Grondwet is geen knutselwerkje
ANALYSE - De Grondwet speelt misschien niet meer de centrale politieke rol die het vroeger vervulde, maar dat is nog geen reden het als een knutselwerkje te behandelen, schrijft Joop van den Berg.
Er is een tijd geweest dat herziening van de Grondwet en van daarbij behorende ‘organieke’ wetgeving, zoals de Provinciewet of de Gemeentewet, een operatie was die maar eens in de veertig jaar en in samenhang werd ondernomen. Dat gold dus evenzeer voor de organieke wetten (men kan ze ook ‘constitutionele wetten’ noemen) die niet dan met de vereiste grondigheid werden aangepakt. Tot na de Tweede Wereldoorlog gebeurde dat voorts met terughoudendheid en het besef dat je niet naar believen aan de constitutie kan knutselen, zoals je een dakraampje aan je huis vervangt.
Die terughoudendheid is ontegenzeglijk bevorderd door de veeleisende herzieningsprocedure. Men kan erover twisten of het niet een tikkeltje soepeler kan, maar de zware herziening is geen toeval. De jurist C. van Vollenhoven merkte al aan het begin van de twintigste eeuw op dat de normen in de Grondwet zijn opgenomen om ze niet uit te leveren aan toevallige meerderheden in de volksvertegenwoordiging. Herziening van de Grondwet dient dus grondig en zorgvuldig te gebeuren.