De laatste niet-antisemiet moet het licht uitdoen

een gastbijdrage van Mihai Martoiu Ticu Nazi-vergelijkingen met twee maten Vorige week beschuldigde voormalig parlementariër Wim Kortenoeven de ChristenUnie en het CDA van antisemitisme. Kortenoeven, die tegenwoordig in een Israëlische nederzetting woont en zich tot het orthodoxe jodendom heeft bekeerd, richtte zich in het Reformatorisch Dagblad op twee partijen die een boycot van producten uit Israëlische nederzettingen steunen. Hij haalde daarbij zelfs de Duitse leus 'Kauft nicht bei Juden' aan, bekend van de landelijke boycot van Joodse winkels, artsen en advocaten die de NSDAP op 1 april 1933 organiseerde. Thierry Baudet werd voor de rechter gesleept toen hij de coronamaatregelen met de Holocaust vergeleek en Francesca Albanese (VM Speciaal Rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden) werd op verzoek van het CIDI uit de Tweede Kamer geweerd toen ze Tweede Wereldoorlog-analogieën maakte, omdat die de Holocaust zouden bagatelliseren. Dus blijkbaar mag Kortenoeven, directeur van het Netherlands-Israel Public Affairs Committee (NIPAC), een lobbyorganisatie ten behoeve van Israël (een Nederlandse variant van het Amerikaanse AIPAC), de Holocaust wél bagatelliseren, want hij doet het voor een goed doel. Een paar dagen eerder werd ook Frans Timmermans van antisemitisme beschuldigd omdat hij rechts en extreemrechts in Israël met de nazi’s vergeleek. Trouwens, de vergelijking van Timmermans was een legitieme deductieve analogie. Deze week kwam daar nog een voorbeeld bij. Eddo Verdoner betoogde in de Volkskrant dat een cartoon van Peter de Wit over de bezetting antisemitische beeldtaal zou gebruiken. Mijn voorstel is om de definitie van antisemitisme te versimpelen: “Alle uitspraken over het Israëlisch-Palestijnse conflict zijn antisemitisch, behalve de uitspraak: ‘Israël heeft altijd gelijk.’” Antony Lerman en de herdefiniëring van antisemitisme Een uitvoerige analyse van de steeds ruimer wordende definitie van antisemitisme staat in Whatever Happened to Antisemitism? Redefinition and the Myth of the ‘Collective Jew’ van de Britse onderzoeker Antony Lerman. Hij schrijft niet alleen als academicus, maar ook vanuit tientallen jaren ervaring binnen organisaties die antisemitisme onderzochten. Hij werkte bij het Institute of Jewish Affairs, later werd hij directeur van die organisatie en van haar opvolger, het Institute for Jewish Policy Research. Hij zette ook de Antisemitism World Report op, een jaarlijks landenrapport over antisemitisme. In die zin is Lerman ook een klokkenluider in zijn eigen vakgebied. Hij beschrijft in zijn boek conflicten binnen de organisaties waarvoor hij werkte en druk van andere instellingen. Toen hij in 1985 kritiek uitte op de neiging Arabische oppositie tegen Israël als antisemitisch te behandelen, leidde dat tot oproepen hem te ontslaan. Later verzette zijn instituut zich tegen samenwerking met een door de Mossad gefinancierd onderzoeksproject, omdat het twijfelde aan de onafhankelijkheid daarvan. Van Jodenhaat naar ‘nieuw antisemitisme’ Lermans hoofdonderwerp is de verandering van het begrip antisemitisme sinds de jaren zeventig. Klassiek antisemitisme heeft volgens hem betrekking op vijandigheid tegen Joden als Joden: bijvoorbeeld samenzweringstheorieën over Joodse macht, bloedlaster, Holocaustontkenning en racistische karikaturen. Hij bestrijdt niet dat zulke vormen van antisemitisme nog steeds bestaan. Daarnaast ontstond volgens Lerman geleidelijk het concept van het ‘nieuwe antisemitisme’. Daarin kwam de houding tegenover Israël en het zionisme steeds centraler te staan. De gedachte is dat Israël tegenwoordig de rol vervult van de ‘collectieve Jood onder de naties’: zoals Joden vroeger werden uitgesloten, gedemoniseerd en bedreigd, zou Israël nu als staat worden uitgesloten, gedemoniseerd en bedreigd. Boycots van Israël, anti-zionisme en bepaalde vormen van kritiek op de staat konden vanuit die gedachte als hedendaagse verschijningsvormen van antisemitisme worden beschouwd. Lerman reconstrueert hoe deze benadering zich vanaf de jaren zeventig ontwikkelde. De verhouding tussen anti-zionisme en antisemitisme werd steeds intensiever besproken, maar lange tijd bestond daarover geen overeenstemming. Zo werd binnen Joodse en Israëlische instellingen enerzijds betoogd dat het ontkennen van Joodse nationale zelfbeschikking antisemitisch kon zijn, terwijl anderzijds werd erkend dat oppositie tegen Israëlisch beleid of ideologische kritiek op het zionisme dat niet noodzakelijk was. Volgens Lerman kwam rond de eeuwwisseling een omslag. De tweede intifada, de Durban-conferentie en een groeiende politieke aandacht voor anti-Israëlische uitingen versterkten de