Alle Duitsers behalve Helmut en alle Marokkanen behalve Mo

Toen ik het artikel van gisteren las over polarisatie en de conclusie dat de meeste mensen in het eigen leven dat weinig ervaren, moest ik onwillekeurig denken aan mijn eigen jeugd. Als kleinkind van een Nederlandse veteraan die bij de Prinses Irenebrigade had gevochten, maakte ik op zijn verjaardag een huis vol met oude strijdmakkers mee. Nederlandse mannen die via de omweg van oorlog en ballingschap weer bij de bevrijding van hun eigen land betrokken raakten. Ze kenden elkaar van uniformen, kazernes, modder, angst,  kameraadschap en trauma. En ze hadden allemaal een hekel aan Duitsers. Alle Duitsers waren klootzakken. Dat was ongeveer de regel. Alleen gold die regel zelden voor de Duitsers die ze daadwerkelijk kenden. De Duitse kennis viel mee. De Duitse collega was een aardige vent. De Duitse vrouw op vakantie was hartelijk. De uitzondering zat altijd dichtbij. Het stereotype bleef intact, de individuele mens werd ervan vrijgesteld. Achteraf was dat misschien mijn eerste les in de elasticiteit van vooroordelen. Een mens kan een groep wantrouwen en tegelijk prima omgaan met de leden van die groep, zodra die een naam, gezicht, stem en adres hebben. Helaas sneuvelt het vooroordeel dan meestal niet, het wordt verplaatst. Weg van de concrete persoon, terug naar de abstracte massa. Later zag ik iets vergelijkbaars in kroegen op Zuid in Rotterdam, waar ik een tijd regelmatig kwam. Er werd racistische taal uitgeslagen, soms grof, soms gedachteloos, soms uit volle overtuiging. Alleen haastte men zich vrijwel altijd om erbij te zeggen dat de man van kleur die daar óók aan de bar zat daar natuurlijk buiten viel. En die collega ook. En die schoonzoon. En die buurvrouw. En eigenlijk alle mensen van kleur die men kende. De slechte anderen bleven abstract. Ze woonden ergens anders, kwamen ergens anders vandaan, gedroegen zich ergens anders verkeerd. Aan de bar werd ondertussen gedronken, gelachen, geholpen, geroddeld, geruzied en weer bijgelegd. Het racisme was er, in taal en beeldvorming. Tegelijk leefden diezelfde mensen in de praktijk een multicultureel bestaan dat beter functioneerde dan hun eigen opvattingen konden verklaren. Dat maakt het racisme niet onschuldig. Wie racistisch spreekt, bevestigt beelden die politieke en maatschappelijke gevolgen hebben. Het maakt wel iets zichtbaar dat in veel keuriger omgevingen graag wordt gemist: dagelijkse nabijheid kan vooroordelen ondermijnen, zelfs wanneer mensen daar zelf ideologisch nauwelijks aan toegeven. In welvarender kringen werkt het geregeld omgekeerd. Daar klinkt het inclusieve verhaal vaak vloeiender. Men kent de termen, de gevoeligheden, de juiste afkortingen, de morele risico’s van verkeerde grappen. Het antiracisme is correct geformuleerd en meestal netjes verpakt. Alleen blijft de feitelijke omgang opvallend smal. De wijk is wit. De school is zorgvuldig gekozen. Het netwerk is homogeen. De schoonmaker, pakketbezorger, oppas of zorgverlener komt wel binnen, alleen zelden als gelijkwaardige sociale vanzelfsprekendheid. Zodra diversiteit te dichtbij komt, verandert de toon. Sociale huur in de buurt is belangrijk, alleen liever niet in deze straat. Asielopvang is een humanitaire plicht, alleen is dit dorp er niet geschikt voor. Gemengde scholen zijn waardevol, alleen moet het niveau van het eigen kind wel bewaakt blijven. De multiculturele samenleving wordt onderschreven zolang zij zich vooral buiten de eigen vastgoedwaarde, schoolkeuze en sociale kring afspeelt. Dat is het nette nimby-antiracisme van de bovenlaag. Niet uitgesproken vijandig, wel ruimtelijk afgeschermd. Niet racistisch in de borreltaal, wel selectief in de instituties waar het eigen leven wordt ingericht. Daarmee kom je ook dichter bij de paradox van polarisatie. In het hierboven genoemde stuk op schrijven Emily Miltenburg en Eelco Harteveld, op basis van het Nationaal Kiezersonderzoek 2025, dat Nederlanders veel vijandigheid voelen richting politieke tegenstanders, terwijl die polarisatie in het directe dagelijks leven veel minder wordt ervaren. Ruim de helft ziet geen verslechterde verhoudingen door politieke meningsverschillen in de eigen leefomgeving, en