Grenzen trekken
COLUMN - Het blijft lastig, als het om de uitingsvrijheid gaat.
Ian Buruma, de onfortuinlijke hoofdredacteur van de The New York Review of Books, zag zich al na korte tijd gedwongen ontslag te nemen nadat hij een artikel had geplaatst van een man die beschreef hoe hij door een #MeToo affaire plots als paria werd behandeld. Voor veel lezers bleek het een brug te ver om deze paria een podium te geven. Bij zijn aftreden schreef Buruma een commentaar en daarin maakte hij het onderscheid tussen insult (belediging) en offense (aanstoot).
Het eerste is bewust, het tweede afhankelijk van de ontvanger. ‘Aanstoot wordt genomen, belediging uitgedeeld.’ Aanstoot geven moet kunnen, beledigen is een moedwillige poging om iemand kwaad te doen en dat gaat volgens Buruma over de grens. Coen van de Ven schrijft er over in De Groene. Hij levert terecht kritiek op het besluit van de The New York Times om, na alle ophef over een spotprent van Trump met een keppeltje achter een blindengeleidehond met davidster die de Israëlische premier Netanyahu moet voorstellen, nu maar helemaal geen cartoons meer te plaatsen. Redactionele luiheid, vindt hij. Cartoons moeten het hebben van scherpte, ze zullen altijd wel bij iemand voor aanstoot zorgen. En hij citeert cartoonist Joep Bertrams: ‘Door volledig te stoppen met het genre zeg je eigenlijk: ik heb geen zin in dat gehannes’.