opvatting dat anti-zionisme en antisemitisme nauw met elkaar verbonden waren. Onderzoeksinstellingen, Joodse organisaties en Israëlische overheidsorganen gingen zich steeds nadrukkelijker met dit ‘nieuwe antisemitisme’ bezighouden. De ‘collectieve Jood’ Het theoretische middelpunt van Lermans boek is zijn kritiek op het beeld van Israël als ‘collectieve Jood’. Volgens hem worden daarin twee verschillende categorieën met elkaar verbonden: een bevolkingsgroep en een staat. Een individu kan vanwege zijn Joodse afkomst of religie worden gehaat of gediscrimineerd. Een staat is daarentegen een politieke instelling die kan worden beoordeeld op haar wetgeving, grenzen, ideologie, militaire optreden en beleid. Daarom volgt volgens Lerman uit vijandigheid tegenover Israël of het zionisme niet zonder meer vijandigheid tegenover Joden. Hij trekt daaruit niet de conclusie dat anti-Israëlische uitingen nooit antisemitisch kunnen zijn. Dat kunnen ze volgens hem wel degelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer klassieke stereotypen over Joodse macht of samenzweringen worden gebruikt of wanneer Joden als groep verantwoordelijk worden gesteld voor het optreden van Israël. Zijn bezwaar richt zich tegen een automatische gelijkstelling: de concrete inhoud en context moeten bepalen of een uiting antisemitisch is. Van EUMC naar IHRA Een belangrijk deel van het boek gaat over de institutionalisering van deze nieuwe benadering. In 2005 publiceerde het European Union Monitoring Centre on Racism and Xenophobia een ‘working definition’ van antisemitisme. Die tekst was volgens het EUMC onderdeel van een lopend proces en had geen juridische status. De definitie kwam niet uitsluitend van academische onderzoekers tot stand; Lerman beschrijft hoe vertegenwoordigers van verschillende organisaties bij de ontwikkeling ervan betrokken waren. In 2016 nam de International Holocaust Remembrance Alliance een aangepaste versie van die definitie over. Voor Lerman is vooral van belang dat veel van de bijbehorende voorbeelden betrekking hebben op Israël. Daardoor werd een ontwikkeling die eerder vooral in politieke en academische discussies plaatsvond volgens hem steeds sterker onderdeel van het beleid van regeringen, universiteiten, politieke partijen en andere instellingen. Lerman ziet daarin de institutionele verankering van een bredere definitie van antisemitisme, waarin niet alleen vijandigheid tegen Joden, maar ook bepaalde vormen van anti-zionisme en Israëlkritiek een plaats krijgen. Het risico van begripsvervaging Lermans belangrijkste bezwaar is uiteindelijk conceptueel. Wanneer zeer uiteenlopende verschijnselen onder hetzelfde begrip worden gebracht, wordt het volgens hem moeilijker onderscheid te maken tussen klassieke Jodenhaat en politieke conflicten over Israël en Palestina. Daarom verzet hij zich tegen de eenvoudige formule dat anti-zionisme gelijkstaat aan antisemitisme. De twee kunnen volgens hem overlappen, maar zijn niet identiek. Of een uitspraak over Israël antisemitisch is, moet worden vastgesteld aan de hand van wat er daadwerkelijk wordt gezegd, welke stereotypen worden gebruikt en tegen wie de vijandigheid is gericht. Dat heeft volgens Lerman ook praktische gevolgen. Wanneer BDS, kritiek op de bezetting, discussies over een éénstaatoplossing of beschuldigingen van mensenrechtenschendingen al snel onder verdenking van antisemitisme komen te staan, kan het begrip mede gaan bepalen welke politieke standpunten nog als legitiem worden behandeld. Tegelijkertijd waarschuwt hij dat een te ruim begrip het moeilijker kan maken om antisemitisme in zijn klassieke vormen precies te herkennen en te bestrijden. Hij koppelt zijn kritiek daarom juist aan de wens het begrip analytisch scherp te houden. Te onthouden Antisemitisme is een vorm van racisme. Racisme is het gedrag waarbij iemand ongerechtvaardigde voordelen nastreeft, of anderen onterechte nadelen toebrengt, gebaseerd op veronderstelde biologische kenmerken. De juridische definitie omvat ook ‘rassendiscriminatie’ (discriminatie op afkomst of nationale of etnische afstamming). U moet echter onthouden dat de kern van discriminatie is dat iemand schade lijdt, of iets wordt ontnomen (of onthouden) waar hij of zij recht op heeft. Om CDA, ChristenUnie, Frans Timmermans en de Volkskrant van antisemitisme te kunnen beschuldigen, moet men dus eerst aantonen dat zij de Joden schade toebrengen. Over de auteur: Dit artikel verscheen eerder bij Thrasymachus. Mihai Martoiu Ticu is afgestudeerd filosoof en heeft een master Internationaal Recht (Universiteit Utrecht). Hij schrijft op zijn persoonlijke website over politiek, filosofie, argumentatie en mensenrechten. Tevens plaats hij artikelen op zijn weblog Thrasymachus.