slechts een kleine minderheid zegt dat relaties in de eigen omgeving daadwerkelijk zijn verslechterd. Tegelijk voelt meer dan 80 procent afkeer richting ten minste één politieke partij, en een kwart vindt dat er een partij is die erop uit is Nederland kapot te maken. Ook hier lijkt de abstracte ander gevaarlijker dan de concrete ander. De PVV’er in het nieuws is een fascist, de GroenLinkser op televisie is een landverrader, de D66’er op X is een technocratische sekteleider, de BBB’er in de talkshow is een trekker met stemrecht. De buurman die daarop stemt, is dan weer iemand die je pakketje aanneemt. De collega die politiek onuitstaanbare dingen zegt, is ook degene die je helpt bij een storing. De schoonzus met idiote opvattingen blijft degene die met kerst de tiramisu maakt. Het probleem is dus niet dat tegenstellingen verzonnen zijn. Ze bestaan. Belangen botsen. Opvattingen over migratie, klimaat, bestaanszekerheid, Gaza, stikstof, gender, Europa en woningbouw zijn reëel en politiek geladen. Sommige standpunten zijn ook schadelijker dan andere. Een democratie hoeft niet te doen alsof elke positie slechts een smaakverschil is. Het probleem zit eerder in de manier waarop afstand van mensen categorieën maakt. Op afstand wordt de ander een representant van alles wat verkeerd gaat. Dichtbij wordt diezelfde ander weer rommelig, tegenstrijdig en menselijk. Dat laatste is minder comfortabel voor politieke marketing, talkshowlogica en sociale media, waar helder vijanddenken beter werkt dan de buurman die zowel aardig is als op een rampzalige partij stemt. Juist daarom is het verschil tussen geleefde omgang en beleden overtuiging belangrijk. De Rotterdamse kroeg was geen modelgemeenschap. Er werd te veel gezegd dat te normaal werd gevonden. Toch was er daadwerkelijke nabijheid. De mensen die in abstracte zin werden weggezet, zaten letterlijk aan dezelfde bar. Daardoor ontstond een reeks uitzonderingen die het wereldbeeld ten minste praktisch saboteerde. De keurige variant is gevaarlijker dan zij zelf denkt. Wie inclusief spreekt zonder inclusief te leven, loopt minder risico op correctie door de werkelijkheid. Wie diversiteit vooral kent als beleidswoord, campagnebeeld of LinkedIn-houding, kan zijn morele zelfbeeld jarenlang overeind houden zonder dat de eigen omgeving werkelijk verandert. Het resultaat is een samenleving waarin de onderklasse wordt berispt om haar taal, terwijl de bovenlaag haar segregatie presenteert als smaak, schoolkwaliteit, rust, veiligheid of verstandig financieel beheer. Dat zie je breder in de polarisatiediscussie. Er wordt veel gesproken over toon, minder over de plekken waar mensen elkaar nog tegenkomen. Sportclubs, scholen, buurten, werkvloeren, verenigingen en cafés zijn geen romantische oplossingen voor politieke tegenstellingen. Ze maken racisme, seksisme of politieke vijandschap ook niet automatisch ongedaan. Wel dwingen ze abstracte opvattingen door een sociale werkelijkheid heen. De ander krijgt een naam. Soms helpt dat. Soms schuurt dat. Soms laat het vooral zien hoe belachelijk ruim een algemeen oordeel moet worden gemaakt om de concrete uitzonderingen te blijven overleven. Polarisatiepaniek richt zich graag op de hardste uitspraken. Dat is begrijpelijk, want taal doet ertoe. Alleen wordt het te dun wanneer het blijft bij de oproep om aardiger tegen elkaar te zijn. De grotere vraag is waar mensen elkaar nog als gelijken ontmoeten. Niet als doelgroep, cliënt, huurder, schoonmaker, bedreiging, beleidsprobleem of electorale karikatuur, maar als mensen met wie je iets deelt dat praktischer is dan sympathie. De generatie van mijn opa had alle reden om Duitsers te wantrouwen. Toch bleken de Duitsers die ze kenden steeds weer uitgezonderd. Dat was moreel inconsistent, en tegelijk hoopgevend. Niet omdat het vooroordeel daarmee verdween, maar omdat het in de praktijk steeds opnieuw werd onderbroken door een concreet mens. Misschien begint samenleven soms precies daar: bij plekken waar mensen elkaar tegenkomen voordat ze elkaars categorie worden, of waar die categorisering een deuk krijgt. Wie die plekken verliest, houdt alleen de abstracte ander over. En de abstracte ander is altijd makkelijker te haten.

