Woestijngeloof
COLUMN - Wie de islam meent te kunnen karakteriseren als ´woestijngeloof´ heeft niet goed opgelet. Ongeacht of je het traditionele islamitische verhaal gelooft of één van de vele revisionistische ideeën die de laatste tijd rondwaren over het ontstaan van de islam: zij is ontstaan in steden.
Zowel de oorsprong als de ontwikkelingen tijdens de formatieve periode van deze godsdienst hebben zich afgespeeld in nederzettingen van waaruit gehandeld werd, in oases waar sedentaire landbouw werd gepleegd of in steden die rond legerkampen zijn ontstaan. De islam heeft nog minder met de woestijn dan het jodendom en de christenheid. De enkele keren dat woestijnbewoners in de koran worden genoemd, is dat uitsluitend in negatieve zin.
Dat gezegd zijnde was er natuurlijk wel een verschil tussen het Arabische taal- en cultuurgebied en de cultuur van de grote wereldrijken eromheen: het Byzantijnse en het Sassanidische rijk. De inwoners van deze gebieden hadden alle reden om neer te kijken op de in hun ogen grote culturele armoede van de Arabieren die hen in de loop van de achtste eeuw overrompelden. Een passage uit een Joodse bron die dateert van voor de opkomst van de islam illustreert die kijk.
In deze passage leest een rabbi Genesis 37:35 over de karavaan Ismaëlieten die specerijen, balsem en hars vervoeren. De man merkt verbaasd op dat Arabieren toch niets anders verhandelen dan ongelooid leer en aardolie. Het antwoord op zijn vraag is tekenend: God zelf heeft ten behoeve van Jozef – die door de Ismaëlieten als slaaf wordt meegenomen – een klein wondertje verricht, zodat Jozef zijn onfortuinlijke reis tenminste niet in de stank hoeft door te brengen. Zowel ongelooid leer als aardolie stinken nogal.