Door: Foto: "Jews Against Zionism" by zorilla is licensed under CC BY 2.0
Foto: AnveshPandra (cc)

Een zwarte hoogleraar faalt nooit alleen

Jason Arday is dood. De Britse socioloog, die in 2023 op 37-jarige leeftijd de jongste zwarte hoogleraar in de geschiedenis van Cambridge werd, werd donderdag dood aangetroffen in zijn woning in Londen. De politie beschouwt zijn overlijden niet als verdacht.

In de weken ervoor raakte Arday verwikkeld in een steeds breder onderzoek naar zijn academische werk en levensverhaal. Wat begon met beschuldigingen van plagiaat in zijn proefschrift, groeide uit tot vragen over publicaties, functies, fondsenwerving, sportprestaties en zelfs zijn jeugd.

De Volkskrant kopte: ‘In opspraak geraakte ex-hoogleraar aan Cambridge Jason Arday dood gevonden’.

Feitelijk klopt dat. Arday was in opspraak geraakt, en het artikel zet ‘neutraal’ neer waarvan hij beschuldigt werd. Maar de volkskrant zegt ook een hoop niet. Want wat in deze zaak niet genegeerd kan worden, is dat die opspraak zich ontwikkelde in een context waarin raciale aannames en raciale verdenking een steeds grotere rol gingen spelen. En dat begon al met de persoon die dit alles aan het licht bracht.

Wie begon te graven?
Een belangrijk deel van de recente beschuldigingen kwam van Nathan Cofnas, een filosoof die zelf aan Cambridge verbonden was en zich nadrukkelijk keert tegen diversiteitsbeleid. Cofnas noemt zichzelf een ‘rassenrealist’ en raakte eerder in opspraak met publicaties over ras en intelligentie. Hij haalde Ardays proefschrift door plagiaatsoftware en publiceerde zijn bevindingen onder de veelzeggende titel DEI Fraud and Cover-Up at Cambridge. Daarmee werd de verdenking vanaf het begin gekoppeld aan een politieke these: Arday was voor Cofnas niet alleen een wetenschapper die mogelijk plagiaat had gepleegd, maar een voorbeeld van wat er volgens hem misgaat wanneer universiteiten diversiteit nastreven. Wetenschappelijke integriteit interesseerde hem minder dan de zwarte persoon die daar niet had mogen zijn. Hij zocht gewoon een stok om hem mee te slaan, en vond deze. Vervolgens pakten onder meer Britse media de beschuldigingen op en werd ook naar andere onderdelen van Ardays cv en levensverhaal gegraven. Dat maakt de herkomst relevant: eventuele fraude moet op haar eigen merites worden beoordeeld, terwijl de campagne eromheen vanaf het begin onderdeel was van een veel bredere ideologische strijd over ras, meritocratie en DEI.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: Aleksandr Popov on Unsplash