Door: Foto: Aleksandr Popov on Unsplash
Foto: Wendy (cc)

Toenemend racisme: gelijkwaardigheid als staatsgreep

De standaard lezing van het toenemende aantal stemmen op radicaal- en extreemrechts is dat het zou gaan om angst voor achterstand, om buurten die onder druk staan, om mensen die hun land zien veranderen. Dat het dus geen ‘echt’ racisme is. Daar is natuurlijk een hoop op af te dingen, en die lezing mist iets wezenlijks. Racisme laait namelijk niet alleen op wanneer minderheden worden gezien als last, maar ook wanneer zij zichtbaarder, succesvoller en invloedrijker worden.

Dat is geen vreemde gedachte. In onderzoek naar intergroup threat en status threat komt steeds dezelfde dynamiek terug: vooroordelen nemen toe wanneer een dominante groep een andere groep ervaart als bedreiging voor macht, status, identiteit of de vertrouwde orde. Het gaat dus niet alleen om banen of woningen, maar ook om de vraag wie zichtbaar is, wie spreekt, wie beoordeelt en wie bepaalt.

Zolang migranten en hun kinderen passen in het oude schema, is er weinig aan de hand. Ze mogen schoonmaken, koken, bezorgen, bouwen, zorgen en dankbaar zijn. De spanning ontstaat zodra ze succesvoller worden en de ruimte innemen die vroeger vanzelfsprekend aan anderen werd toegekend.

Dat zie je overal. Mensen van kleur en kinderen van immigranten zijn steeds vaker niet meer het onderwerp waarover wordt gesproken, maar degenen die spreken, presenteren, besturen en duiden. Ze zitten aan talkshowtafels, in gemeenteraden, op redacties, in rechtbanken, universiteiten, raden van bestuur en politieke panels. Ze zijn geen lijdend voorwerp meer in het nationale verhaal, maar mede-auteurs ervan. Voor wie gewend was dat “de ander” hoogstens figureerde in reportages over achterstand, integratie of overlast, is dat een forse statuscorrectie.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Foto: Markus Spiske on Unsplash

Haatzaaien en OM: Nog een uitzondering?

Eerder deze week schreven we al over het besluit van het OM om Geert Wilders niet te vervolgen vanwege een racistische campagneafbeelding. De kern daarvan was simpel: racisme lijkt in Nederland steeds minder strafbaar zodra het een politiek nut dient. Politieke context fungeert steeds vaker als beschermlaag waarachter uitspraken verdwijnen die buiten de Haagse arena grote problemen zouden opleveren.

