ligt in waardecreatie. Kapitalisme draait om schaarste, eigendom en het vermarkten van arbeid. AI ondergraaft precies die drie pijlers. niet in de nieuwe AI-markt, maar bijna alle dienstverlenende markten, op een ongekende schaal. Zodra een model teksten, beelden, code en zelfs beslissingen reproduceerbaar maakt tegen marginale kosten die richting nul gaan, verdampt schaarste in die markten. Wat overblijft is overvloed. En overvloed laat zich slecht vangen in een systeem dat afhankelijk is van prijsmechanismen.

Het is al zichtbaar in de praktijk. Bedrijven investeren miljarden in AI, om vervolgens hun eigen markt te kannibaliseren. Denk aan softwarebedrijven die generatieve AI integreren waardoor maatwerkontwikkeling sneller en goedkoper wordt, met directe druk op hun eigen consultancy-inkomsten. Of mediaplatforms die AI-tools aanbieden waarmee gebruikers zelf content genereren, wat de vraag naar professionele makers op datzelfde platform ondermijnt. De efficiëntiewinst slaat terug op het verdienmodel.

Volgende