Alle Duitsers behalve Helmut en alle Marokkanen behalve Mo

Toen ik het artikel van gisteren las over polarisatie en de conclusie dat de meeste mensen in het eigen leven dat weinig ervaren, moest ik onwillekeurig denken aan mijn eigen jeugd. Als kleinkind van een Nederlandse veteraan die bij de Prinses Irenebrigade had gevochten, maakte ik op zijn verjaardag een huis vol met oude strijdmakkers mee. Nederlandse mannen die via de omweg van oorlog en ballingschap weer bij de bevrijding van hun eigen land betrokken raakten. Ze kenden elkaar van uniformen, kazernes, modder, angst,  kameraadschap en trauma. En ze hadden allemaal een hekel aan Duitsers.

Alle Duitsers waren klootzakken. Dat was ongeveer de regel.

Alleen gold die regel zelden voor de Duitsers die ze daadwerkelijk kenden. De Duitse kennis viel mee. De Duitse collega was een aardige vent. De Duitse vrouw op vakantie was hartelijk. De uitzondering zat altijd dichtbij. Het stereotype bleef intact, de individuele mens werd ervan vrijgesteld.

Achteraf was dat misschien mijn eerste les in de elasticiteit van vooroordelen. Een mens kan een groep wantrouwen en tegelijk prima omgaan met de leden van die groep, zodra die een naam, gezicht, stem en adres hebben. Helaas sneuvelt het vooroordeel dan meestal niet, het wordt verplaatst. Weg van de concrete persoon, terug naar de abstracte massa.

Foto: Wendy (cc)

Toenemend racisme: gelijkwaardigheid als staatsgreep

De standaard lezing van het toenemende aantal stemmen op radicaal- en extreemrechts is dat het zou gaan om angst voor achterstand, om buurten die onder druk staan, om mensen die hun land zien veranderen. Dat het dus geen ‘echt’ racisme is. Daar is natuurlijk een hoop op af te dingen, en die lezing mist iets wezenlijks. Racisme laait namelijk niet alleen op wanneer minderheden worden gezien als last, maar ook wanneer zij zichtbaarder, succesvoller en invloedrijker worden.

Dat is geen vreemde gedachte. In onderzoek naar intergroup threat en status threat komt steeds dezelfde dynamiek terug: vooroordelen nemen toe wanneer een dominante groep een andere groep ervaart als bedreiging voor macht, status, identiteit of de vertrouwde orde. Het gaat dus niet alleen om banen of woningen, maar ook om de vraag wie zichtbaar is, wie spreekt, wie beoordeelt en wie bepaalt.

Zolang migranten en hun kinderen passen in het oude schema, is er weinig aan de hand. Ze mogen schoonmaken, koken, bezorgen, bouwen, zorgen en dankbaar zijn. De spanning ontstaat zodra ze succesvoller worden en de ruimte innemen die vroeger vanzelfsprekend aan anderen werd toegekend.

Dat zie je overal. Mensen van kleur en kinderen van immigranten zijn steeds vaker niet meer het onderwerp waarover wordt gesproken, maar degenen die spreken, presenteren, besturen en duiden. Ze zitten aan talkshowtafels, in gemeenteraden, op redacties, in rechtbanken, universiteiten, raden van bestuur en politieke panels. Ze zijn geen lijdend voorwerp meer in het nationale verhaal, maar mede-auteurs ervan. Voor wie gewend was dat “de ander” hoogstens figureerde in reportages over achterstand, integratie of overlast, is dat een forse statuscorrectie.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: Markus Spiske on Unsplash

Haatzaaien en OM: Nog een uitzondering?