De aangifte tegen PVV-Kamerlid Gidi Markuszower legt daar nu een veel ernstiger vraag naast. Markuszower stelde dat Palestijnen “misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan komen” tegengehouden moeten worden, en wat hem betreft in Gaza mogen “verpieteren”. Dat is geen abstract frame meer, geen “kritiek op immigratie”, geen debat over integratie of grenzen. Hier komt expliciet geweld in beeld. Niet als verspreking, maar als politiek taalgebruik richting een compleet volk.

En precies daarom zou niet-vervolgen hier een fundamenteel kantelpunt zijn.

Het Nederlandse recht kent bewust hoge drempels rond politieke uitingen. Alleen bestaat die bescherming uiteindelijk bij de gratie van één impliciete grens: dat politici geen vrijbrief krijgen om groepen structureel te ontmenselijken of geweld tegen hen te legitimeren. Als zelfs dit juridisch irrelevant blijkt zodra een Kamerlid het zegt, blijft er inhoudelijk nauwelijks nog een grens over.

Foto: R4vi (cc)

En nu graag een écht protestlied, op repeat

Het lijkt op eerste gehoor een onschuldig liedje: een goede beat, een simpele melodie. Maar een paar seconden later spat dat uiteen. De tekst “Wij zeggen nee, nee, nee, tegen een AZC” is geen vrolijk ‘protestlied’, zoals het in de media wordt genoemd. Het is een verzameling halve waarheden, verdraaiingen en leugens, verpakt in een carnavalesk jasje. En het feit dat het nu dreigt nummer één te worden in de hitlijsten, zegt niet iets over de kracht van protest, maar over de honger naar bevestiging van vooroordelen.

De leugen als volkswijsheid
Ik ga het nummer hier niet linken, en luister het vooral niet, het wordt zelfs op YouTube meegeteld voor de hitlijsten. In ieder geval, het grossiert in verzinsels. Over luxe opvang, over privileges van asielzoekers, over dreiging en gevaar. De teksten spelen in op angst, niet op feiten. Het protesteert niet tegen beleid, maar tegen mensen. Niet tegen bestuurlijke keuzes, maar tegen menselijke aanwezigheid. En dat is het punt: dit is geen protestlied, het is een aanklacht tegen solidariteit. Waar een echt protestsong macht bevraagt, trapt dit lied naar beneden en roept het het publiek op om mee te doen.

De truc van de lach
Maar de echte kracht van het nummer ligt in de lach. Mensen zingen het mee “voor de grap”, zogenaamd als uitlaatklep voor frustratie over politiek en elite. Maar humor is hier het verdovingsmiddel.  Op TV zagen we de vrolijke meewiegende hoofden toen het nummer werd gedraaid – we see you, Albert Verlinden – die eigenlijk zeggen: “Neem dit niet zo serieus.” En zo wordt discriminatie alweer salonfähig. Het klinkt niet meer als haat, maar als gezelligheid. De muziek maakt verteerbaar wat anders onverteerbaar zou zijn.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: Roel Wijnants (cc)

Yesilgöz en het stickertje van de rest

Yesilgöz “kent best veel allochtonen“. En “geen van hen voelt zich aangesproken als ik zeg dat eerwraak slecht is.” Het klinkt stoer. Onaangedaan. Liberaal. En ook een beetje gek, want ze is zelf een allochtoon en lijkt zich hiermee van die groep te distantiëren. Maar het is ook wereldvreemd. Want wat Yesilgöz niet begrijpt, of waarschijnlijker: niet wil begrijpen, is dat kritiek op “gemeenschappen” in Nederland nooit zomaar kritiek is. Het is munitie in een maatschappelijk klimaat waarin namen, gezichten en accenten allang gelabeld zijn voordat iemand een woord zegt. Je hoeft je niet aangesproken te vóelen om aangesproken te wórden. De rest van Nederland plakt dat stickertje toch wel. Ook op de allochtonen die ze kent. Daarbij is het voorbeeld dat ze kiest curieus. Want allochtonen worden ook, of vooral, aangesproken op dingen als de religie die ze aanhangen, en wat die religie wel of niet inhoudt. Iets wat een stuk fundamenteler is dan een opinie over eerwraak, waar bijna iedereen hetzelfde over denkt.

