Collega’tje Ina en ik móesten naar Berlijn. Zij voor techno-dj Marek Hemmann, ik voor een onbegrijpelijke tentoonstelling van kunstenaar Paul Laffoley en het regelen van mijn bloedmooie Berlijnse vakantievlam. Een gratis slaapplek bij laatstgenoemde was snel geregeld, vervoer bleek het goedkoopst per bus. Per technopartybus welteverstaan.
Nu hou ik van alle soorten muziek, en heb ik ook wel eens uren achtereen naar dezelfde cd moeten luisteren in de partybus naar en van Masters of Hardcore in de Brabanthallen, maar climaxloze minimaltechno trek ik bijzonder slecht. Het komt op mij gewoonweg over alsof iemand van een mengpaneel van 40 knoppen is vergeten de overige 39 schuifjes open te zetten.
In de partybus bleek vooral het schuifje van de hi-hats uitverkoren. Dat alleen het basloze deel van het drumstel in de muziek was gebruikt kwam mij dan weer goed uit, want ik kon zonder interferentie mijn eigen muziek in m’n oren drukken. Al snel bleek echter dat ik eigenlijk geen muziek nodig had ter vermaak; onze medereizigers waren interessant genoeg.
Toen bij de eerste stop om elf uur ’s ochtends alle halveliterdrinkende hipsters de bus uitrolden voor een peuk, bleek dat mijn reisgenoot en ik de enigen waren die niet rookten. Of aan de GHB zaten. Of Ketamine. Of speed. Nu ben ik niet vies van een feestje, maar vergeleken bij deze lui voelden we ons gelijk een stel amateurs. Daar zaten we dan, broodnuchter helemaal voorin de bus, zonder onmisbare 3D-bril, lipleeslegging als enige onderkleding of rode lippenstift.