Eerder deze week schreven we al over het besluit van het OM om Geert Wilders niet te vervolgen vanwege een racistische campagneafbeelding. De kern daarvan was simpel: racisme lijkt in Nederland steeds minder strafbaar zodra het een politiek nut dient. Politieke context fungeert steeds vaker als beschermlaag waarachter uitspraken verdwijnen die buiten de Haagse arena grote problemen zouden opleveren.

De aangifte tegen PVV-Kamerlid Gidi Markuszower legt daar nu een veel ernstiger vraag naast. Markuszower stelde dat Palestijnen “misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan komen” tegengehouden moeten worden, en wat hem betreft in Gaza mogen “verpieteren”. Dat is geen abstract frame meer, geen “kritiek op immigratie”, geen debat over integratie of grenzen. Hier komt expliciet geweld in beeld. Niet als verspreking, maar als politiek taalgebruik richting een compleet volk.

En precies daarom zou niet-vervolgen hier een fundamenteel kantelpunt zijn.

Het Nederlandse recht kent bewust hoge drempels rond politieke uitingen. Alleen bestaat die bescherming uiteindelijk bij de gratie van één impliciete grens: dat politici geen vrijbrief krijgen om groepen structureel te ontmenselijken of geweld tegen hen te legitimeren. Als zelfs dit juridisch irrelevant blijkt zodra een Kamerlid het zegt, blijft er inhoudelijk nauwelijks nog een grens over.

Foto: R4vi (cc)

En nu graag een écht protestlied, op repeat

Het lijkt op eerste gehoor een onschuldig liedje: een goede beat, een simpele melodie. Maar een paar seconden later spat dat uiteen. De tekst “Wij zeggen nee, nee, nee, tegen een AZC” is geen vrolijk ‘protestlied’, zoals het in de media wordt genoemd. Het is een verzameling halve waarheden, verdraaiingen en leugens, verpakt in een carnavalesk jasje. En het feit dat het nu dreigt nummer één te worden in de hitlijsten, zegt niet iets over de kracht van protest, maar over de honger naar bevestiging van vooroordelen.

De leugen als volkswijsheid
Ik ga het nummer hier niet linken, en luister het vooral niet, het wordt zelfs op YouTube meegeteld voor de hitlijsten. In ieder geval, het grossiert in verzinsels. Over luxe opvang, over privileges van asielzoekers, over dreiging en gevaar. De teksten spelen in op angst, niet op feiten. Het protesteert niet tegen beleid, maar tegen mensen. Niet tegen bestuurlijke keuzes, maar tegen menselijke aanwezigheid. En dat is het punt: dit is geen protestlied, het is een aanklacht tegen solidariteit. Waar een echt protestsong macht bevraagt, trapt dit lied naar beneden en roept het het publiek op om mee te doen.

De truc van de lach
Maar de echte kracht van het nummer ligt in de lach. Mensen zingen het mee “voor de grap”, zogenaamd als uitlaatklep voor frustratie over politiek en elite. Maar humor is hier het verdovingsmiddel.  Op TV zagen we de vrolijke meewiegende hoofden toen het nummer werd gedraaid – we see you, Albert Verlinden – die eigenlijk zeggen: “Neem dit niet zo serieus.” En zo wordt discriminatie alweer salonfähig. Het klinkt niet meer als haat, maar als gezelligheid. De muziek maakt verteerbaar wat anders onverteerbaar zou zijn.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Foto: Roel Wijnants (cc)

Yesilgöz en het stickertje van de rest

Yesilgöz “kent best veel allochtonen“. En “geen van hen voelt zich aangesproken als ik zeg dat eerwraak slecht is.” Het klinkt stoer. Onaangedaan. Liberaal. En ook een beetje gek, want ze is zelf een allochtoon en lijkt zich hiermee van die groep te distantiëren. Maar het is ook wereldvreemd. Want wat Yesilgöz niet begrijpt, of waarschijnlijker: niet wil begrijpen, is dat kritiek op “gemeenschappen” in Nederland nooit zomaar kritiek is. Het is munitie in een maatschappelijk klimaat waarin namen, gezichten en accenten allang gelabeld zijn voordat iemand een woord zegt. Je hoeft je niet aangesproken te vóelen om aangesproken te wórden. De rest van Nederland plakt dat stickertje toch wel. Ook op de allochtonen die ze kent. Daarbij is het voorbeeld dat ze kiest curieus. Want allochtonen worden ook, of vooral, aangesproken op dingen als de religie die ze aanhangen, en wat die religie wel of niet inhoudt. Iets wat een stuk fundamenteler is dan een opinie over eerwraak, waar bijna iedereen hetzelfde over denkt.