De fictie van neutrale kritiek

Yesilgöz zegt dat de VVD niet “alle migranten” of “alle allochtonen” bedoelt. Dat klopt formeel. Maar politiek taalgebruik is geen wiskunde. Het is framing. En in de mond van een ex-minister van Justitie en partijleider wordt elk ‘feitelijk’ verband tussen migratie en misdaad een maatschappelijke stempel. In het interview verwijst ze naar cijfers over Syriërs en eergerelateerd toegenomen geweld. En dat ze daar ‘dan wel wat mee doet’. En ja, dat aantal is gestegen. Elk geval is er natuurlijk één te veel, maar het gaat om een paar honderd zaken per jaar, tegenover duizenden gevallen van vrouwgericht partnergeweld waar de VVD zelden nog een persmoment aan wijdt. De keuze om juist deze categorie te benadrukken is dus niet neutraal, maar verdacht.

Foto: Roel Wijnants (cc)

Andere tijden

COLUMN - Terwijl in de media dezer dagen heftige debatten worden gevoerd over de vrijheid van meningsuiting van het Britse punkrapduo Bob Vylan las ik de biografie van Hugo Brandt Corstius  ‘Ik heb nog nooit gelogen‘ geschreven door Elsbeth Etty. Brandt Corstius (1935-2014) was een vlijmscherpe columnist die onder de pseudoniemen Stoker, Piet Grijs, Raoul Chapkis, Maaike Helder, Jan Eter en Battus (om er een paar te noemen) in de tweede helft van de vorige eeuw schreef in (o.a.) Vrij Nederland, De Volkskrant en de NRC.

HBC, zoals hij vaak kortweg werd genoemd, nam in zijn columns geen blad voor de mond, provoceerde iedereen en schold op alle gezagsdragers, vooral die van christelijke huize. De ‘protestantse piemel’ Barend Biesheuvel moest in 1971 als kabinetsformateur met een krachtig ‘godverdomme’ begroet worden. Koningin Beatrix noemde hij eens een ‘opgeblazen fietsband’, prins Bernhard had volgens hem een spoor van venerische ziektes achtergelaten in Zuid-Amerika. Lubbers noemde hij een zwendelaar. Zijn minister van Financiën Ruding vergeleek hij met Eichmann. Dat laatste was voor collega Brinkman van Cultuur in 1984 aanleiding om hem de P.C. Hooftprijs ‘voor zijn hele oeuvre’ te weigeren. Brandt Corstius kreeg hem in 1987 alsnog toen de Nederlandse staat de P.C. Hooftprijs als officiële staatsprijs had losgelaten. Maar verder kwam Brandt Corstius overal mee weg (klaagde de Telegraaf). Er werd ondanks herhaalde aandrang geen strafvervolging tegen hem ingezet voor belediging of majesteitsschennis. De kranten waar hij voor schreef bleven zijn columns publiceren. HBC was een ‘briljante pitbull’, schreef de Letterenredacteur van Trouw Rob Schouten. En als zodanig was hij geliefd bij een links, intellectueel publiek. Het waren andere tijden.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: Rescued by Rover (cc)

Racisme in de oorlogsgeschiedenis

ACHTERGROND - De Britse prinses Anne onthulde vorige maand in Kaapstad een monument voor merendeels zwarte Zuid-Afrikaanse mannen die in de Eerste Wereldoorlog in Oost-Afrika het Britse leger hielpen de Duitsers te verslaan. De 1.772 mannen vervulden gevaarlijke en slopende taken als niet-strijder in Oost-Afrika, maar tot nu toe hadden ze geen graf of herdenkingsplaats.

