Donner repareert legesheffing
Probeert minister Donner ons een gratis kaart door de neus te boren, vraagt GB van Publiekrecht & Politiek zich af.
Donner probeerde zo uitgebreid mogelijk het nieuws te halen met zijn wetsvoorstel om in de Gemeentewet een betere grondslag voor het heffen van leges voor ID-kaarten te creëren. Anders gezegd: de Griekse toestanden zijn voorbij; er moet weer gedokt worden.
Daarbij betrok Donner een merkwaardig standpunt: het zou namelijk ‘vanaf nu’ niet meer gratis zijn. Maar het gaat om een wetsvoorstel en er is nu dus nog niets geregeld. Gokt Donner erop dat we daar pas achter komen als de wet al in het Staatsblad staat en probeert hij ons een gratis kaart door de neus te boren?
Niet helemaal. Het wetsvoorstel bevat namelijk een bepaling waarmee de wet straks terugwerkt tot de dag na indiening van het wetsvoorstel, althans ten aanzien van aanvragen die daarna worden ingediend. Dit soort terugwerkende kracht van bezwarende fiscale maatregelen is natuurlijk zeer bezwaarlijk, maar niet geheel uitgesloten. Om straks stevig te staan tegen verwijten van rechtszekerheid probeert Donner er nu zoveel mogelijk media-aandacht te trekken. En hij wijst er in de Memorie van Toelichting fijntjes op dat de kaart helemaal niet ‘gratis’ is, maar de belastingbetaler nu 1,5 miljoen euro per week moet ophoesten om dit geintje te betalen. Naar de Hoge Raad maakt de Memorie van Toelichting nog een verontwaardigde opmerking: de Paspoortwetgever had de duidelijke bedoeling om wel leges te kunnen heffen.


Het nieuwsjaar 2010 in de landelijke dagbladen is het jaar dat de staatsrechtelijke, juridische en journalistieke grenzen zijn opgezocht.
In 1917 promoveerde de latere filosoof van de calvinistische ‘wijsbegeerte der wetsidee’, Herman Dooyeweerd, aan de Vrije Universiteit op een staatsrechtelijk proefschrift over de ministerraad (1). Daarin leverde hij een analyse van het ontstaan en de betekenis van de ministerraad, waarbij zowel historisch als rechtsvergelijkend grondig werk werd geleverd. Omdat het proefschrift over de ministerraad ging, moest het onvermijdelijk ook gaan over de koning en zijn rol in het staatsrecht.