De fictie van neutrale kritiek

Yesilgöz zegt dat de VVD niet “alle migranten” of “alle allochtonen” bedoelt. Dat klopt formeel. Maar politiek taalgebruik is geen wiskunde. Het is framing. En in de mond van een ex-minister van Justitie en partijleider wordt elk ‘feitelijk’ verband tussen migratie en misdaad een maatschappelijke stempel. In het interview verwijst ze naar cijfers over Syriërs en eergerelateerd toegenomen geweld. En dat ze daar ‘dan wel wat mee doet’. En ja, dat aantal is gestegen. Elk geval is er natuurlijk één te veel, maar het gaat om een paar honderd zaken per jaar, tegenover duizenden gevallen van vrouwgericht partnergeweld waar de VVD zelden nog een persmoment aan wijdt. De keuze om juist deze categorie te benadrukken is dus niet neutraal, maar verdacht.

Foto: Roel Wijnants (cc)

Andere tijden

COLUMN - Terwijl in de media dezer dagen heftige debatten worden gevoerd over de vrijheid van meningsuiting van het Britse punkrapduo Bob Vylan las ik de biografie van Hugo Brandt Corstius  ‘Ik heb nog nooit gelogen‘ geschreven door Elsbeth Etty. Brandt Corstius (1935-2014) was een vlijmscherpe columnist die onder de pseudoniemen Stoker, Piet Grijs, Raoul Chapkis, Maaike Helder, Jan Eter en Battus (om er een paar te noemen) in de tweede helft van de vorige eeuw schreef in (o.a.) Vrij Nederland, De Volkskrant en de NRC.

HBC, zoals hij vaak kortweg werd genoemd, nam in zijn columns geen blad voor de mond, provoceerde iedereen en schold op alle gezagsdragers, vooral die van christelijke huize. De ‘protestantse piemel’ Barend Biesheuvel moest in 1971 als kabinetsformateur met een krachtig ‘godverdomme’ begroet worden. Koningin Beatrix noemde hij eens een ‘opgeblazen fietsband’, prins Bernhard had volgens hem een spoor van venerische ziektes achtergelaten in Zuid-Amerika. Lubbers noemde hij een zwendelaar. Zijn minister van Financiën Ruding vergeleek hij met Eichmann. Dat laatste was voor collega Brinkman van Cultuur in 1984 aanleiding om hem de P.C. Hooftprijs ‘voor zijn hele oeuvre’ te weigeren. Brandt Corstius kreeg hem in 1987 alsnog toen de Nederlandse staat de P.C. Hooftprijs als officiële staatsprijs had losgelaten. Maar verder kwam Brandt Corstius overal mee weg (klaagde de Telegraaf). Er werd ondanks herhaalde aandrang geen strafvervolging tegen hem ingezet voor belediging of majesteitsschennis. De kranten waar hij voor schreef bleven zijn columns publiceren. HBC was een ‘briljante pitbull’, schreef de Letterenredacteur van Trouw Rob Schouten. En als zodanig was hij geliefd bij een links, intellectueel publiek. Het waren andere tijden.

Foto: Rescued by Rover (cc)

Racisme in de oorlogsgeschiedenis

ACHTERGROND - De Britse prinses Anne onthulde vorige maand in Kaapstad een monument voor merendeels zwarte Zuid-Afrikaanse mannen die in de Eerste Wereldoorlog in Oost-Afrika het Britse leger hielpen de Duitsers te verslaan. De 1.772 mannen vervulden gevaarlijke en slopende taken als niet-strijder in Oost-Afrika, maar tot nu toe hadden ze geen graf of herdenkingsplaats.