In 2021 heeft het Verenigd Koninkrijk zijn excuses aangeboden nadat in een rapport werd gesteld dat “alomtegenwoordig racisme” de oorzaak was van het feit dat er geen eer werd betoond aan ten minste 100.000 zwarte en Aziatische soldaten die aan de kant van het land waren gesneuveld. De Commonwealth War Graves Commission (CWGC) waarvan prinses Anne voorzitter is, werd in 1917 opgericht als de Imperial War Graves Commission. Het was de bedoeling om  al degenen uit het Britse rijk te herdenken die hun leven verloren in de Eerste Wereldoorlog met namen gegraveerd op een grafsteen of op een gedenkteken. Uit een onderzoek uit 2021 bleek dat 116.000 tot 350.000 slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog nooit zijn herdacht. Een brief uit 1923 van de koloniale gouverneur van de Gold Coast (nu Ghana), geciteerd in het rapport, zei dat Afrikanen “nauwelijks in een staat van beschaving verkeerden om zo’n gedenkteken te waarderen”.

Foto: David Lisbona (cc)

Dit nooit meer!

Het was een ontroerend gezicht, hoe de emotioneel gebroken fans van Maccabi Tel Aviv thuis kwamen nadat ze vorige week het slachtoffer werden van antisemitisch geweld in Amsterdam, tijdens wat door sommige media een nieuwe “Kristallnacht” werd genoemd. Maar ondanks al deze ellende bleven ze optimistisch, hielden duidelijk vertrouwen in de mensheid. Ze zochten steun bij elkaar door het gezamenlijk zingen van Israëlische volksliedjes in de hal van het vliegveld. Zoals “Het IDF gaat Arabieren neuken” en “Waarom is er geen school in Gaza? Er zijn geen kinderen meer”. Een mooi en aangrijpend gezicht.

Ik pinkte een traantje weg. Hoe hadden de Amsterdammers niet kunnen begrijpen dat alles wat de supporters wilden een beetje begrip was? Werd dat niet duidelijk door dezelfde volksliedjes die ze zongen in de metro hier? En dat het heel kwetsend was dat er Palestijnse vlaggen in de stad hingen. Fijn dat ze deze vlaggen zonder geweld verwijderden, pech dat er eentje vlam vatte, kan gebeuren. En dat ze gebruik maakten van hun vrijheid van meningsuiting door Amsterdammers er subtiel op te wijzen dat er ook andere zienswijzen zijn op het conflict. Aardige mensen. En die taxichauffeur die waarschijnlijk ongelukkig viel en werd geholpen door de supporters? Ook hartverwarmend.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: Afbeelding door de auteur gemaakt met Bing

Eigen volk eerst, dát is wat ze willen

OPINIE - een gastbijdrage van Ginny Mooy, eerder verschenen op haar eigen website.

“Je moet erboven staan. Je moet ERBOVEN STAAN!” Ik zie hem nog zo goed voor me, al is het nu meer dan drie decennia geleden. Zijn halflange, rode haar driftig wapperend, zijn knalrode wangen, hoeveel moeite hij moest doen om zijn stem kalm te houden, zijn hete adem in mijn gezicht. Zijn neusvleugels, wijd opengesperd, spraken boekdelen. Kalm was hij zeker niet. Maar ik kwam niet om hem heen, hij hield me vast, versperde me de weg, trok me terug als ik toch dreigde te ontsnappen. “JE MOET ERBOVEN STAAN!”

Daar stonden we, bij het houten bankje naast de zandbak tegenover mijn huis. Zijn kleine pupillen stonden strak op mij gericht, terwijl ik alleen maar naar dat bankje kon blijven staren. ‘Gin’ stond daar in mijn handschrift. Met een grote, dikke streep erdoorheen. En daaronder stond in koeienletters gekalkt: “GA TERUG NAAR JE EIGEN LAND.” Wáár moest ik boven staan? Ik wilde nergens boven staan. Daar verderop liep hij, mijn buurjongen, ik wilde hem vragen waarom, misschien wilde ik hem wel slaan, weet ik veel, gewoon de confrontatie aangaan. Maar ik mocht niet. Ik moest ‘erboven staan’. Nou was ik 12 en had ik geen idee wat dat betekende, maar ik wist genoeg. Meneer ‘erboven staan’ was 14 en mijn buurjongen 15. De angst was gewoon te ruiken en het was niet de mijne.

Foto: Sebastiaan ter Burg (cc)

Dat mag je óók (al niet meer) zeggen

RECENSIE - Het genootschap Onze Taal heeft onder deze titel een leerzaam boekje uitgegeven over hedendaagse taalgevoeligheden. Taal is de afgelopen jaren, in navolging van Angelsaksische landen, ook in Nederland een strijdperk geworden. Bepaalde termen zijn in de ban geraakt omdat ze als beledigend en stigmatiserend werden ervaren. Maar niet door iedereen. Tegenstanders ervaren nieuwe regels als ideologisch geïnspireerde dwingelandij. Taalkwesties dragen zo bij aan de polarisatie in het publieke debat. Tijd dus voor een verhelderende gids: welke woorden kunnen, en welke juist niet (meer)?

Taalkundige Vivien Waszink inventariseert ‘wat er allemaal gebeurt op het gebied van schurende taal, genderinclusief woordgebruik en het weergeven van diversiteit.’ Het aardige van haar benadering is dat zij nieuwe woorden en uitdrukkingen voornamelijk beschrijft, verklaart en van de nodige achtergrondinformatie voorziet, maar nergens voorschrijft. Je kunt er mee instemmen, je kunt er ook afstand van nemen. Genderneutraal taalgebruik wordt steeds vaker de norm. ‘Dames en Heren’ wordt ‘Beste reizigers’. Dat went best snel. Maar kan al het mannelijke en vrouwelijke volledig uit het publieke discours worden geweerd?

Het is het goed om kennis te nemen van wat er op dit gebied leeft. Achter de taalkwesties worden veel bredere maatschappelijke kwesties zichtbaar. Ze roepen de vraag op of taal de weg kan zijn tot rechtvaardiger maatschappelijke verhoudingen, meer diversiteit en minder ongelijkheid. Taal is een peilstok voor verdergaande veranderingen in de samenleving. Maar die veranderingen vragen tijd en vooral inspanning op andere gebieden zoals wetgeving en verdeling van de welvaart. Alleen woorden zijn niet in staat het denken van mensen een andere richting te geven. Alleen als we steeds meer vrouwelijke directeuren tegenkomen raken we het beeld kwijt dat een directeur altijd een man is. Ik denk dat voor een volgende generatie een arts een vrouw is, terwijl ouderen haar nu nog vaak als verpleegkundige (of nog erger ‘verpleegster’) zien. Daar kun je met goedbedoelde taalrichtlijnen niet tegen op.

Foto: K@mphuis (cc)

Ongehoord

ANALYSE - Met enige verbazing las ik het bericht dat D66’er Tjeerd de Groot een journalist en cameraman van Ongehoord Nederland tegenover een aantal Tweede Kamer bezoekers voor “fascisten” uitmaakte. Wat niet verbaasde, was dat hij kort daarna zijn woorden introk. In dit land houden we van benoemen, behalve als het over extreemrechts gaat, want zodra je daar spijkers met koppen slaat, lopen ze zielig de uitzending uit, of doen zelfs aangifte, zoals bovengenoemde journalist Jonathan Krispijn vlak na het voorval deed. De slachtofferrol, die kennen ze op rechts wel.

Ja mensen, het echte slachtoffer is hier Krispijn en op Twitter liet hij weten dat de kwalificatie door De Groot hem echt pijn deed, want zijn “Joodse voorouders zijn slachtoffer geworden van echt fascisme”. Samen met zakelijk directeur van Ongehoord, Reinette Klever, deed hij aangifte. Het mooie van een aangifte is dat daar één en ander onder de loep genomen wordt, en ik dacht, laten we De Groot even helpen.

Het begin van Ongehoord Nederland

Ergens in 2019 kwamen 4 initiatiefnemers met het idee een omroep op te richten. Onder hen waren Joost Niemöller en Arnold Karskens. Beiden hebben journalistieke ervaring maar komen al jaren niet meer aan de bak in het reguliere circuit. De 2 anderen zijn ex VVD’er Ybeltje Berckmoes-Duindam en de PVV liefhebbende acteur en schrijver Haye van der Heijden.

Volgende