In 2021 heeft het Verenigd Koninkrijk zijn excuses aangeboden nadat in een rapport werd gesteld dat “alomtegenwoordig racisme” de oorzaak was van het feit dat er geen eer werd betoond aan ten minste 100.000 zwarte en Aziatische soldaten die aan de kant van het land waren gesneuveld. De Commonwealth War Graves Commission (CWGC) waarvan prinses Anne voorzitter is, werd in 1917 opgericht als de Imperial War Graves Commission. Het was de bedoeling om  al degenen uit het Britse rijk te herdenken die hun leven verloren in de Eerste Wereldoorlog met namen gegraveerd op een grafsteen of op een gedenkteken. Uit een onderzoek uit 2021 bleek dat 116.000 tot 350.000 slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog nooit zijn herdacht. Een brief uit 1923 van de koloniale gouverneur van de Gold Coast (nu Ghana), geciteerd in het rapport, zei dat Afrikanen “nauwelijks in een staat van beschaving verkeerden om zo’n gedenkteken te waarderen”.

Foto: David Lisbona (cc)

Dit nooit meer!

Het was een ontroerend gezicht, hoe de emotioneel gebroken fans van Maccabi Tel Aviv thuis kwamen nadat ze vorige week het slachtoffer werden van antisemitisch geweld in Amsterdam, tijdens wat door sommige media een nieuwe “Kristallnacht” werd genoemd. Maar ondanks al deze ellende bleven ze optimistisch, hielden duidelijk vertrouwen in de mensheid. Ze zochten steun bij elkaar door het gezamenlijk zingen van Israëlische volksliedjes in de hal van het vliegveld. Zoals “Het IDF gaat Arabieren neuken” en “Waarom is er geen school in Gaza? Er zijn geen kinderen meer”. Een mooi en aangrijpend gezicht.

Ik pinkte een traantje weg. Hoe hadden de Amsterdammers niet kunnen begrijpen dat alles wat de supporters wilden een beetje begrip was? Werd dat niet duidelijk door dezelfde volksliedjes die ze zongen in de metro hier? En dat het heel kwetsend was dat er Palestijnse vlaggen in de stad hingen. Fijn dat ze deze vlaggen zonder geweld verwijderden, pech dat er eentje vlam vatte, kan gebeuren. En dat ze gebruik maakten van hun vrijheid van meningsuiting door Amsterdammers er subtiel op te wijzen dat er ook andere zienswijzen zijn op het conflict. Aardige mensen. En die taxichauffeur die waarschijnlijk ongelukkig viel en werd geholpen door de supporters? Ook hartverwarmend.

Foto: Afbeelding door de auteur gemaakt met Bing

Eigen volk eerst, dát is wat ze willen

OPINIE - een gastbijdrage van Ginny Mooy, eerder verschenen op haar eigen website.

“Je moet erboven staan. Je moet ERBOVEN STAAN!” Ik zie hem nog zo goed voor me, al is het nu meer dan drie decennia geleden. Zijn halflange, rode haar driftig wapperend, zijn knalrode wangen, hoeveel moeite hij moest doen om zijn stem kalm te houden, zijn hete adem in mijn gezicht. Zijn neusvleugels, wijd opengesperd, spraken boekdelen. Kalm was hij zeker niet. Maar ik kwam niet om hem heen, hij hield me vast, versperde me de weg, trok me terug als ik toch dreigde te ontsnappen. “JE MOET ERBOVEN STAAN!”

Daar stonden we, bij het houten bankje naast de zandbak tegenover mijn huis. Zijn kleine pupillen stonden strak op mij gericht, terwijl ik alleen maar naar dat bankje kon blijven staren. ‘Gin’ stond daar in mijn handschrift. Met een grote, dikke streep erdoorheen. En daaronder stond in koeienletters gekalkt: “GA TERUG NAAR JE EIGEN LAND.” Wáár moest ik boven staan? Ik wilde nergens boven staan. Daar verderop liep hij, mijn buurjongen, ik wilde hem vragen waarom, misschien wilde ik hem wel slaan, weet ik veel, gewoon de confrontatie aangaan. Maar ik mocht niet. Ik moest ‘erboven staan’. Nou was ik 12 en had ik geen idee wat dat betekende, maar ik wist genoeg. Meneer ‘erboven staan’ was 14 en mijn buurjongen 15. De angst was gewoon te ruiken en het was niet de mijne.

Volgende